ECLI:NL:RBMAA:2005:AS8864
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis wegens paraplumachtiging
Betrokkene verbleef vanaf 16 augustus 2004 op grond van een voorlopige machtiging in het Psycho-Medisch Streekcentrum Vijverdal te Maastricht en kreeg op 1 december 2004 voorwaardelijk ontslag, waarna hij ambulant werd behandeld. De behandelaars constateerden een instabiel ziektebeeld dat zorgwekkend bleef, maar niet zodanig was dat het voorwaardelijk ontslag moest worden ingetrokken. Wel achtte men voortzetting van de rechterlijke machtiging wenselijk vanwege het gevaar dat betrokkene zou kunnen veroorzaken, met name door werkzaamheden aan gas en elektra zonder vereiste deskundigheid.
De officier van justitie verzocht op basis van een geneeskundige verklaring van 8 februari 2005 om een machtiging tot voortgezet verblijf. Betrokkene en zijn raadsvrouwe stelden dat het gevaar niet zodanig was dat een machtiging tot voortgezet verblijf noodzakelijk was en dat hooguit een voorwaardelijke machtiging passend was. De rechtbank overwoog dat de wetgever sinds 1 januari 2004 de paraplumachtiging, waarbij een machtiging tot voortgezet verblijf wordt gecombineerd met een voorwaardelijk ontslag, niet langer gedoogt. De wetgever stelt dat een verlenging van de rechterlijke machtiging alleen gerechtvaardigd is indien het gevaar niet buiten de instelling kan worden afgewend.
De rechtbank constateerde dat het verzoek feitelijk neerkwam op een paraplumachtiging en dat het minder zware alternatief van verblijf in de thuissituatie onder voorwaarden mogelijk was, maar niet was gevraagd. Daarom wees de rechtbank het verzoek af, omdat niet was voldaan aan de wettelijke vereisten voor een machtiging tot voortgezet verblijf. Betrokkene was niet bereid tot opname in het ziekenhuis en de rechter zag geen toereikende grondslag voor het verzoek.
Uitkomst: Het verzoek tot machtiging tot voortgezet verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis wordt afgewezen wegens het ontbreken van een toereikende grondslag en het feit dat het verzoek neerkomt op een verboden paraplumachtiging.