ECLI:NL:RBMAA:2002:AE1289
Rechtbank Maastricht
- Kort geding
- A.M. Adelmeijer
- Rechtspraak.nl
Opheffing conservatoir beslag wegens onvoldoende onderbouwing vordering advocaatkosten
Eiser, een advocaat, had van circa februari 1994 tot september 1997 werkzaamheden verricht voor gedaagden, die daarna overstapten naar een andere advocaat. Er ontstond een geschil over facturen ter waarde van circa fl. 225.000,-, waarvan gedaagden circa fl. 120.000,- hadden betaald. Gedaagden betwistten de hoogte van de facturen en stelden daarnaast dat eiser beroepsfouten had gemaakt, waardoor zij schade leden.
Gedaagden legden conservatoir beslag op hetgeen zij aan eiser verschuldigd waren, na verkregen verlof met begroting van hun vordering op fl. 125.000,-. Eiser vorderde in kort geding opheffing van dit beslag wegens onrechtmatigheid. De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de vordering en concludeerde dat gedaagden onvoldoende inzicht en motivatie hadden gegeven voor hun klachten over de facturen en de gestelde schade.
De rechtbank oordeelde dat gedaagden niet hadden voldaan aan de vereisten van de begrotingsprocedure bij de Raad van Toezicht en dat de vordering onvoldoende gespecificeerd en gemotiveerd was. Hierdoor kon de vordering niet standhouden en moest het beslag worden opgeheven. Gedaagden werden veroordeeld in de kosten van het geding, die aan de zijde van eiser waren begroot op € 1.311,77.
Uitkomst: Het conservatoir beslag wordt opgeheven wegens onvoldoende onderbouwing van de vordering door gedaagden.