ECLI:NL:RBMAA:2007:BB1622
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtsverhouding en aansprakelijkheid bij samengestelde krediet- en beleggingsovereenkomsten
De zaak betreft een geschil tussen DSB Bank en twee gedaagden over de rechtsverhouding tussen drie op 23 juni 2000 gesloten overeenkomsten: een doorlopend krediet, een beleggingsovereenkomst (HWS) en een overlijdensrisicoverzekering (DSB Leven polis). Gedaagden stelden dat deze overeenkomsten een samenstel vormen en dat zij op grond van dwaling vernietigd moeten worden, omdat zij slechts een geldlening wilden afsluiten zonder de bijkomende producten.
De rechtbank stelt vast dat de overeenkomsten afzonderlijk zijn gesloten met verschillende partijen en dat er geen inhoudelijke samenhang of verwevenheid is die een samenstel van overeenkomsten rechtvaardigt. De kredietovereenkomst staat op zichzelf en het krediet is aangewend voor uiteenlopende doeleinden, waaronder de aankoop van een auto. De beleggingsovereenkomst en de overlijdensrisicoverzekering zijn separaat geregeld.
Gedaagden voerden verder aan dat DSB tekort is geschoten in haar informatieplicht en kredietwaardigheidstoets, maar de rechtbank oordeelt dat DSB voldoende schriftelijke gegevens had om de kredietwaardigheid te beoordelen en dat gedaagden niet hebben gemotiveerd dat zij niet aan hun verplichtingen konden voldoen.
De rechtbank wijst de vordering van DSB toe tot betaling van het openstaande bedrag van € 7.892,79, vermeerderd met contractuele rente, en veroordeelt gedaagden in de proceskosten. Het beroep op dwaling en wanprestatie faalt, evenals het standpunt dat sprake is van een samenstel van overeenkomsten.
Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van € 7.892,79 met rente en proceskosten aan DSB Bank.