ECLI:NL:RBLIM:2026:978

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
C/03/327562 / HA ZA 24-82
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 7:129 BWArt. 7:129c BWArt. 7:129d BWArt. 6:44 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank wijst vordering deels toe wegens schending waarheidsplicht door eisers

In deze civiele bodemzaak stond een geldleningsovereenkomst centraal waarbij eisers aan gedaagde gelden hadden uitgeleend. In een tussenvonnis was vastgesteld dat gedaagde de geleende gelden met wettelijke rente moest terugbetalen, maar de precieze omvang van de vordering kon niet worden vastgesteld vanwege onduidelijkheden in de overzichten van eisers.

Eisers kregen de opdracht om een correct overzicht te overleggen met de juiste rente en een toelichting op de aflossingen. Dit overzicht voldeed echter niet aan de opdracht: eisers rekenden met een onjuist rentepercentage, namen onterechte bedragen op en lieten substantiële aflossingen door gedaagde buiten beschouwing. Ook werden terugbetalingen aan gedaagde ten onrechte als lening gepresenteerd.

De rechtbank oordeelde dat eisers de waarheidsplicht uit artikel 21 Rv Pro ernstig hadden geschonden. Als gevolg daarvan werd het overzicht van eisers terzijde gesteld en het overzicht van gedaagde gevolgd. De rechtbank wees een bedrag van € 82.677,56 toe, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2026. Tevens werden eisers hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van € 12.303,00.

De rechtbank benadrukte dat het aan eisers was om hun vordering deugdelijk te onderbouwen en dat zij niet zomaar bankafschriften konden overleggen zonder toelichting. De sanctie van het terzijde stellen van het overzicht was passend gezien de ernst van de schending.

Uitkomst: De rechtbank wijst een bedrag van € 82.677,56 toe en veroordeelt eisers in de proceskosten wegens schending van artikel 21 Rv.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/327562 / HA ZA 24-82
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van

1.[eisende partij 1] ,

te [plaats 1] ,
2.
[eisende partij 2],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partijen] ,
advocaat: mr. P.M.H. Cruts,
tegen
[gedaagde partij],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. A.L. van den Bergh LLM..

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 augustus 2025
- de akte van [eisende partijen]
- de akte van [gedaagde partij] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
1.3.
Zoals in het tussenvonnis is overwogen, kan de rechter ten overstaan van wie de mondelinge behandeling is gehouden en die het tussenvonnis heeft gewezen, dit vonnis niet wijzen.

2.Samenvatting tussenvonnis en resterende geschilpunten

2.1.
In het tussenvonnis van 27 augustus 2025 (hierna: het tussenvonnis) is – samengevat – overwogen dat vast is komen te staan dat [eisende partijen] aan [gedaagde partij] gelden heeft uitgeleend en dat tussen partijen sprake is van een geldleningsovereenkomst in de zin van artikel 7:129 BW Pro. Voorts is geoordeeld dat [gedaagde partij] deze geleende gelden moet terugbetalen en daarover rente moet betalen, omdat dit voortvloeit uit artikel 7:129c BW. Omdat partijen geen rentepercentage hebben afgesproken, is de wettelijke rente verschuldigd. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 7:129d BW. Ook is geoordeeld dat de vordering van [eisende partijen] wat betreft gelden die zijn verstrekt vóór januari 20217, is verjaard.
2.2.
Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de precieze omvang van de vordering niet kan worden vastgesteld, omdat [eisende partijen] in zijn overzicht met een verkeerd rentepercentage heeft gerekend, bedragen van vóór 2017 in dat overzicht heeft betrokken en niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze hij de aflossingen van [gedaagde partij] gelet op het bepaalde in artikel 6:44 BW Pro heeft toegerekend aan rente, kosten en hoofdsom. [eisende partijen] is in de gelegenheid gesteld om een akte te nemen met daarin een overzicht van de uitgeleende bedragen aan [gedaagde partij] vanaf 1 januari 20217, vermeerderd met de geldende wettelijke rente vanaf het uitlenen van de hoofdsom en een toelichting van de wijze waarop de aflossingen toegerekend dienen te worden aan de rente, de kosten en de hoofdsom.
2.3.
[eisende partijen] heeft vervolgens een akte genomen. [gedaagde partij] heeft daarop gereageerd en een alternatief overzicht in het geding gebracht. In het onderstaande zal op beide aktes worden ingegaan.
2.4.
In het tussenvonnis is ten slotte overwogen dat de rechter die het vonnis had gewezen, het team Burgerlijk Recht zou verlaten en een vooraankondiging gedaan dat mr. V.E.J. Noelmans het volgende vonnis zou wijzen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun eventuele bezwaren tegen dit voornemen kenbaar te maken, maar hebben geen bezwaar geuit.

3.De verdere beoordeling

Schending artikel 21 Rv Pro
3.1.
In artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
3.2.
Met [gedaagde partij] is de rechtbank van oordeel dat [eisende partijen] zijn verplichtingen ex artikel 21 Rv Pro heeft geschonden. De rechtbank zal hieronder eerst uitleggen waarom zij tot dit oordeel komt. De rechtbank zal aan deze schending als consequentie verbinden dat het door [eisende partijen] overgelegde overzicht terzijde wordt gesteld en dat de berekening van [gedaagde partij] wordt gevolgd. Ook zal [eisende partijen] in de proceskosten worden veroordeeld. Ook die beslissingen worden hieronder nader uitgelegd.
[eisende partijen] rekent met de verkeerde rente
3.3.
De rechtbank stelt voorop dat [eisende partijen] zich niet aan de opdracht in het tussenvonnis heeft gehouden. Hij heeft, in afwijking van het oordeel in het tussenvonnis, in het door hem overgelegde overzicht gerekend met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW, in plaats van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro. [eisende partijen] heeft geen toelichting gegeven voor deze keuze.
3.4.
Omdat partijen geen rente zijn
overeengekomen, is geen sprake van een handelsovereenkomst in de zin van art. 6:119a BW. Het voor een handelsovereenkomst vereiste “om baat”, in dit geval de tegenover het uitlenen van een geldbedrag bestaande verplichting om rente te betalen, ontbreekt immers. De wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW is dan ook niet van toepassing, maar de “gewone” wettelijke rente ex art. 6:119 BW Pro. In zoverre kan het overzicht van [eisende partijen] dus niet worden gevolgd.
[eisende partijen] voert onterechte bedragen op
3.5.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat sprake is van een geldleningsovereenkomst omdat er gelden vanaf de rekening van [eisende partijen] zijn overgemaakt met de omschrijving “lening” en terugbetalingen zijn gedaan door [gedaagde partij] die veelvuldig zijn omschreven als “aflossing lening”. In het door [eisende partijen] bij zijn akte geproduceerde overzicht zijn echter ook bedragen opgenomen waarbij een andere omschrijving staat, of die aan een ander zijn gedaan dan aan [gedaagde partij] . Dit betreft de volgende twee door [eisende partijen] gedane overboekingen:
  • De overboeking van 1 januari 2017 van € 6.000,00 met als omschrijving “Extra aflossing Hypotheek [nummer]
  • De overboeking van 29 april 2019 aan Rabo Centraal Zuid-Limburg van
Zonder nadere toelichting, die door [eisende partijen] niet is gegeven, kan niet worden aangenomen dat ook dit aan [gedaagde partij] op basis van een overeenkomst van geldlening verstrekte bedragen betreft die door [gedaagde partij] moeten worden terugbetaald.
3.6.
Deze bedragen staan ook niet vermeld op het eerdere overzicht dat door [eisende partijen] als productie 2B in het geding is gebracht. Waarom deze bedragen nu ineens wel als schuld van [gedaagde partij] worden opgevoerd, is de rechtbank een raadsel.
3.7.
[gedaagde partij] heeft daartegen dan ook terecht bezwaar gemaakt in zijn antwoordakte. Ook in zoverre voldoet het overzicht van [eisende partijen] niet aan de in het tussenvonnis gegeven opdracht.
[eisende partijen] heeft niet alle aflossingen van [gedaagde partij] in zijn overzicht verwerkt
3.8.
[eisende partijen] heeft als toelichting op het door hem in het geding gebracht overzicht gesteld dat “in de periode vanaf 1 januari 2017 tot op heden geen aflossingen hebben plaatsgehad”. Deze stelling is volstrekt niet te rijmen met de eerder door [eisende partijen] in het geding gebrachte overzichten en bankafschriften en is ook door [gedaagde partij] (onderbouwd door overlegging van zijn bankafschriften) gemotiveerd weersproken. Overigens strookt deze stelling ook niet met eerder in deze procedure door [eisende partijen] overgelegde overzichten, waar hij wel door [gedaagde partij] gedane aflossingen van ná 1 januari 2017 heeft verwerkt.
3.9.
Uit deze stukken blijkt dat ná 1 januari 2017 de volgende overschrijvingen door [gedaagde partij] naar [eisende partijen] zijn gedaan:
Datum
omschrijving
Tegenrekening
bedrag
25-09-2018
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 6.500,00
4-11-2018
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 2.000,00
8-11-2018
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 2.000,00
26-11-2018
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 1.000,00
13-05-2018
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 3.000,00
02-03-2018
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 1.000,00
03-02-2018
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 8.000,00
07-12-2017
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 6.500,00
06-12-2017
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 3.000,00
29-11-2017
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 4.500,00
14-11-2017
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 7.500,00
07-09-2017
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 4.500,00
09-08-2017
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 6.500,00
05-02-2017
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 3.000,00
27-01-2017
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 2.500,00
28-10-2019
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 5000,00
26-08-2019
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 6.000,00
14-04-2019
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 1.500,00
04-04-2019
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 6.000,00
23-01-2019
Aflossing lening
[rekeningnummer 1]
€ 3.500,00
Totaal
[rekeningnummer 1]
€ 83.500,00
21-09-2018
Aflossing hypotheek
[rekeningnummer 2]
€ 2.500,00
06-06-2020
Aflossing hypotheek
[rekeningnummer 2]
€ 10.000,00
23-05-2020
Aflossing hypotheek
[rekeningnummer 2]
€ 1.500,00
20-05-2020
Aflossing hypotheek
[rekeningnummer 2]
€ 10.000,00
30-04-2020
Aflossing hypotheek
[rekeningnummer 2]
€ 3.000,00
05-04-2020
Aflossing hypotheek
[rekeningnummer 2]
€ 2.000,00
29-03-2020
Aflossing hypotheek
[rekeningnummer 2]
€ 5.000,00
22-02-2020
Aflossing en rente
[rekeningnummer 2]
€ 2.000,00
20-01-2020
Aflossing hypotheek
[rekeningnummer 2]
€ 15.000,00
17-12-2020
Aflossing hypotheek
[rekeningnummer 2]
€ 3.000,00
Totaal
[rekeningnummer 2]
€ 54.000,00
3.10.
[eisende partijen] heeft dus ten onrechte een zeer substantieel bedrag aan door [gedaagde partij] verrichte betalingen niet in zijn overzicht meegenomen, hetgeen wederom niet strookt met de aan hem gegeven opdracht in het tussenvonnis.
[eisende partijen] heeft de betalingen van [gedaagde partij] met omschrijving “rente hypotheek” niet opgenomen in zijn overzicht
3.11.
Daarnaast heeft [gedaagde partij] betalingen gedaan aan [eisende partijen] met als omschrijving “rente hypotheek”. Die betalingen zijn door [gedaagde partij] wel en door [eisende partijen] niet meegenomen in het overzicht. Dit betreft de volgende boekingen, steeds naar rekeningnummer [rekeningnummer 2] :
datum
bedrag
6-10-2018
€ 494.56
1-11-2018
€ 510,54
11-12-2018
€ 511,64
03-09-2018
€ 490,56
01-08-2018
€ 481,23
11-07-2018
€ 477,23
07-06-2018
€ 477,23
09-05-2018
€ 465,63
08-04-2018
€ 450,52
01-03-2018
€ 443,73
03-02-2018
€ 460,94
01-01-2018
€ 433,07
30-11-2017
€ 485,91
29-10-2017
€ 441,33
02-10-2017
€ 46,80
31-08-2017
€ 460,47
29-07-2017
€ 457,85
30-06-2017
€ 449,33
30-05-2017
€ 449,33
03-05-2017
€ 401,33
31-03-2017
€ 390,67
03-03-2017
€ 384,00
05-02-2017
€ 401,33
3.12.
In het overzicht dat door [eisende partijen] is overgelegd als productie 2B bij akte van 19 februari 2024, zijn deze bedragen wel opgenomen als door [gedaagde partij] gedane betalingen. In de huidige akte komen deze bedragen niet meer voor. [eisende partijen] heeft voor die koerswijziging geen enkele toelichting gegeven.
[eisende partijen] neemt terugbetalingen aan [gedaagde partij] op als lening
3.13.
Op 2 oktober 2019 heeft [eisende partijen] vanaf [rekeningnummer 1] een bedrag van € 1.500,00 overgemaakt naar [gedaagde partij] met omschrijving “terugboeking teveel betaalde rente hypotheek”. Overboekingen met dezelfde omschrijving vonden plaats op 23 augustus 2019 voor een bedrag van € 2.000,00 en op 30 april 2019 voor een bedrag van € 3.700,00. [eisende partijen] heeft deze overboekingen ook in zijn overzicht opgenomen als aan [gedaagde partij] verstrekte leningen.
3.14.
[eisende partijen] heeft deze overschrijvingen in zijn overzicht opgenomen als een door hem aan [gedaagde partij] verstrekte lening, maar legt niet uit waarom hij dat heeft gedaan.
Schending verplichting ex artikel 21 Rv Pro en daarvan te verbinden gevolgen
3.15.
Niet alleen beweert [eisende partijen] dat [gedaagde partij] na 1 januari 2017 geen aflossingen heeft gedaan, hetgeen evident in strijd met de waarheid is, hij heeft daarnaast het door hem geproduceerde overzicht gebaseerd op keuzes die leiden tot een voor hem zo hoog mogelijke vordering, zonder dat hij die keuzes heeft toegelicht, laat staan heeft onderbouwd. Aflossingen door [gedaagde partij] , die door [eisende partijen] in eerdere berekeningen wel zijn meegenomen, zijn in het laatste overzicht zonder enige verklaring opeens weggelaten en [eisende partijen] heeft nieuwe bedragen opgevoerd die hij beweerdelijk als lening zou hebben verstrekt, die in de eerdere overzichten niet stonden opgenomen. Ook daarvoor is geen enkele verklaring gegeven. Daarmee is de laatste akte, naast dat die onwaarheden bevat, ook onvolledig. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat artikel 21 Rv Pro in ernstige mate is geschonden.
Gevolgtrekkingen uit de schending
3.16.
De rechtbank stelt voorop dat het [eisende partijen] is op wie de stelplicht en de bewijslast rust ten aanzien van het bestaan en de hoogte van zijn vordering op [gedaagde partij] . Het is de keuze van [eisende partijen] geweest om als toenmalige schoonvader van [gedaagde partij] een financiële constructie op te zetten waarbij zeer veel gelden onder diverse omschrijvingen over en weer gingen, zonder de grondslag van deze geldstromen deugdelijk vast te leggen of een gedegen administratie bij te houden. Dat [eisende partijen] wat betreft de juridische grondslag van zijn vordering het gelijk aan zijn zijde heeft, in die zin dat (een deel van) de door hem aan [gedaagde partij] verstrekte gelden kwalificeren als een geldlening die door [gedaagde partij] moet worden terugbetaald, wil niet zeggen dat [eisende partijen] vervolgens alle bankafschriften maar “over de schutting kan gooien” en het aan de rechtbank kan overlaten om te berekenen welk bedrag [gedaagde partij] nog aan hem moet betalen. De rechtbank heeft [eisende partijen] nog éénmaal de kans gegeven zijn vordering deugdelijk te onderbouwen. Zij heeft de kaders voor die onderbouwing in het tussenvonnis verwoord: bedragen die na januari 2017 door [eisende partijen] aan [gedaagde partij] zijn betaald, zijn een lening die [gedaagde partij] moet terugbetalen, de terugbetalingen door [gedaagde partij] strekken daarop in mindering en over het geleende bedrag is de wettelijke rente verschuldigd. Dat [eisende partijen] ervoor kiest die kaders naast zich neer te leggen en wederom met een overzicht komt dat daaraan niet voldoet en zelfs strijdig is met het bepaalde in artikel 21 Rv Pro, moet voor zijn rekening blijven.e
3.17.
Uiteraard is de consequentie dat het overzicht van [eisende partijen] niet wordt gevolgd. [gedaagde partij] heeft betoogd dat de vordering integraal dient te worden afgewezen, maar dit acht de rechtbank een te ver gaande sanctie.
3.18.
De gevolgtrekking die de rechtbank wél zal maken, is dat zij de door [gedaagde partij] bij zijn antwoordakte als productie 1 geproduceerde berekening zal volgen, zonder [eisende partijen] zich hierover nog te laten uitlaten. Uit deze productie volgt dat de openstaande schuld van [gedaagde partij] aan [eisende partijen] , vermeerderd met de wettelijke rente en berekend tot en met 31 december 2025 € 82.677,56 bedraagt. Dit bedrag wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2026.
3.19.
De rechtbank ziet ook aanleiding om [eisende partijen] te veroordelen in de proceskosten. Niet alleen wordt van zijn vordering van € 384.970,24 ‘slechts’ een bedrag van € 82.677,56 toegewezen en is hij dus te beschouwen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, ook acht de rechtbank dit een passende gevolgtrekking naar aanleiding van de schending van de waarheidsplicht. De proceskosten van [gedaagde partij] worden (inclusief de nakosten) begroot op:
- griffierecht
2.626,00
- salaris advocaat
9.499,00
(3,5 punten × € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.303,00
3.20.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partijen] te betalen een bedrag van € 82.677,56, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 januari 2026 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [eisende partijen] hoofdelijk in de proceskosten van € 12.303,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisende partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Noelmans en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.