ECLI:NL:RBLIM:2026:976

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
ROE 25/3062 en ROE 25/2871
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:85 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep wegens ontbreken van belanghebbende bij handhavingsverzoek afsluiting voetpad

Verzoekers hebben het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beekdaelen verzocht handhavend op te treden tegen de afsluiting van een voetpad bij een woning te Schimmert. Het college besloot niet handhavend op te treden omdat het voetpad privaatrechtelijk is en niet op gemeentegrond ligt. Verzoekers stelden bezwaar in tegen dit besluit, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een belanghebbende.

Verzoekers voerden aan dat zij belanghebbenden zijn omdat de afsluiting van het voetpad hun directe woon- en leefomgeving raakt en de bereikbaarheid van het kerkhof en wandelnetwerk aanzienlijk beperkt, vooral voor ouderen en slecht ter been zijnde personen. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat verzoekers geen bijzonder individueel belang hebben dat hen onderscheidt van andere gebruikers van het voetpad. De alternatieve routes zijn weliswaar langer, maar nog steeds geschikt.

Omdat verzoekers geen belanghebbenden zijn, is het verzoek om handhaving geen aanvraag in de zin van de Awb en is het besluit tot niet-handhaven geen besluit waartegen bezwaar mogelijk is. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van verzoekers wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een persoonlijk belang en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 25/3062 en 25/2871
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 januari 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam] en [naam] , uit Schimmert, verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beekdaelen

(gemachtigden: M.M.G. Richter en F.D.M. Kurvers).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam] , eigenaar van de woning [adres] te Schimmert.

Samenvatting

1. Deze zaak gaat over het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van verzoekers omdat zij geen belanghebbenden zouden zijn. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij hebben daarom beroep ingesteld tegen het besluit van het college en verzocht om een voorlopige voorziening, in afwachting van de behandeling van het beroep. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de gronden van verzoekers of het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard
.
1.1.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep (25/2871) ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (25/3062) af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 17 juni 2025 hebben verzoekers een verzoek ingediend bij het college om handhavend op te treden tegen het afsluiten van een voetpad ter hoogte van de [adres] te Schimmert (hierna: het voetpad).
2.1.
Bij besluit van 4 augustus 2025 (het primair besluit) heeft het college aangegeven niet handhavend te gaan optreden. Volgens het college betreft het een privaatrechtelijke kwestie. Het betreffende voetpad staat niet op de wegenlegger en is geen gemeentegrond.
2.2.
Op 7 augustus 2025 hebben verzoekers bezwaar ingesteld.
2.3.
Bij besluit van 11 november 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard.
2.4.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Verzoekers waren hierbij aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De heer [naam], bijgestaan [naam], is ook verschenen. Verder waren er als toehoorders aanwezig: [naam] en [naam] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. Over het perceel van de derdebelanghebbende heeft lange tijd een voetpad gelopen dat door onder meer verzoekers werd gebruikt. Dit pad is nu afgesloten met een hek, waardoor het niet meer toegankelijk is. Ook hebben er op het perceel rondom het pad werkzaamheden plaatsgevonden, zoals het kappen van bomen en struiken. Verzoekers zijn het daar niet mee eens, en hebben een verzoek gedaan aan het college om te handhaven. Zij willen dat het college ervoor zorgt dat het voetpad, dat volgens verzoekers openbaar is, toegankelijk blijft.
Kortsluiten
4. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van verzoekers tegen het bestreden besluit. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. [1]
Uitspraak op het beroep
Zijn verzoekers belanghebbenden bij het handhavingsverzoek?
5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verzoekers belanghebbenden zijn bij het handhavingsverzoek. [2]
5.1.
Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. [3] Uit rechtspraak volgt dat voor het zijn van belanghebbende aannemelijk moet zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. [4]
Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn, dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.
Daarbij wordt gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op en planologische uitstraling van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bekeken.
5.2.
Verzoekers stellen zich op het standpunt dat zij zonder twijfel belanghebbenden zijn. [5] De afsluiting van het voetpad raakt hen rechtstreeks, persoonlijk en actueel in hun woon- en leefomgeving. De afsluiting heeft een feitelijke invloed op de dagelijkse bereikbaarheid van onder andere het kerkhof en het wandelnetwerk binnen de kern van Schimmert. De alternatieve routes zijn aanzienlijk langer. De kortste omweg is ongeveer 350 meter en de hierop volgende omweg ongeveer 1000 meter. Met name voor ouderen en slecht ter been zijnde voetgangers voor wie verzoekers ook opkomen is dit onoverkomelijk. Verzoekers gebruiken het voetpad structureel. Het betreft het eigen, directe gebruiks- en toegankelijkheidsbelang van verzoekers in hun fysieke leefomgeving. De beperking door het afsluiten van het voetpad is niet hypothetisch, maar concreet en dagelijks voelbaar.
6. Verzoekers wonen op respectievelijk 300 en 500 meter van het voetpad. Zij hebben geen zicht op het voetpad en er verandert door de afsluiting van het voetpad ook feitelijk niets in hun directe leefomgeving. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers geen bijzonder individueel belang naar voren gebracht dat hen onderscheidt van willekeurige andere personen die ook gebruik maken van het voetpad en het ook vervelend vinden dat het pad dicht is. Daarbij komt dat verzoekers het kerkhof ook via een alternatieve route kunnen bereiken. Hoewel die route mogelijk iets langer is, maakt dit niet zo’n groot verschil dat deze route niet als geschikt alternatief kan worden beschouwd. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoekers geen belanghebbenden zijn in dit geschil. Verzoekers hebben er tijdens de zitting op gewezen dat zij opkomen voor meerdere bewoners die het handhavingsverzoek ondersteunen en die ook een getuigenverklaring hebben ingevuld, waarvan sommigen dichterbij het pad wonen dan zij zelf. Het is een te ongedefinieerde groep personen van wie niet duidelijk is of zij ook door verzoekers vertegenwoordigd willen worden in bezwaar en beroep. Deze personen hebben niet zelf bezwaar en beroep ingesteld. De voorzieningenrechter kan daarom ook niet beoordelen of zij belanghebbend zijn bij het bezwaar (en beroep).
6.6.
Nu verweerder terecht heeft geoordeeld dat verzoekers geen belanghebbenden zijn, hoefde verweerder niet te handhaven. Als het verzoek om handhaving wordt gedaan door personen die geen belanghebbenden zijn, is er geen sprake van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb en is de afwijzing van het handhavingsverzoek geen besluit, zodat het daartegen gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. [6] Het besluit op het bezwaar van verzoekers klopt daarom. Of de inhoudelijke standpunten die verweerder heeft ingenomen ook kloppen, beoordeelt de voorzieningenrechter niet. Omdat verzoekers geen belanghebbenden zijn, komt de voorzieningenrechter niet aan de inhoud toe.
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
7. Nu op het beroep is beslist, kan er geen voorlopige voorziening meer worden getroffen. Een voorlopige voorziening vervalt immers van rechtswege wanneer uitspraak is gedaan op het beroep (artikel 8:85, tweede lid, van de Awb). Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verzoekers geen gelijk krijgen. Het college heeft het bestreden besluit niet-ontvankelijk kunnen verklaren. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
9. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Haddoumi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026. .
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 30 januari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie hierover de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1703.
3.Artikel 1:2 van Pro de Awb.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737.
5.In de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3379.