ECLI:NL:RBMAA:2000:AA6975

Rechtbank Maastricht

Datum uitspraak
1 augustus 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/020741/97
Instantie
Rechtbank Maastricht
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs opzettelijk blootstellen aan HIV met dodelijke gevolgen

Verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk blootstellen van zijn partner aan HIV door onbeschermd seksueel contact te hebben gehad terwijl hij wist dat hij HIV-positief was, met het oogmerk haar van het leven te beroven of haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Dit zou hebben plaatsgevonden tussen 1 januari 1992 en 31 december 1995 in de gemeente Heerlen of het arrondissement Maastricht.

De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat verdachte daadwerkelijk wist dat hij HIV-positief was tijdens de tenlastegelegde periode. Uit het onderzoek bleek hooguit dat verdachte een vermoeden had of mogelijk door medische instanties was geïnformeerd, maar dat is onvoldoende voor het vereiste weten.

Daarmee kon niet worden vastgesteld dat verdachte willens en wetens het risico heeft genomen om het slachtoffer te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van alle tenlasteleggingen.

De uitspraak werd gedaan na onderzoek ter terechtzitting op 18 juli 2000 en uitgesproken op 1 augustus 2000 door de meervoudige kamer van de rechtbank Maastricht.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij willens en wetens onbeschermd seksueel contact had terwijl hij wist HIV-positief te zijn.

Uitspraak

Parketnummer: 03/020741-97
Datum uitspraak: 01 augustus 2000
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE MAASTRICHT
VONNIS
op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juli 2000.
De tenlastelegging
Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1995 in de gemeente Heerlen, althans in het arrondissement Maastricht, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, (telkens) met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met die [slachtoffer] onbeschermd seksueel contact heeft gehad terwijl hij wist dat hij HIV-positief (seropositief) was, zijnde (telkens) de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat die [slachtoffer] niet met het HIV-virus geïnfecteerd is geraakt, in elk geval alleen tengevolge van een van zijn wil onafhankelijke omstandigheid;
Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1995 in de gemeente Heerlen, althans in het arrondissement Maastricht, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens) met dat opzet met die [slachtoffer] onbeschermd seksueel contact heeft gehad terwijl hij wist dat hij HIV-positief (seropositief) was, zijnde (telkens) de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid dat die [slachtoffer] niet met het HIV-virus geïnfecteerd is geraakt, in elk geval alleen tengevolge van een van zijn wil onafhankelijke omstandigheid.
Vrijspraak
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd.
De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
De rechtbank overweegt hierbij dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat verdachte in de tenlastegelegde periode wist dat hij HIV-positief (seropositief) was terwijl hij onbeschermd sexueel contact had met zijn toenmalige partner mw. [slachtoffer]. Hooguit zou uit het onderzoek naar voren kunnen komen, dat verdachte een vermoeden kan hebben gehad omtrent mogelijke besmetting dan wel dat hij wellicht of waarschijnlijk van medische zijde daarover was ingelicht. Zulks houdt echter geen weten in. De rechtbank komt derhalve niet toe aan de vraag of bewezen kan worden geacht dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat genoemde [slachtoffer] door genoemd onbeschermd sexueel contact zou kunnen worden gedood dan wel zwaar zou kunnen worden mishandeld.
BESLISSINGEN:
De rechtbank
- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is aldus gewezen door mr. W.M.A.E. Cornuit, voorzitter, mr. F.C.B. van Wijmen en mr. J.C.E. Wortmann,
rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 01 augustus 2000.