ECLI:NL:RBMAA:2007:BA6307
Rechtbank Maastricht
- Kort geding
- F.B. Bergmans
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering curatoren wegens gebrek aan spoedeisend belang en onvoldoende aannemelijkheid onbehoorlijk bestuur
De curatoren van de failliete vennootschappen Benedik Holding B.V. en haar dochtermaatschappijen vorderden in kort geding betaling van een voorschot wegens onrechtmatige selectieve betalingen en onbehoorlijke taakvervulling door de bestuurders en feitelijk beleidsbepalers. Zij stelden dat gedaagden aansprakelijk zijn op grond van artikel 2:248 BW Pro en onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW Pro).
De voorzieningenrechter overwoog dat voor toewijzing in kort geding het bestaan en de omvang van de vordering waarschijnlijk moeten zijn en er een spoedeisend belang moet bestaan. Hoewel het belang van een voortvarende faillissementsafwikkeling werd erkend, ontbrak het spoedeisend belang omdat betaling aan de curatoren pas bij afwikkeling van het faillissement aan crediteuren ten goede komt en de curatoren geen concrete reden gaven waarom de vordering niet in een bodemprocedure kan worden afgewacht.
Ten aanzien van het onbehoorlijk bestuur en de onrechtmatige selectieve betalingen oordeelde de voorzieningenrechter dat het vermoeden van onbehoorlijk bestuur niet weerlegd is, maar dat gedaagden wel aannemelijk hebben gemaakt dat ook andere oorzaken, zoals externe omstandigheden en sectorproblemen, een belangrijke rol kunnen spelen. De complexiteit van de zaak en het ontbreken van voldoende feiten voor een definitieve beoordeling maakten een kort geding ongeschikt.
Daarom wees de rechtbank de vordering af en veroordeelde de curatoren in de proceskosten. Het vonnis benadrukt dat een bodemprocedure noodzakelijk is voor een gedegen beoordeling van de aansprakelijkheid en omvang van de vorderingen.
Uitkomst: De vordering van de curatoren wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang en onvoldoende aannemelijkheid van onbehoorlijk bestuur in kort geding.