De werkneemster trad in maart 2014 in dienst bij de werkgever en beëindigde de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 juli 2023 via een vaststellingsovereenkomst. Hierin was afgesproken dat de werkgever uiterlijk 31 december 2023 een beëindigingsvergoeding en eindafrekening zou betalen.
Ondanks meerdere aanmaningen betaalde de werkgever slechts het loon over april 2023. De werkneemster startte een kort geding om betaling van de resterende bedragen, wettelijke rente, wettelijke verhoging en buitengerechtelijke kosten af te dwingen.
De werkgever erkende de hoofdsommen maar betwistte het spoedeisend belang en de wettelijke verhoging. De kantonrechter oordeelde dat loonvorderingen van nature spoedeisend zijn en dat de werkneemster aannemelijk had gemaakt dat uitblijven van betaling haar financiële situatie schaadt en dat zij vreest voor faillissement van de werkgever.
De kantonrechter wees de vorderingen toe, inclusief wettelijke rente vanaf 1 januari 2024, wettelijke verhoging over loonbestanddelen, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.