ECLI:NL:RBMAA:2006:AV1892
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - meervoudig
- J. Wöretshofer
- B.G.L. van der Aa
- M.A.M. van Uum
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak vriendin slachtoffer GFT-moord wegens ontbreken wettig bewijs medeplegen moord
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van moord op het slachtoffer op 5 augustus 2001 in Maastricht. De zaak werd pas vier en een half jaar later behandeld, wat het onderzoek bemoeilijkte. De officier van justitie baseerde zijn bewijsvoering vooral op verklaringen van een getuige die de verdachte belastte.
De rechtbank oordeelde echter dat de verklaringen van deze getuige inconsistent en deels ongeloofwaardig waren. Ook de reconstructie van het incident toonde ongerijmdheden en tegenstrijdigheden met de getuigenverklaring. Er was geen wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte aanwezig was op de plaats delict of het dodelijke schot heeft gelost.
Daarom kon de rechtbank niet vaststellen dat de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd of medegepleegd. De verdachte werd vrijgesproken van alle tenlasteleggingen. De rechtbank benadrukte het belang van bewijs zonder redelijke twijfel en het ontbreken daarvan in deze zaak.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor medeplegen van moord.