ECLI:NL:RBMAA:2002:AD9711
Rechtbank Maastricht
- Hoger beroep
- R.H.J. Otto
- J.F.W. Huinen
- J.R. Sijmonsma
- Rechtspraak.nl
Ontslagbescherming en kennelijke onredelijkheid van ontslag na arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft een geschil over de kennelijke onredelijkheid van het ontslag van een werknemer die na twee jaar arbeidsongeschiktheid werd ontslagen. De werknemer stelde dat het ontslag onredelijk was vanwege de wijze van bejegening op het werk, de reorganisatie en de geringe kansen op passend werk.
In eerste aanleg had de kantonrechter een gedeeltelijke toewijzing gegeven, waarbij een vergoeding werd toegekend. Beide partijen gingen in hoger beroep met verschillende grieven. De rechtbank beoordeelde de grieven gezamenlijk en stelde vast dat de werknemer onvoldoende bewijs had geleverd voor het causale verband tussen arbeidsongeschiktheid en de arbeidsomstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was in de zin van artikel 7:681 BW Pro, mede omdat het ontslag was toegestaan door de Regionale Dienst Arbeidsvoorziening en er geen direct financieel nadeel was vastgesteld. Pogingen tot re-integratie waren volgens de rechtbank voldoende ondernomen.
De rechtbank vernietigde het eerdere vonnis en wees de vorderingen van de werknemer af, waarbij de werknemer werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. De proceskosten werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van de werknemer af wegens onvoldoende bewijs van kennelijke onredelijkheid van het ontslag.