ECLI:NL:RBMAA:2001:AB0058

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
1 februari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03-008080-00
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 26 WwmArt. 55 Wwm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging tot moord, wapenbezit en brandstichting in Maastricht

Op 1 februari 2001 heeft de Rechtbank Maastricht verdachte veroordeeld voor drie strafbare feiten gepleegd op of omstreeks 15 juni 2000 in Maastricht. De feiten betreffen medeplegen van poging tot moord op een slachtoffer, het bezit van een vuurwapen van categorie III met bijbehorende munitie, en medeplegen van opzettelijke brandstichting aan een auto waarbij gemeen gevaar voor goederen bestond.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een mededader na kalm beraad en rustig overleg met een auto naar het slachtoffer is gereden, waarna de mededader meerdere keren met een vuurwapen op het slachtoffer heeft geschoten. De poging tot moord werd niet voltooid. Daarnaast had verdachte een vuurwapen van categorie III en munitie bij zich en stichtte hij samen met de mededader brand aan een auto met gebruikmaking van benzine.

De rechtbank sprak verdachte vrij van een zwaardere kwalificatie van het wapenbezit. De strafrechtelijke kwalificaties betroffen medeplegen van poging tot moord (art. 289 juncto Pro art. 45 en Pro 47 Sr), handelen in strijd met de Wet wapens en munitie (art. 26 en Pro 55 Wwm) en medeplegen van opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen (art. 157 juncto Pro art. 47 Sr Pro).

De rechtbank legde een gevangenisstraf van zes jaar op, waarbij rekening werd gehouden met de ernst van de feiten, het criminele milieu, het koelbloedige karakter van de poging tot moord, het persoonlijk leed van het slachtoffer en de maatschappelijke onrust. De tijd in voorlopige hechtenis werd in mindering gebracht. Verder werd een inbeslaggenomen auto teruggegeven aan de rechthebbende.

Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken onder voorzitterschap van mr. M.J.H.A. Venner-Lijten, met mr. A.S. Arnold en mr. P.E.C.M. Dahmen als rechters.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor medeplegen van poging tot moord, verboden wapenbezit en medeplegen van opzettelijke brandstichting.

Uitspraak

Parketnummer: 03/008080-00
Datum uitspraak: 1 februari 2001
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT
VONNIS
op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats verdachte],
wonende te [woonplaats verdachte],
thans gedetineerd in PI “Overmaze” te Maastricht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 januari 2001.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 15 juni 2000 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven te beroven, na kalm beraad en rustig overleg met een auto naar/tot (vlak)bij die [naam slachtoffer] is gereden, waarna een mededader meermalen met een vuurwapen op die [naam slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:
[naam medeverdachte]op of omstreeks 15 juni 2000 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven te beroven, na kalm beraad en rustig overleg meermalen met een vuurwapen heeft geschoten op die [naam slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen aldaar opzettelijk behulpzaam is geweest, hebbende hij, verdachte, die [naam medeverdachte] met de auto vervoerd naar/tot (vlak)bij die [naam slachtoffer];
2.
hij op of omstreeks 15 juni 2000 in de gemeente Maastricht een of meer vuurwapens van categorie II en/of III, samen met bijbehorende munitie van de categorie II en/of III, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;
De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
3.
hij op of omstreeks 15 juni 2000 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in/bij een auto, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (met gebruikmaking van benzine) een auto in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. primair, 2. en 3. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat
1. primair
hij op 15 juni 2000 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [naam slachtoffer] van het leven te beroven, na kalm beraad en rustig overleg met een auto naar/tot (vlak)bij die [naam slachtoffer] is gereden, waarna een mededader meermalen met een vuurwapen op die [naam slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 15 juni 2000 in de gemeente Maastricht een vuurwapen van categorie III, samen met bijbehorende munitie van de categorie III, voorhanden heeft gehad;
3.
hij op 15 juni 2000 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk brand heeft gesticht in/bij een auto, immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk met gebruikmaking van benzine een auto in brand gestoken, ten gevolge waarvan die auto geheel of gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was;.
Partiële vrijspraak
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 2. meer of anders is ten laste gelegd.
Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Kwalificatie
Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:
Feit 1. primair:
Medeplegen van poging tot moord,
voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289, juncto artikel 45, eerste lid, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en sub 1°, van het Wetboek van Strafrecht.
Feit 2.:
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
strafbaar gesteld bij artikel 55, tweede lid, aanhef en sub a van de Wet wapens en munitie.
Feit 3.:
Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,
voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 157, aanhef en sub 1°, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en sub 1° van het Wetboek van Strafrecht.
De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit.
De verdachte is derhalve strafbaar.
De redengeving van de op te leggen straf
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:
de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;
de omstandigheid dat het bewezenverklaarde onder 1. primair, zoals uit de processtukken valt af te leiden, een afrekening in het criminele milieu betreft;
de omstandigheid dat het bewezenverklaarde onder 1. primair een koelbloedige daad betreft, waarbij vele malen op het slachtoffer is geschoten vanaf korte afstand, zelfs nadat het slachtoffer ten val was gekomen en volkomen weerloos was;
- de mate waarin het bewezen verklaarde onder 1. primair persoonlijk leed teweeg heeft gebracht;
- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde onder 1. primair en de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is.
Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, blijkens het onderzoek ter terechtzitting toebehorend aan [naam rechthebbende], zal worden teruggegeven aan de rechthebbende.
De op te leggen straf is -behalve op voormelde artikelen- gegrond op de artikelen 10, 27, 57 en 91
van het Wetboek van Strafrecht en artikel 56 van Pro de Wet wapens en munitie.
BESLISSINGEN:
De rechtbank
- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1. primair, 2. en 3. ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;
- verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat verdachte strafbaar is;
- veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van ZES JAREN;
- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
gelast de teruggave aan [naam rechthebbende], geboren te [geboorteplaats rechthebbende], wonende te [woonplaats rechthebbende]van het inbeslaggenomene, te weten: 1.00 STK Personenauto YH-76-TF, Alfa 33, kleur: groen.
Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.J.H.A. Venner-Lijten, voorzitter, mr. A.S. Arnold en mr. P.E.C.M. Dahmen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.C. Dassen-ter Linden, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 februari 2001, zijnde mr. Arnold buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.