ECLI:NL:RBLIM:2026:864

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
11778765 CV EXPL 25-2856
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Drenth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling beëindigingsvergoeding en eindafrekening na vaststellingsovereenkomst

De werkneemster trad in maart 2014 in dienst bij de werkgever en beëindigde de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 juli 2023 via een vaststellingsovereenkomst. Hierin was afgesproken dat de werkgever uiterlijk 31 december 2023 een beëindigingsvergoeding en eindafrekening zou betalen.

Ondanks meerdere aanmaningen betaalde de werkgever slechts het loon over april 2023. De werkneemster startte een kort geding om betaling van de resterende bedragen, wettelijke rente, wettelijke verhoging en buitengerechtelijke kosten af te dwingen.

De werkgever erkende de hoofdsommen maar betwistte het spoedeisend belang en de wettelijke verhoging. De kantonrechter oordeelde dat loonvorderingen van nature spoedeisend zijn en dat de werkneemster aannemelijk had gemaakt dat uitblijven van betaling haar financiële situatie schaadt en dat zij vreest voor faillissement van de werkgever.

De kantonrechter wees de vorderingen toe, inclusief wettelijke rente vanaf 1 januari 2024, wettelijke verhoging over loonbestanddelen, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van beëindigingsvergoeding, eindafrekening, wettelijke rente, wettelijke verhoging, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11778765 \ CV EXPL 25-2856
Vonnis in kort geding van 2 februari 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. J.J.M. Buining,
tegen
[werkgever] BV,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling van 19 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij [werknemer] haar vordering heeft verminderd
- de pleitnota van [werkgever] .

2.De feiten

2.1.
[werknemer] is op 15 maart 2014 op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden van [werkgever] . Partijen hebben deze arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd per 1 juli 2023 door middel van een vaststellingsovereenkomst van 22 mei 2023. Partijen zijn daarin overeengekomen dat [werkgever] uiterlijk op 31 december 2023 aan [werknemer] een beëindigingsvergoeding van € 6.400,00 bruto en de eindafrekening zal betalen.
2.2.
Op 21 juni 2023 heeft [werkgever] aan [werknemer] de eindafrekening verstrekt. Daarop staan (voor zover hier van belang) de volgende nettobedragen in vermeld:
  • loon april t/m juni, 3 x € 4.293,67 € 12.881,01
  • vakantiebijslag € 6.275,12
  • reiskosten € 304,20
  • overige kosten € 40,75
  • uitbetaling opgebouwde, maar niet genoten vakantiedagen € 650,00
2.3.
[werknemer] heeft [werkgever] meermaals gesommeerd/aangemaand om aan haar de beëindigingsvergoeding en de eindafrekening te betalen. Tot op heden heeft [werkgever] alleen het loon van € 4.293,67 netto over de maand april 2023 aan [werknemer] betaald.

3.Het geschil

3.1.
[werknemer] vordert (na vermindering van haar eis) [werkgever] te veroordelen tot betaling van:
de beëindigingsvergoeding van € 6.400,00 bruto;
de eindafrekening (zie 2.2.) minus het betaalde loon over de maand april 2023;
de wettelijke rente over de vorderingen onder 1. en 2.;
de wettelijke verhoging over de loonbestanddelen van onderdeel 2.;
de buitengerechtelijke kosten van € 875,00,
de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot afwijzing van de vordering omdat volgens haar het spoedeisend belang ontbreekt. Daarnaast betwist zij de verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke verhoging.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

het spoedeisend belang
4.1.
[werkgever] betwist niet dat zij de gevorderde bedragen op grond van de vaststellingsovereenkomst verschuldigd is aan [werknemer] . Desondanks moet de vordering van [werknemer] volgens [werkgever] worden afgewezen vanwege het ontbreken van spoedeisend belang. Ten aanzien van dit verweer overweegt de kantonrechter het volgende.
4.1.1.
De vordering van [werknemer] bestaat grotendeels uit achterstallig loon. Het is vaste jurisprudentie dat een loonvordering in het algemeen naar haar aard een spoedeisend belang met zich brengt.
4.1.2.
Daarnaast heeft [werknemer] aangevoerd dat het uitblijven van de betalingen van [werkgever] voor financiële problemen heeft gezorgd bij de financiering van een geplande woningrenovatie en nog steeds een negatieve impact heeft op de financiële planning en bedrijfsvoering van haar eigen bedrijf omdat zij had gerekend op betaling van de bedragen die [werkgever] aan haar verschuldigd is. Ook heeft [werknemer] aangevoerd dat [werkgever] blijkbaar betalingsproblemen heeft. [werknemer] vreest daarom dat [werkgever] binnenkort failliet gaat. Ook daarin ziet [werknemer] een spoedeisend belang om betaling te vorderen. Ze wil een eventueel faillissement voor zijn. Aangezien [werkgever] tegen deze stellingen van [werknemer] geen verweer heeft gevoerd, gaat de kantonrechter uit van de juistheid daarvan. [werknemer] heeft met haar betoog naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorzieningen. Het enige verweer dat [werkgever] tegen het gestelde spoedeisende belang heeft aangevoerd is het tijdsverloop tussen 31 december 2023 en het moment dat [werknemer] deze procedure heeft gestart. Dit verweer verwerpt de kantonrechter. Dit enkele tijdsverloop maakt namelijk niet dat daardoor het spoedeisend belang van [werknemer] is komen te vervallen.
4.1.3.
De kantonrechter weegt ten slotte in het nadeel van [werkgever] mee dat er voor wat betreft de gevorderde hoofdsommen geen sprake is van een restitutierisico, aangezien [werkgever] de verschuldigdheid van de gevorderde hoofdsommen erkent.
4.2.
Op grond van voorgaande overwegingen is de kantonrechter van oordeel dat [werknemer] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen.
de hoofdsommen en de wettelijke rente
4.3.
Tegen de vorderingen onder 1, 2 en 3 (kort gezegd: de hoofdsommen en de wettelijke rente daarover) heeft [werkgever] geen inhoudelijk verweer gevoerd. De gevorderde hoofdsommen zullen worden toegewezen. Vast staat immers dat [werkgever] de gevorderde bedragen aan [werknemer] verschuldigd is. De wettelijke rente over deze bedragen vordert [werknemer] vanaf de dag van opeisbaarheid. De kantonrechter zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 januari 2024 aangezien [werkgever] op grond van de vaststellingsovereenkomst met ingang van die datum in verzuim verkeert met de betaling.
de wettelijke verhoging
4.4.
[werkgever] voert aan dat de wettelijke verhoging over de beëindigingsvergoeding moet worden afgewezen. Dit verweer hoeft niet inhoudelijk beoordeeld te worden aangezien [werknemer] geen wettelijke verhoging over die vergoeding gevorderd heeft.
4.5.
De wettelijke verhoging over de loonbestanddelen die onderdeel uitmaken van de eindafrekening (het loon over de maanden april tot en met mei, de vakantiebijslag en de opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen) zal worden toegewezen. Het daartegen gevoerde verweer van [werkgever] wordt dus verworpen. Het door haar gestelde feit dat er van haar kant geen sprake is van betalingsonwil, maar dat zij de gevorderde bedragen niet kan betalen is namelijk onvoldoende grond om de wettelijke verhoging af te wijzen of te matigen.
de buitengerechtelijke kosten
4.6.
De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 875,00 zal worden toegewezen. Uit de stellingen van [werknemer] blijkt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht en heeft laten verrichten om [werkgever] tot betaling van de gevorderde bedragen te bewegen. Die werkzaamheden rechtvaardigen het door haar gevorderde bedrag dat niet hoger is dan de wettelijke staffel.
de proceskosten
4.7.
[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.885,47
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen:
I. € 6.400,00 bruto beëindigingsvergoeding;
II. € 8.587,32 nettoloon over de maanden mei en juni 2023,
III. € 6.275,12 netto vakantiebijslag over 2023 en 2023,
IV. € 304,20 netto reiskosten over april en mei 2023 en € 40,75 netto overige uitgaven,
V. € 650,00 netto uitbetaling niet opgenomen vakantiedagen over de periode 2021 en 2023.
5.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] over voornoemde bedragen de wettelijke rente te betalen met ingang van 1 januari 2024 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] de wettelijke verhoging te betalen over de hiervoor in 5.1. genoemde bedragen in de onderdelen II, III en V,
5.4.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 875,00 aan buitengerechtelijke kosten,
5.5.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.825,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst voor zover nodig het meer of anders gevorderde af..
Dit vonnis is gewezen door mr. Drenth en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.