ECLI:NL:RBMAA:2001:AB2025
Rechtbank Maastricht
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.J. Haack
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ouderschapsverlof voor partnerkind wegens ontbreken familierechtelijke betrekking en inschrijving op hetzelfde adres
Eiser, werkzaam bij de Belastingdienst, verzocht om ouderschapsverlof voor de zoon van zijn partner, met wie hij samenwoont. De zoon woont beurtelings bij zijn biologische ouders die co-ouderschap uitoefenen. Verweerder wees het verzoek af omdat eiser geen familierechtelijke betrekking heeft tot het kind en niet op hetzelfde adres staat ingeschreven, zoals vereist in artikel 33g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).
De rechtbank bevestigt dat aan de eerste voorwaarde van familierechtelijke betrekking niet is voldaan. Daarnaast blijkt uit de gemeentelijke basisadministratie dat eiser en het kind niet op hetzelfde adres staan ingeschreven, waardoor ook niet wordt voldaan aan de tweede voorwaarde van het ARAR. Hoewel eiser en zijn partner de feitelijke situatie toelichtten, ziet de rechtbank geen ruimte om af te wijken van deze dwingende en eenduidige bepalingen.
De rechtbank overweegt verder dat deze bepalingen aansluiten bij de Wet op het Ouderschapsverlof en de bedoeling van de wetgever om formele, controleerbare criteria te hanteren. Gezien het ontbreken van deze voorwaarden komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de duurzame verzorging en opvoeding door eiser. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om ouderschapsverlof wordt afgewezen wegens ontbreken van familierechtelijke betrekking en inschrijving op hetzelfde adres.