ECLI:NL:RBMAA:2004:AR4655
Rechtbank Maastricht
- Kort geding
- J.C. Casparie
- Rechtspraak.nl
Nederlandse rechter niet bevoegd voor overdracht Belgische onroerende zaak in echtscheidingsgeschil
Partijen zijn ex-echtelieden die in gemeenschap van goederen waren gehuwd en hun huwelijk is ontbonden. De echtscheidingsbeschikking bepaalde dat de echtelijke woning, gelegen in België, aan de vrouw moet worden toegescheiden tegen een waarde van €230.000.
De vrouw vorderde via kort geding dat de man medewerking zou verlenen aan de overdracht van de woning, met een depotregeling voor de overwaarde. De man verweerde zich met het betwisten van de Nederlandse rechterlijke bevoegdheid en stelde dat hij bereid was mee te werken zonder depotregeling.
De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van Verordening (EG) nr. 44/2001 artikel 22 en Pro 25 de rechter van de lidstaat waar het onroerend goed is gelegen exclusief bevoegd is voor geschillen over zakelijke rechten op onroerende zaken. Omdat de woning in België ligt, is de Nederlandse rechter onbevoegd.
De vordering werd daarom afgewezen en de vrouw werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak benadrukt de toepassing van Europese regelgeving op grensoverschrijdende civiele geschillen betreffende onroerend goed.
Uitkomst: De Nederlandse rechter verklaarde zich onbevoegd en wees de vordering af; de vrouw werd veroordeeld in de proceskosten.