Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
primair), dan wel deze personen zwaar heeft mishandeld (
subsidiair), dan wel heeft geprobeerd deze personen zwaar te mishandelen (
meer subsidiair), door met een auto op hen in te rijden en [slachtoffer 2] te overrijden;
3.De beoordeling van het bewijs
- de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 januari 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van aangever [slachtoffer 1] van 18 januari 2025;
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
spreektde verdachte
vrijvan het onder
feit 1 primair en subsidiairten laste gelegde;
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor feit 1 meer subsidiair en feit 2 tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt de verdachte voor feit 1 meer subsidiair en feit 2 tot een
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
- ontzegtde verdachte
voorwaardelijk de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigenvoor de duur van
2 jaren; - bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
- wijst de vordering voor het overige af;
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van € 1.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat gijzeling kan worden toegepast voor de duur van ten hoogste 10 dagen indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere in zoverre vervalt;