ECLI:NL:RBLIM:2026:954

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
ROE 25/2899
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen afwijzing omgevingsvergunning voor kappen van bomen

Op 29 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om een voorlopige voorziening. Het verzoeker, een inwoner van Wessem, had bezwaar gemaakt tegen een positieve afwijzing van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het kappen van twee bomen. De voorzieningenrechter oordeelde dat het bestreden besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Tijdens de zitting op 20 januari 2026 werd duidelijk dat er twijfels bestonden over de juistheid van het standpunt van de gemeente dat er geen vergunning nodig was voor de kap van de bomen. De voorzieningenrechter besloot om het bestreden besluit te schorsen tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, omdat het om een onomkeerbare activiteit ging en het belang van verzoeker zwaarder woog dan dat van de gemeente. De voorzieningenrechter wees het verzoek toe en bepaalde dat de gemeente de proceskosten van verzoeker moest vergoeden, evenals het griffierecht. De uitspraak is openbaar gemaakt op 29 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/2899

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 januari 2026

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te Wessem, verzoeker,

(gemachtigde: mr. P.A.M. van Hoef),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw, verweerder,
(gemachtigde: mr. R. Gillissen).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het kappen van 2 bomen, positief afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft op 9 oktober 2024 een aanvraag ontvangen voor het kappen van 2 bomen aan het adres [adres] in Wessem, gemeente Maasgouw. De kap houdt verband met het realiseren van de Nieuwbouw Zorgvoorziening Wessem. De te kappen bomen staan op de bij de Zorgvoorziening Wessem aan te leggen parkeerplaats en ingang aan De Kemp.
2. Verweerder heeft de aanvraag getoetst aan artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet en artikel 22.8 van de Omgevingswet in combinatie met artikel 3, lid 1, onder b, van de Bomenverordening gemeente Maasgouw 2021 (de Bomenverordening). Volgens verweerder zijn de bomen niet als beschermde houtopstanden opgenomen op de Bomenstructuurkaart en hebben de bomen geen stamomtrek die groter is dan 35 centimeter gemeten op een hoogte van 1,30 meter boven het maaiveld. Op grond hiervan is geen omgevingsvergunning nodig aldus verweerder. Om die reden heeft verweerder bij het primaire besluit de aanvraag om een omgevingsvergunning positief afgewezen.
3. Op 31 juli 2025 is de ‘Vergunningsvrije aanvraag kapvergunning/ [adres] , 6019 BB te Wessem/Maasgouw/bekendgemaakt op 8 juli 2025/het kappen van 2 bomen’ in het Gemeenteblad van de gemeente Maasgouw gepubliceerd onder nummer 334061.
4. Verzoeker heeft op 1 december 2025 bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij betoogt dat hij door de adressering ‘aan [adres] ’ is misleid omdat de bomen aan De Kemp staan waar hij woont. Na overleg met andere omwonenden en een telefoontje met de gemeente heeft hij het primaire besluit ontvangen en heeft daar meteen bezwaar tegen gemaakt. De termijnoverschrijding is daarom verschoonbaar volgens verzoeker. Hij is het niet eens met het besluit omdat de bomen volgens hem op 1,30 meter boven het maaiveld een stamomtrek hebben van 80 centimeter en 1,90 meter, althans (ruim) meer dan 35 centimeter zodat daar een omgevingsvergunning voor nodig is. In de bezwaarprocedure vordert verzoeker om het primaire besluit te herroepen en de aangevraagde omgevingsvergunning op inhoudelijke gronden te weigeren. Aan de voorzieningenrechter is verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening het primaire besluit te schorsen tot zes weken na het besluit op bezwaar en te bepalen dat de 2 bomen tot zes weken na het besluit op bezwaar niet gekapt of gerooid worden onder veroordeling van verweerder in de kosten van de procedure.
5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
- voor zover hier van belang - kan, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter neemt aan dat verzoeker voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. De bomen zijn nog niet gekapt en kap op korte termijn is ook niet onaannemelijk. De voorzieningenrechter komt dan ook toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening.
Gerede twijfel aan de juistheid van het bestreden besluit
7. De voorzieningenrechter overweegt dat bij hem gerede twijfel bestaat of voor de kap van de bomen geen omgevingsvergunning is vereist [1] . Verweerder heeft nooit met een rapport of anderszins op objectieve, controleerbare wijze vastgesteld dat de bomen een stamomtrek hebben die niet groter is dan 35 cm. Ook niet nadat verzoeker in deze procedure heeft aangevoerd dat de bomen een veel grotere stamomtrek hebben en in verband daarmee een procedure is begonnen. De voorzieningenrechter overweegt dat voor het vaststellen van de omvang van een boom geen bijzondere deskundigheid is vereist en verzoeker op zitting uitgebreid heeft toegelicht hoe hij gemeten heeft en waarom hij er geen foto’s van heeft kunnen nemen. Desgevraagd naar de omvang van de bomen heeft de gemachtigde van verweerder, die op verzoek van de voorzieningenrechter zelf ter plekke heeft vastgesteld dat de bomen vooralsnog niet zijn gekapt, ook verklaard dat de bomen van een afstandje gezien ‘een zekere omvang’ hebben. Daarmee is op zitting bij de voorzieningenrechter alleen maar meer twijfel ontstaan over het ontbreken van de vergunningplicht waardoor er geen aanleiding is op dit moment om te veronderstellen dat de stelling van verzoeker over de omvang van de bomen niet klopt. De voorzieningenrechter twijfelt dan ook aan de juistheid van het bestreden besluit. In ieder geval geldt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en genomen en daardoor ontoereikend is gemotiveerd.
Ordemaatregel
8. Nu het om een onomkeerbare activiteit, te weten kap, gaat, dient het belang van verzoeker om de beslissing op zijn bezwaar te kunnen afwachten op dit moment zwaarder te wegen dan het belang van verweerder bij een afwijzing van het verzoek. De voorzieningenrechter is daarom op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat er voldoende grond bestaat om bij wijze van ordemaatregel het bestreden besluit te schorsen tot de bekendmaking van het te nemen besluit op bezwaar.
9. De schorsing van het bestreden besluit betekent dat het besluit tijdelijk buiten werking wordt gesteld en dat de bomen dus niet mogen worden gekapt indien (alsnog) blijkt dat daarvoor een vergunning nodig is. Verweerder kan dat snel eenvoudig alsnog vaststellen. Daarmee wordt voorkomen dat achteraf mogelijk blijkt dat bomen zijn gekapt zonder de vereiste omgevingsvergunning wat op grond van artikel 13 van de gemeentelijke Bomenverordening een strafbaar feit oplevert.
10. Ten aanzien van het door verzoeker gevorderde kapverbod, is de voorzieningenrechter van oordeel dat hij daartoe niet bevoegd is en dat dit verzoek niet kan worden toegewezen. Het is niet aan de bestuursrechter, maar aan de civiele rechter om
- indien daarvoor een rechtsgrond bestaat - een rechterlijk verbod aan een partij op te leggen.
Mogelijk niet-ontvankelijk bezwaar
11. Ten aanzien van verweerders betoog dat het bezwaar mogelijk niet-ontvankelijk wordt verklaard en het bestreden besluit dan niet hoeft te worden heroverwogen, overweegt de voorzieningenrechter dat het al dan niet ontvankelijk verklaren van het bezwaar van verzoeker een discretionaire bevoegdheid van verweerder betreft. Zoals ter zitting is bevestigd had de publicatie duidelijker gekund. Dat betekent niet dat verweerder de termijnoverschrijding daarom verschoonbaar moet achten. Maar omdat het een bevoegdheid van verweerder is, hoeft hij daar geen gebruik van te maken. En, gesteld dat alsnog blijkt dat de bomen niet zonder vergunning mogen worden gekapt, kan verweerder dat bij zijn beslissing om van zijn bevoegdheid (geen) gebruik te maken, betrekken. Wat hiervan verder zij, de mogelijkheid dat het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk kan worden verklaard, staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan het treffen van een ordemaatregel in de weg.

Conclusie

12. De schorsing van het bestreden besluit, betekent dat de geadresseerde van het bestreden besluit, indien er voor het nemen van de beslissing op bezwaar wordt gekapt, het risico loopt dat hij het kapverbod overtreedt en daarmee een strafbaar feit pleegt.
13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
14. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
15. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit van 8 juli 2025 tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 297,00 aan verzoeker te
vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.J.A. Smitsmans, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier
.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 29 januari 2026
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:29 januari 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie art. 22.8 van de Omgevingswet in verbinding met art. 5.1., eerste lid, aanhef en onder a, van de omgevingswet in verbinding met art. 3, eerste lid, van de Bomenverordening 2021 gemeente Maasgouw.