De burgemeester van Brunssum besloot op 9 december 2025 tot sluiting van de woning van verzoekster voor zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet, nadat op 12 augustus 2025 een grote hoeveelheid drugs in de woning was aangetroffen. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft door te toetsen of de sluiting geschikt, noodzakelijk en evenredig is. Hoewel niet in geschil was dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting vanwege de aangetroffen handelshoeveelheid drugs, was de vraag of de sluiting in de huidige situatie nog noodzakelijk was.
De rechter stelde vast dat de toenmalige bewoner sinds augustus 2025 niet meer in de woning woont, de drugs in beslag zijn genomen en er geen aanwijzingen zijn dat de woning bekend staat als drugspand of dat er sprake is van overlast of een loop naar de woning. De burgemeester had onvoldoende onderbouwd dat de sluiting nog noodzakelijk en geschikt was. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
De uitspraak heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank niet in een bodemprocedure. De burgemeester moet het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.