ECLI:NL:RBMAA:2002:AE3858
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.J.O. Martens
- Rechtspraak.nl
Herberekening WAO-uitkering na Wet BOL leidt tot verlaging; beroep gegrond verklaard wegens gebrek aan overgangsregeling
Eiser ontvangt sinds 1983 een WAO-uitkering en sinds 1985 een Duitse arbeidsongeschiktheidsrente. Naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet brutering overhevelingstoeslag lonen (Wet BOL) per 1 januari 2001 werd zijn WAO-uitkering verhoogd, maar tegelijk werd de overhevelingstoeslag afgeschaft. Dit leidde tot een herberekening van de uitkering per 1 september 2001, waarbij rekening werd gehouden met de werkelijke Duitse rente, wat resulteerde in een aanzienlijke verlaging van de uitkering.
Eiser maakte bezwaar tegen deze verlaging, met name vanwege de ondoorzichtigheid van de berekening en het grote bedrag dat hij moest inleveren. Verweerder verklaarde het bezwaar ongegrond en verwees naar Europese regelgeving die een herberekening verplicht stelt bij wijziging van de berekeningsregels. De rechtbank oordeelt dat hoewel de herberekening juist is, de strikte toepassing zonder overgangsregeling in dit geval onredelijk is en in strijd met het ongeschreven recht kan zijn.
De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en acht het noodzakelijk dat verweerder een regeling treft waardoor eiser zich geleidelijk kan aanpassen aan de verlaging, bijvoorbeeld door een gefaseerde korting. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en reiskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot verlaging van de WAO-uitkering wordt vernietigd vanwege het ontbreken van een passende overgangsregeling.