ECLI:NL:RBMAA:2001:AB2061

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
22 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/207 AW I GIF
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • B. W.P.M. Corbey-Smits
  • H.J.O. Martens
  • F.A.M. Stroink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:70 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:74 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit functiewaardering wegens onredelijke ingangsdatum

Eiser, werkzaam bij het Ministerie van Defensie en sinds 1992 bezoldigd volgens salarisschaal 9, betwist de ingangsdatum van zijn functiewaardering die is vastgesteld op 1 april 1998. Hij stelt dat deze datum onterecht is en dat de waardering terugwerkende kracht moet krijgen vanaf 4 september 1995, toen hij tijdelijk werd tewerkgesteld binnen de afdeling Pensioenen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder beleidsvrijheid heeft bij het bepalen van de ingangsdatum, maar dat deze niet onbeperkt is. Verweerder hanteert een beleidslijn waarbij de ingangsdatum niet verder teruggaat dan de datum waarop de functiebeschrijving ter ondertekening aan de ambtenaar is aangeboden. Dit beleid wordt als redelijk beoordeeld, maar de toepassing ervan in deze zaak niet.

Uit het functiewaarderingsrapport blijkt dat de functie-inhoud en takenpakket reeds vanaf 1 juli 1994 waren gewijzigd, en dat deze wijzigingen niet waren verwerkt in de functiebeschrijvingen. Verweerder heeft nagelaten de ingangsdatum hierop aan te passen. Daarom wordt het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. De rechtbank wijst erop dat het beroep gegrond is en dat de belangen van partijen niet worden geschaad door de procedurele afhandeling zonder bezwarenprocedure.

Uitkomst: Het besluit over de ingangsdatum van de functiewaardering wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met terugwerkende kracht vanaf 4 september 1995.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT
Reg.nr.: AWB 00/207 AW I GIF
UITSPRAAK van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen
[eiser] te [woonplaats], eiser,
en
de Staatssecretaris van Defensie -de Commandant Interservice Commando-, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.
Datum bestreden besluit: 10 januari 2000.
Kenmerk: DICO/2000000078.
Behandeling ter zitting: 9 februari 2001
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 10 januari 2000 heeft de commandant Defensie Interservice Commando voor verweerder beslist dat eiser wordt ingedeeld in hoofdgroep IV, niveaugroep b, schaal 9 en wel met ingang van 1 april 1998.
Tegen dit besluit is namens eiser op 21 februari 2000 beroep ingesteld.
De door verweerder ter zake van het beroep ingezonden stukken en het verweerschrift zijn op 27 maart 2000 aan eisers gemachtigde gezonden.
Het beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 9 maart 2001, alwaar eiser zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.K.M. Hensels. Verweerder heeft zich daar doen vertegenwoordigen door mr. P.W. Kanters.
II. OVERWEGINGEN.
1. De van belang zijnde feiten.
Eiser is in dienst van het Ministerie van Defensie, sinds 1992 is hij bezoldigd volgens salarisschaal 9. Per 4 september 1995 is eiser tijdelijk tewerkgesteld als [functie] binnen de afdeling Pensioenen van de Dienst Militaire Pensioenen. De Dienst Militaire Pensioenen is tot stand gekomen met ingang van 1 juli 1994 naar aanleiding van een splitsing van de Dienst Zorg Postactieve Militairen in de Dienst Sociale Zekerheid Militairen en de Dienst Militaire Pensioenen. Met ingang van 13 februari 1996 is eiser overgeplaatst naar deze funktie. In 1995 is onderzoek gedaan naar de toekomst van het bureau Financieel Beheer. Dit onderzoek heeft onder meer geresulteerd in de Voortgangsrapportage “Toekomst Bureau FB “ van 31 oktober 1995. Als een van de te verrichten werkzaamheden wordt in dit rapport genoemd: opstellen nieuwe functie informatie formulieren. Naar aanleiding van bezwaren van de medewerkers van het bureau inhoudende dat er in het aan hun opgedragen takenpakket vanaf 1 juli 1994 wijzigingen zijn opgetreden die niet verwerkt zijn in de functiebeschrijvingen heeft verweerder de volgende onderzoeksopdracht gegeven aan [medewerker], werkzaam bij management ondersteuning:
“Herschrijf de functies van de medewerkers van het bureau Financieel beheer van de afdeling Pensioenen, rekening houdende met de ontwikkelingen en de veranderingen sedert 1 juli 1994 en toets de betreffende functies aan het op 1 juli 1994 van toepassing zijnde functiewaarderingssysteem”.
Op 2 april 1998 heeft [medewerker] voornoemd het functiewaarderings - rapport bureau financieel beheer dienst militaire pensioenen uitgebracht. Uit dit rapport komt naar voren dat er met betrekking tot de functie van hoofd bureau financieel beheer een nieuw functie-informatieformulier is opgesteld. Verder dat de waardering van die functie op basis van genoemd functie-informatieformulier heeft geleid tot indeling in hoofd- en niveaugroep III-d (schaal 8). Overeenkomstig dit rapport heeft verweerder besloten bij schrijven van 29 april 1998. Tegen dit functiewaarderingsbesluit heeft eiser een verzoek om heroverweging ingediend. Bij brief van 22 juli 1998 is eiser bericht dat bij het waarderingsproces onterecht geen gebruik is gemaakt van het per 1 januari 1997 bij het Ministerie van Defensie ingevoerde funktiewaarderingssysteem "FUWASYS". Op grond daarvan heeft verweerder besloten om zijn besluit d.d. 29 april 1998 in te trekken en de waardering van de functie van eiser, met gebruikmaking van voornoemd waarderingsinstrument opnieuw vast te stellen. Bij besluit van 30 oktober 1998 wordt eiser meegedeeld, dat de waardering van de funktie is vastgesteld op hoofdgroep IV, niveaugroep b, schaal 8. Bij besluit van 10 november 1998 wordt dit laatste besluit gerectificeerd en wordt de waardering van de funktie vastgesteld op hoofdgroep IV, niveaugroep a, schaal 8. Op 8 december 1998 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. Bij brief van 23 juli 1999 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar. Bij uitspraak van 12 oktober 1999 heeft deze rechtbank geoordeeld dat het bezwaar van eiser van 8 december 1998 ingevolge de terzake geldende Regeling bezwarenprocedure functiewaardering BBRA 1984 (hierna: de Regeling) is te beschouwen als een verzoek om heroverweging en eisers brief van 23 juli 1999 derhalve dient te worden aangemerkt als een bezwaarschrift in de zin van de Awb tegen het uitblijven van een beslissing op dat verzoek. De brief van 23 juli 1999 is doorgezonden naar verweerder ter behandeling als bezwaarschrift.
Vervolgens heeft verweerder het thans bestreden besluit genomen.
2. Het besluit.
Verweerder heeft bij het thans bestreden besluit van 10 januari 2000 de waardering van de funktie gesteld op hoofdgroep IV, niveaugroep b, schaal 9. Eiser wordt met ingang van 1 april 1998 op dit niveau ingedeeld.
3. De beroepsgronden.
In beroep heeft eiser enkel de ingangsdatum van de functiewaardering bestreden. Eiser acht het vaststellen van de datum van de functiewaardering op 1 april 1998 in strijd met het willekeurbeginsel. Hij is van mening dat de datum 4 september 1995 zou moeten zijn.
4. De beoordeling.
De rechtbank heeft zich ten aanzien van dit beroep allereerst de vraag gesteld of het beroep voor ontvankelijk kan worden gehouden. De rechtbank heeft zich deze vraag gesteld omdat tegen het in beroep bestreden besluit nog de bezwarenprocedure op grond van artikel 7:1 van Pro de Awb moet worden gevolgd. Uit de Regeling moet immers worden afgeleid dat de aan eiser bij besluit van 10 januari 2000 kenbaar gemaakte functiewaardering moet worden aangemerkt als een eerste definitief besluit dienaangaande. Het door eiser ingediende beroepschrift van 21 februari 2000, zoals aangevuld bij schrijven van 21 maart 2000 dient dan ook aan verweerder ter hand te worden gesteld ter behandeling als bezwaarschrift tegen genoemd besluit. De rechtbank ziet echter in casu aanleiding om dit achterwege te laten. Partijen hebben de rechtbank verzocht om het beroepschrift niet alsnog ter behandeling naar verweerder te zenden. De rechtbank willigt dit verzoek in, nu partijen daardoor niet in hun belangen geschaad worden. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de door de Centrale Raad van Beroep op 25 februari 1999 gewezen uitspraak, gepubliceerd in TAR 1999,66.
In het feit dat de bezwaarschriftprocedure niet is gevolgd is dan ook geen beletsel gelegen om het geding ten gronde te beoordelen. Ten gronde zijn partijen slechts verdeeld ten aanzien van de ingangsdatum van de funtiewaardering. Gelet op dit punt van geschil heeft de rechtbank derhalve de vraag te beantwoorden of het besluit van verweerder waarbij de ingangsdatum is bepaald op 1 april 1998 in rechte stand houdt. Alvorens die vraag te beantwoorden dient echter nog de vraag te worden beantwoord of niet een andere grond aan de inhoudelijke behandeling van het geschil in de weg staat. Verweerder heeft namelijk in het verweerschrift aangevoerd dat eiser geen rechtens te honoreren te belang heeft bij een ingangsdatum voor 1 april 1998, omdat eiser reeds sinds 1992 wordt bezoldigd naar schaal 9 en deze inschaling behoudt. De rechtbank verwerpt dit standpunt van verweerder. De uitkomst van de waardering van een ambtelijke functie is niet alleen van belang voor de bepaling van de salarisschaal van de ambtenaar maar ook overigens voor zijn ambtelijke functie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser belang heeft bij zijn beroep ten aanzien van de ingangsdatum van de functiewaardering.
Ten aanzien van dat beroep overweegt de rechtbank nog het volgende.
Dienaangaande merkt de rechtbank allereerst op dat er geen wettelijke voorschriften zijn die verweerder ten aanzien van de ingangsdatum van een functiewaardering beperken. Dat betekent dat verweerder ten aanzien van het vaststellen van die datum beleidsvrijheid heeft. Dat brengt met zich dat de rechtbank slechts een beperkte toetsingsbevoegdheid heeft. De rechtbank heeft het besluit van verweerder te respecteren, tenzij gezegd moet worden dat verweerder bij de uitoefening van die bevoegdheid in strijd heeft gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.
Met inachtneming van vorenstaand toetsingskader overweegt de rechtbank het volgende.
Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat binnen het Ministerie van Defensie ten aanzien van de ingangsdatum van een functiewaardering in beginsel de beleidslijn wordt gehanteerd die kort samengevat hierop neerkomt dat terugwerkende kracht terzake van een herwaardering van een functie niet verder gaat dan de eerste van de maand waarin de door het bevoegde gezag vastgestelde functiebeschrijving ter ondertekening ten bewijze van kennisneming aan de desbetreffende ambtenaar is aangeboden. Ter motivering van de keuze voor die datum heeft verweerder ter zitting aangedragen dat eerst op dat moment duidelijk is wat de (gewijzigde) inhoud van de functie is. Uit een oogpunt van objectiviteit heeft verweerder derhalve gekozen voor genoemde datum. Verder heeft verweerder, zo is uit het verhandelde ter zitting gebleken, geen aanleiding gezien om in het onderhavige geval van genoemde beleidslijn af te wijken.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de hiervoor omschreven beleidslijn is gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Dat dit beleid onjuist is toegepast is niet gesteld en niet gebleken. Desalniettemin is de rechtbank van oordeel dat moet worden gezegd dat verweerder in het onderhavige geval niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de ingangsdatum van de functiewaardering vast te stellen op 1 april 1998. Daarbij overweegt de rechtbank dat op grond van de stukken en wel in het bijzonder het rapport van [medeweker] moet worden vastgesteld dat er een andere datum is vastgelegd. Verweerder heeft immers uitdrukkelijk blijkens de bewoordingen van dit rapport, naar aanleiding van reeds geruime tijd bestaande bezwaren van de medewerkers van het bureau, inhoudende dat er in het aan hun opgedragen takenpakket vanaf 1 juli 1994 wijzigingen zijn opgetreden die niet verwerkt zijn in de functiebeschrijvingen, opdracht gegeven aan [medewerker] om de functies van de medewerkers van het bureau te beschrijven zoals zij die met ingang van de datum van de organisatiewijziging zijn gaan vervullen en die functies met ingang van die datum te waarderen.
Dat de beschrijvingen van die functies betrekking zouden hebben op een datum gelegen na 1 juli 1994, zoals verweerder ter zitting kennelijk heeft beoogd te stellen, met zijn verwijzing naar de aan [medewerker] gegeven opdracht dat de functies dienden te worden herschreven rekening houdende met de ontwikkelingen en de veranderingen sedert 1 juli 1994, is de rechtbank niet gebleken. Voor die stelling is immers geen enkele steun te vinden in het door [medewerker] op 2 april 1998 uitgebrachte rapport. Gelet op vorenstaande overwegingen komt het bestreden besluit dan ook wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is derhalve gegrond. In de omstandigheid dat pas na geruime tijd duidelijkheid is ontstaan met betrekking tot de wijzigingen zoals die zich met ingang van 1 juli 1994 hebben voorgedaan ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Deze omstandigheid is immers aan verweerder zelf te verwijten.
De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met elk een waarde van f. 710,-- toe voor de indiening van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x f. 710,-- x 1 = f. 1.420,--
Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.
III. BESLISSING.
De arrondissementsrechtbank te Maastricht:
1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;
3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van f. 225,-- wordt vergoed door de Staat;
4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op f. 1.420,--, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de Staat aan eiser.
Aldus gedaan door mrs. B. W.P.M. Corbey-Smits, H.J.O. Martens en F.A.M. Stroink in tegenwoordigheid van mr. A.G.P.M. Zweipfenning als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2001 door mr. B. Corbey-Smits voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
w.g. A. Zweipfenning w.g. B. Corbey-Smits
Voor eensluidend afschrift:
de wnd. griffier:
Verzonden op: 22 maart 2001
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.
Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.