ECLI:NL:RBLIM:2026:791

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
03.067661.23 en 03.026730.24 (ttz.gev.)
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen van hennepteelt en medeplichtigheid aan diefstal van elektriciteit en water

Op 26 januari 2026 heeft de Rechtbank Limburg in Roermond uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het medeplegen van het aanwezig hebben van hennep en medeplichtigheid aan diefstal van elektriciteit en water. De verdachte, geboren in 1966 en wonende te Velden, werd bijgestaan door advocaat mr. M. Neijenhuis. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 12 januari 2026, waarbij zowel de verdachte als de officier van justitie hun standpunten naar voren brachten. De tenlastelegging omvatte onder andere het telen van hennepplanten en het stelen van elektriciteit en water in de periode van 1 maart 2021 tot en met 19 november 2021. De rechtbank oordeelde dat de verdachte medeplichtig was aan de diefstal van elektriciteit en water, omdat hij zijn pand ter beschikking had gesteld voor de hennepkwekerij. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de diefstal van elektriciteit en water, maar veroordeelde hem wel voor het medeplegen van het aanwezig hebben van hennepplanten. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de herhaaldelijke betrokkenheid van de verdachte bij soortgelijke delicten en de gevolgen voor de samenleving.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummers : 03.067661.23 en 03.026730.24 (ttz.gev.)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 26 januari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1966,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. M. Neijenhuis, advocaat kantoorhoudende te Laren.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 januari 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
In de zaak met parketnummer 03.067661.23 (na wijziging tenlastelegging)
Feit 1:in de periode van 2 november 2021 tot en met 19 november 2021 al dan niet samen met anderen 2.712 hennepplanten heeft geteeld, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad (
primair), dan wel dat hij hieraan medeplichtig is geweest door zijn pand beschikbaar te stellen (
subsidiair);
Feit 2:in de periode van 1 maart 2021 tot en met 19 november 2021 elektriciteit heeft gestolen door middel van braak en/of verbreking (
primair), dan wel dat hij hieraan medeplichtig is geweest door zijn pand beschikbaar te stellen (
subsidiair);
Feit 3:in de periode van 1 maart 2021 tot en met 19 november 2021 water heeft gestolen door middel van braak en/of verbreking (
primair), dan wel dat hij hieraan medeplichtig is geweest door zijn pand beschikbaar te stellen (
subsidiair);
In de zaak met parketnummer 03.026730.23
op 10 oktober 2023 al dan niet samen met anderen 2.342 hennepplanten heeft geteeld of bewerkt althans opzettelijk aanwezig heeft gehad (
primair), dan wel dat hij hieraan medeplichtig is geweest door zijn pand beschikbaar te stellen (
subsidiair).

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 03.067661.23 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten in de primaire variant. De verdachte wist dat er een hennepkwekerij op zijn perceel zou komen. Daarnaast was het zijn perceel, had hij toegang tot de ondergrondse ruimte en heeft hij via zijn bedrijf materialen besteld die zijn gebruikt voor de bouw van de hennepkwekerij. Daaruit volgt minstens een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van de hennep, maar ook het samen met anderen telen van de hennep kan bewezen worden verklaard.
De verdachte had toegang tot de ondergrondse kweekruimte, heeft de politie zeer specifieke instructies gegeven over de toegangswijze en hij wist aan de politie te melden dat er geen boobytrap in de ruimte aanwezig was. Ook heeft hij verklaard dat hij meerdere malen contact heeft gehad met een zogenoemde katvanger, deed hij bestellingen en zou hij naar eigen zeggen twee dagen na de inval worden betaald en wist hij van een eerdere oogst. In het verlengde hiervan kunnen ook de diefstal in vereniging van de stroom en het water bewezen worden verklaard. Verdachte heeft verklaard dat hij zelf de stroomkabel heeft besteld.
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 03.026730.24 heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat de verbalisanten de ondergrondse ruimte rechtmatig hebben betreden. Er was een vrij specifieke MMA-melding en het was de verbalisanten ambtshalve bekend dat er al eerder hennep gerelateerde activiteiten op het betreffende perceel van de verdachte hadden plaatsgevonden. Dat tezamen is voldoende voor een redelijk vermoeden van schuld. Voorts is er voldoende bewijs voor een bewezenverklaring van het medeplegen van het bewerken en het verwerken van de hennep, maar in ieder geval zeker voor het aanwezig hebben van de hennep. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar het gegeven dat de ondergrondse ruimte zich bevond op het terrein van de verdachte en dat hij daarvan wetenschap had.
3.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 03.067661.23 heeft de verdediging vrijspraak bepleit voor het medeplegen van het telen en het aanwezig hebben van de hennep zoals onder feit 1 primair ten laste is gelegd. De verdachte heeft slechts een stuk grond en een ruimte ter beschikking gesteld. Dit is een klassieke handeling van medeplichtigheid, waardoor dus slechts een bewezenverklaring van het subsidiaire feit kan volgen. Met betrekking tot de diefstal van elektriciteit en water heeft de verdediging integrale vrijspraak bepleit, omdat uit het enkele gegeven dat de verdachte wetenschap had van de kwekerij niet volgt dat hij ook wist, of behoorde te weten, dat de stroom of het water werd gestolen.
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 03.026730.24 heeft de verdediging aangevoerd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, nu de MMA-melding geen enkele concretisering bevatte. Eén antecedent van twee jaar eerder is daarnaast ook onvoldoende om tot een redelijk vermoeden van schuld te komen. Concluderend is de verdediging van mening dat de verbalisanten de ruimte niet mochten binnentreden en niet mochten doorzoeken. Als gevolg daarvan moeten de aangetroffen hennepplanten worden uitgesloten van het bewijs, nu sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en het huisrecht van de verdachte. Daarom dient volgens de verdediging vrijspraak te volgen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat slechts een bewezenverklaring voor het subsidiaire feit kan volgen, omdat de verdachte enkel een faciliterende rol had door zijn pand ter beschikking te stellen. Hierdoor kan ook in deze zaak niet worden gesproken van medeplegen, maar slechts van medeplichtigheid.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
In de zaak met parketnummer 03.067661.23 [1]
Vrijspraak feit 2 en feit 3 primair
Anders dan de officier van justitie in zijn requisitoir naar voren heeft gebracht is aan de verdachte niet ten laste gelegd dat hij
in verenigingelektriciteit en water heeft gestolen.
Voorts bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten dat de verdachte degene is geweest die zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de elektriciteit en het water. Hoewel de verdachte wetenschap moet hebben gehad van de wegneming van de elektriciteit en het water, hij heeft immers ter zitting verklaard dat hij degene was die de rekeningen betaalde en dat die rekeningen niet omhoog zijn gegaan nadat de hennepkwekerij was gestart, is die wetenschap op zichzelf beschouwd onvoldoende voor de conclusie dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van water en elektriciteit. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 2 en feit 3 primair tenlastegelegde.
Bewijsmiddelen feit 1 primair, feit 2 subsidiair, feit 3 subsidiair
Verbalisant heeft– zakelijk weergegeven – als volgt gerelateerd [2] :
Op 2 november 2021 ontving basisteam Venlo/Beesel van de politie Eenheid Limburg een
e-mail van de fraude inspecteur [nummer] , werkzaam bij [benadeelde 1] BV. Deze gaf te kennen dat via het meetsysteem van [benadeelde 1] BV een opvallend verbruik te zien was komende vanaf de [adres 2] te Velden. Hij voegde bij de e-mail een schema-overzicht waarin een duidelijk schakelpatroon te zien was.
Het is verbalisant ambtshalve bekend dat bij een in werking zijnde hennepkwekerij soortgelijke schakelpatronen te zien zijn.
Naar aanleiding hiervan werd een met warmtemeting uitgeruste drone ingezet. Hieruit bleek dat de op het perceel gelegen tuinderskas geen warmte uitstraalde, dat het water dat geloosd werd in de beek opvallend warmer was dan het water in de beek, dat er (water)slangen op het perceel lagen die opvallend warmer waren dan de omgeving en er op de op het perceel aanwezige zeecontainer warme plekken te zien waren.
Op de [adres 2] te Velden werd op 19 november 2021 ter opsporing en inbeslagneming binnengetreden in de zeecontainer.
Na het binnentreden van de container zagen wij het volgende:
- dat de ondergrondse ruimte diep genoeg was dat er, door een persoon van 1,90 meter lang, gelopen kon worden;
- dat bij binnenkomst twee grote, van cement gestorte waterbassins stonden;
- dat er zich bij binnenkomst links en rechts van de waterbassins 4 in werking zijnde hennepkwekerijen bevonden;
- dat de ruimte geheel was bekleed met warmtewerende, isolerende en reflecterende folie.
Kweekruimte 1 was een ruimte van 15 meter lang en 3,30 meter breed. De ruimte was volledig ingericht voor het telen/kweken van hennepplanten. In totaal stonden er 602 hennepplanten.
Kweekruimte 2 betrof een ruimte van 15 meter lang en 3,30 meter breed. De ruimte was volledig ingericht voor het telen/kweken van hennepplanten. In totaal stonden er 747 hennepplanten.
Kweekruimte 3 betrof een ruimte van 15 meter lang en 3,30 meter breed. De ruimte was volledig ingericht voor het telen/kweken van hennepplanten. In totaal stonden er 663 hennepplanten.
Kweekruimte 4 betrof een ruimte van 15 meter lang en 3,30 meter breed. De ruimte was volledig ingericht voor het telen/kweken van hennepplanten. In totaal stonden er 700 hennepplanten.
Ik, verbalisant, constateerde op grond van mijn kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het hennepplanten waren die in de kwekerij zijn aangetroffen.
De elektriciteitsvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij werd illegaal afgenomen. Het bleek dat buiten het betreffende pand een illegale aftakking op de hoofdleiding van [benadeelde 1] BV was gemaakt. De illegale aftakking liep buiten de meetinrichting van [benadeelde 1] om naar de elektrische installatie van de betreffende hennepkwekerij en voorzag deze van elektriciteit.
De watervoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij werd illegaal afgenomen. Het bleek dat de verzegeling was verbroken en een passtuk was geplaatst. Hierdoor werd het afgenomen water ten behoeve van de hennepplanten en het overige gebruik niet geregistreerd.
Verbalisantenhebben – zakelijk weergegeven – als volgt gerelateerd [3] :
Op 19 november 2021 betraden wij, verbalisanten [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] het perceel de [adres 2] te Velden.
Ik, [naam 1] , nam op voornoemde dag omstreeks 11.30 uur, telefonisch contact op met [verdachte]
. Ik, [naam 1] , maakte mij kenbaar als politieagent werkzaam bij politie Venlo. Ik, [naam 1] , deelde [verdachte] mede dat hij niet tot antwoorden verplicht was en een raadsman kan raadplegen. Ik, [naam 1] deelde [verdachte] mede dat wij op zijn terrein op de [adres 2] waren. Ik, [naam 1] , hoorde dat [verdachte] spontaan verklaarde dat hij wist waarvoor wij kwamen en hij vertelde dat de ruimte van hem was. Ik, [naam 1] , zei tegen [verdachte] , dat wij de ruimte nog niet betreden hadden en dat dit de reden was waarom ik hem belde. Ik, [naam 1] , hoorde dat [verdachte] mij instructies gaf hoe de ruimte te openen was.
Ik, [naam 1] , hoorde dat [verdachte] de volgende instructie gaf:
- De zwarte kabel op de betonplaat, in het contact steken;
- Dan de stekker in het andere stopcontact steken en op omlaag drukken;
- Let wel op dat het luik niet te ver zakt. Ik neem aan dat de ruimte geruimd wordt en
als je hem te laag laat zakken, dan gaat hij niet meer omhoog. Dus zover als het
houtje laten zakken.
Ik, [naam 1] , vroeg aan [verdachte] , waar die andere stekker was. Ik, hoorde dat [verdachte]
mij instructies gaf, waar de stekker met daaraan afstandsbediening te vinden
was. Ik, [naam 1] , werd naar het begin van de loods gestuurd, alwaar bij de ingang zijnde de
hoofdingang een Ikea-kastje stond. Op dat kastje lag een kabel. Ik, [naam 1] ,
zag dat alle instructies klopten en trof de kabel met daaraan een afstandsbediening
aan. De afstand alwaar de afstandsbediening werd aangetroffen en waar het luik zich
bevond, is ongeveer 50 meter. Ik, [naam 1] , grapte over het feit dat deze twee ver uit
elkaar lagen en hoorde dat [verdachte] antwoorde met: "Ja ik weet het, ik loop het
vijftig keer per dag." Ik, [naam 1] , zag dat er op de aangetroffen afstandsbediening twee zwarte knoppen zaten met daarboven geschreven: "Op Neer". Ik, [naam 1] , hoorde dat [verdachte] tegen mij zei: "Ik ben niet anti politie of zo, je hoeft niet bang te zijn voor een boobytrap of zo, je kan gewoon de ruimte betreden."
Een medewerker van [benadeelde 1]heeft namens
aangiftegedaan en daarin – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt verklaard [4] :
Op 19 november 2021 werd een hennepkwekerij met diefstal energie aangetroffen in het pand op het adres [adres 2] te Velden. Uit onze administratie blijkt dat [verdachte] (
de rechtbank begrijpt: [verdachte]) in elk geval op het moment van binnentreden op 19 november 2021 contractant was op genoemd perceel.
Uit onderzoek bleek dat er een illegale aftakking was gemaakt op de hoofdleiding van [benadeelde 1] buiten het betreffende pand. De hoofdleiding voorziet meerdere panden van elektriciteit. De illegale aftakking liep buiten de meetinrichting van [benadeelde 1] om naar de elektrische installatie (en de daarop aangesloten apparatuur) in het betreffende pand en voorzag deze van elektriciteit. Door buiten de hoofdbeveiliging om aan te sluiten is er meer vermogen beschikbaar dan contractueel is overeengekomen met de contractant.
[naam 7]heeft namens
[benadeelde 2] aangiftegedaan en daarin – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt verklaard [5] :
De monteur van [benadeelde 2] constateerde op 19 november 2021 verboden handelingen aan de waterleidinginstallatie en trof het volgende aan.
1. De verzegeling die op 28 oktober 2010 was aangebracht was verbroken.
2. De watermeter was uitgebouwd en er was een passtuk op de plaats van de watermeter ingebouwd, waardoor er geen keerklep meer aanwezig was en dus ook geen terugstroom beveiliging meer.
3. Diefstal water: Door het aanpassen van de waterinstallatie werd het waterverbruik voor de hennepplantages en het overige gebruik niet door de watermeter geregistreerd.
4. Diefstal watermeter: De watermeter is ontvreemd en niet gevonden in het pand.
Naar aanleiding van deze inventarisatie is een berekening gemaakt waaruit blijkt dat minimaal 6.453 m3 water illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepplantage.
De verdachteheeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt verklaard [6] :
Vanwege corona had ik financiële problemen. Ik ben toen met iemand in contact gekomen. Diegene wilde mij wel helpen. Ik wist dat er een ruimte op mijn perceel zou worden gebouwd om hennep in te kweken. De bouw is gestart vanaf maart 2021. Ik heb een deel van de materialen die gebruikt zijn voor de bouw van de ruimte besteld via mijn bedrijf. De ruimte is gebouwd door ongeveer 15 tot 30 mensen. Ik wist hoe het luik werkte. Ik ben enkel in het voorportaal van de ruimte geweest. Ik kan u vertellen dat er werd gewerkt met opdrachtgevers, makelaars en bouwers. Het huurcontract met [naam 8] is opgemaakt door anderen; ik heb dit wel zelf ondertekend. [naam 8] werd gebruikt als katvanger. Ik heb wel meerdere malen contact met hem gehad. Ik heb zeven maanden lang 1.250,- euro cashgeld aan huur ontvangen. Ik zou eigenlijk twee dagen na de inval een beloning krijgen voor de eerdere oogst. De rekeningen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] werden door mij betaald.
Bewijsoverweging
Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat de politie op 19 november 2021 in een ondergrondse ruimte op het perceel van verdachte aan de [adres 2] te Velden een hennepkwekerij met in totaal 2.712 hennepplanten heeft aangetroffen. Deze hennepkwekerij werd voorzien van elektriciteit door middel van een illegale aftakking op de aansluitleiding van [benadeelde 1] . Ook werd de watervoorziening van de hennepkwekerij illegaal afgenomen.
Medeplegen telen, bewerken en/of verwerken hennep of slechts aanwezig hebben (feit 1)
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de verklaring van de verdachte dat hij meer heeft gedaan dan slechts zijn terrein ter beschikking te stellen, zoals de raadsvrouw heeft betoogd. De verdachte heeft ook diverse materialen besteld voor de bouw van de ondergrondse ruimte op zijn perceel, terwijl hij wist dat deze ruimte zou worden gebruikt als hennepkwekerij. Ook heeft hij meermaals contact gehad met een katvanger en zou hij een beloning krijgen voor iedere geslaagde oogst. De hennepkwekerij bevond zich bovendien zowel formeel als feitelijk in de machtssfeer van de verdachte, nu hij de eigenaar was van het perceel, hij wist hoe hij de ondergrondse ruimte moest betreden en hij eerder in het voorportaal van de ruimte is geweest. De rechtbank zal de verdachte daarom veroordelen voor het medeplegen van het aanwezig hebben van de hennepplanten in de periode van 2 november 2021 tot en met 19 november 2021. Er zijn onvoldoende bewijsmiddelen om vast te stellen dat de verdachte als medepleger betrokken was bij daadwerkelijk telen, bewerken en/of verwerken van de hennep. In zoverre zal de verdachte daarvan partieel worden vrijgesproken.
Medeplichtig aan diefstal stroom en water (feit 2 subsidiair en feit 3 subsidiair)
Aan de hand van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte wist dat de gebouwde ondergrondse ruimte op zijn perceel door derden zou worden gebruikt voor het telen van hennep. Het is een feit van algemene bekendheid dat voor het telen van hennep in de regel elektriciteit en water illegaal worden afgenomen. Door akkoord te gaan met de bouw vanaf maart 2021 van de ondergrondse ruimte ten behoeve van het telen van hennep en daarmee ook de aansluitingen en toevoer van de elektriciteit en water aan anderen ter beschikking te stellen, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat die anderen illegaal stroom en water zouden afnemen en daartoe de hoofdaansluitingen zouden manipuleren. Uit de aangiftes van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] blijkt ook dat die aanmerkelijke kans zich heeft gerealiseerd.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte medeplichtig is aan de diefstal van de elektriciteit en het water in de periode van 1 maart 2021 tot en met 19 november 2021, zijnde de dag van de politie-inval, door aan onbekend gebleven derden middelen en de ruimte op zijn perceel ter beschikking te stellen.
In de zaak met parketnummer 03.026730.23 [7]
Artikel 359a Sv-verweer
De rechtbank is van oordeel dat een MMA-melding op zichzelf onvoldoende is voor een redelijk vermoeden van schuld. De MMA-melding bevatte in deze zaak evenwel specifieke informatie, namelijk dat het om een hennepgerelateerd feit zou gaan en het exacte adres waar dit feit zou plaatsvinden. Daarnaast waren de verbalisanten ambtshalve bekend met de antecedenten van de verdachte, die eveneens hennepgerelateerd waren en gepleegd waren op hetzelfde terrein zoals genoemd in de MMA-melding. Dit tezamen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verbalisanten redelijkerwijze konden vermoeden dat sprake was van een overtreding van de Opiumwet.
Op grond van artikel 9 lid 1 onder b van de Opiumwet mochten zij daarom de ondergrondse ruimte op het terrein van de verdachte betreden. Van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De rechtbank zal de resultaten van de doorzoeking van de ondergrondse ruimte daarom voor het bewijs gebruiken.
Bewijsmiddelen
Verbalisantenhebben – zakelijk weergegeven – als volgt gerelateerd [8] :
Op 10 oktober 2023 waren wij, verbalisanten [naam 1] en [naam 9] , samen met meerdere collega’s belast met het onderzoek naar een mogelijke hennepkwekerij op de [adres 2] te Velden. Ter plaatse op het perceel, meldde zich de eigenaar van het perceel, zijnde: [verdachte] .
Ik, [naam 9] en de andere collega’s, liepen vervolgens door de tuinderskas direct naar de achterkant van de tuinderskas. Hier zou in het verleden ook een ondergrondse ruimte zijn aangetroffen, die toen vermoedelijk ook in gebruik was gesteld voor het telen van hennep.
Alvorens wij bij de ondergrondse ruimte kwamen, zagen wij dat wij eerst door een zelfgemaakte opening in een doek moesten lopen. Wij, zagen dat het doek deels openhing en dat er op dat punt een zwarte stroomkabel doorheen lag. Wij zagen dat deze kabel afkomstig was van een aggregaat, welke op dat moment nog draaide. Op het moment dat wij het doek doorliepen, kwamen wij in een ogenschijnlijke separate ruimte in de kas, gemaakt van voornoemd doek. Wij zagen dat er in voornoemde ruimte, een houten luik openstond, welke toegang gaf tot een ladder/ruimte in de grond. Ik zag dat het gat overliep in een gang. Ik zag dat aan het einde van de gang een houten deur zat. Ik zag dat de zwarte kabel in de richting van de volgende ruimte achter de deur liep.
Ik, [naam 9] zag dat er achter de houten deur een grote ruimte was. Ik zag dat de ruimte ongeveer een lengte had van 40 meter, een breedte had van ongeveer 3 meter en ongeveer een hoogte had van 2 meter. Ik zag dat hier verse geknipte henneptoppen lagen te drogen.
Ik, [naam 1] , vroeg aan verdachte [verdachte] of hij wist om hoeveel hennepplanten het ongeveer ging. Ik hoorde dat de verdachte zei: “ik denk ongeveer 2.000 planten.”
De kennisgeving van inbeslagneming vermeldt– zakelijk weergegeven – onder meer het volgende: [9]
Op 10 oktober 2023 zijn 2.342 hennepplanten inclusief gedroogde toppen met goednummer 1645733 in een ondergrondse drogerij aangetroffen en in beslag genomen onder [verdachte] .
De verdachteheeft ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt verklaard [10] :
Ik was op de hoogte van het feit dat de hennepplanten in de ondergrondse ruimte op mijn perceel lagen. Dit zou ongeveer voor een week zijn. Het was een gedwongen vriendendienst.
Bewijsoverweging
Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt dat de politie op 10 oktober 2023 in een ondergrondse ruimte op het perceel van de verdachte aan de [adres 2] te Velden een hennepdrogerij met in totaal 2.342 hennepplanten heeft aangetroffen. De verdachte was de eigenaar van het perceel, hij wist dat de hennepplanten zich aldaar bevonden en hij had er de beschikkingsmacht over. De verdachte heeft namelijk verklaard dat de hennepplanten voor ongeveer een week in zijn ruimte zouden moeten liggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte aldus tezamen en in vereniging de hennepplanten opzettelijk aanwezig gehad, zoals primair ten laste is gelegd.
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte de hennep ook heeft geteeld, bewerkt en/of verwerkt en zal de verdachte daarom hiervan partieel vrijspreken.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
T.a.v. de zaak met parketnummer 03.067661.23, feit 1 primair:
in de periode van 2 november 2021 tot en met 19 november 2021 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ), een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2.712 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
T.a.v. de zaak met parketnummer 03.067661.23, feit 2 subsidiair:
een of meer onbekend gebleven personen in de periode van 1 maart 2021 tot en met 19 november 2021 in de gemeente Venlo een hoeveelheid elektriciteit dat aan [benadeelde 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die een of meer onbekend gebleven personen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking bij en/of tot het plegen van welk misdrijf de verdachte in de periode van 1 maart 2021 tot en met 19 november 2021 in de gemeente Venlo, opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven personen zijn pand ter beschikking te stellen;
T.a.v. de zaak met parketnummer 03.067661.23, feit 3 subsidiair:
een of meer onbekend gebleven personen in de periode van 1 maart 2021 tot en met 19 november 2021 in de gemeente Venlo een hoeveelheid water dat aan [benadeelde 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die een of meer onbekend gebleven personen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 maart 2021 tot en met 19 november 2021 in de gemeente Venlo, opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven personen zijn pand ter beschikking te stellen;
T.a.v. de zaak met parketnummer 03.026730.23, primair:
op 10 oktober 2023 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ), een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2.342 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
T.a.v. de zaak met parketnummer 03.067661.23, feit 1 primair:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
T.a.v. de zaak met parketnummer 03.067661.23, feit 2 subsidiair:
medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
T.a.v. de zaak met parketnummer 03.067661.23, feit 3 subsidiair:
medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
T.a.v. de zaak met parketnummer 03.026730.23, primair:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft bij de formulering van zijn eis rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, het gegeven dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met justitie en het feit dat verdachte momenteel in een schorsing loopt voor wederom een Opiumwetgerelateerd delict.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn en hetgeen volgens haar slechts bewezen kan worden verklaard, kan worden volstaan met een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft in 2021 samen met anderen 2.712 hennepplanten aanwezig gehad in een ondergrondse ruimte op zijn terrein. Vanwege corona kampte de verdachte met financiële problemen en om die reden heeft hij naar eigen zeggen ingestemd met het opzetten van de hennepkwekerij. Twee jaar later is er wederom, in een andere ondergrondse ruimte op hetzelfde terrein van de verdachte, een hennepdrogerij aangetroffen met een grote hoeveelheid hennepplanten. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij zich bij zijn handelen enkel heeft laten leiden door zijn eigen financiële positie en geen oog heeft gehad voor de schadelijke gevolgen die de door hem gepleegde delicten op de samenleving hebben. Los van de nadelige gevolgen voor de volksgezondheid, gaat achter drugs veel criminaliteit schuil. Voorts rekent de rechtbank het de verdachte aan dat hij ondanks de eerdere politie-inval in 2021 opnieuw dezelfde strafbare gedraging verricht, hetgeen erop duidt dat hij zich kennelijk niets heeft aangetrokken van de eerdere waarschuwing en de – mogelijke – consequenties daarvan. Hij wist dat hem nog een strafzaak boven het hoofd hing en heeft er desondanks welbewust voor gekozen om toch weer hennepplanten op zijn terrein aanwezig te hebben.
De verdachte heeft zich daarnaast ook nog schuldig gemaakt aan het medeplichtig zijn aan de diefstal van elektriciteit en water. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben daardoor inkomsten misgelopen en kosten moeten maken
Hoewel uit het strafblad van de verdachte niet blijkt dat de verdachte in de afgelopen jaren is veroordeeld voor soortgelijke feiten, stelt de rechtbank vast dat hij inmiddels tweemaal achter elkaar met justitie in aanraking is gekomen wegens Opiumwetdelicten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte op dit moment in een schorsing loopt in verband met een later gepleegd feit, dat eveneens aan de Opiumwet, maar dan zelfs aan harddrugs, is gerelateerd. Dit maakt duidelijk dat de onderhavige feiten geen op zichzelf staande incidenten zijn, maar passen in een patroon van herhaald strafbaar handelen.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op de houding van de verdachte ter terechtzitting. De verdachte heeft naar de indruk van de rechtbank niet het achterste van zijn tong laten zien en heeft zich vooral gericht op het zo gunstig mogelijk neerzetten van zijn eigen rol. Van een duidelijke erkenning van zijn handelen en de schadelijke gevolgen van softdrugs is nauwelijks sprake geweest.
Gelet op de ernst van de feiten en de hiervoor genoemde omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf.
Anders dan de officier van justitie en de reclassering ziet de rechtbank onder de persoonlijke omstandigheden geen aanleiding om aan de verdachte een straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. Gelet op het handelen van de verdachte en zijn houding blijkt onvoldoende dat hij zich door voorwaarden zou laten sturen. De rechtbank acht het daarom niet zinvol om de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering te verbinden aan de op te leggen straf.
De rechtbank ziet wel aanleiding om een lagere straf op te leggen dan de officier van justitie heeft geëist nu zij tot een – deels – andere bewezenverklaring komt. Daarnaast heeft de rechtbank ook rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden opleggen.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 48, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreektde verdachte
vrijvan de in de zaak met parketnummer 03.067661.23 onder feit 2 en feit 3 primair tenlastegelegde feiten;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
- veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 maanden.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.W. Peters, voorzitter, mr. M.J.H. van den Hombergh en mr. S.A.M.C. van de Winkel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z. Houkes, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 januari 2026.
BIJLAGE: De – gewijzigde – tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
T.a.v. de zaak met parketnummer 03.067661.23, feit 1 primair:
hij in of omstreeks de periode van 2 november 2021 tot en met 19 november 2021 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt en/of verwerkt, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ), een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2712 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 2 november 2021 tot en met 19 november 2021 in de gemeente Venlo opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2712 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 2 november 2021 tot en met 19 november 2021 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
T.a.v. de zaak met parketnummer 03.067661.23, feit 2 primair:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2021 tot en
met 19 november 2021, in de gemeente Venlo een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed
onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 maart
2021 tot en met 19 november 2021 in de gemeente Venlo een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan aan die een of meer onbekend gebleven personen en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die een of meer onbekend gebleven personen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft
verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft
gebracht door middel van braak en/of verbreking bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 maart 2021 tot en met 19 november 2021 in de gemeente Venlo, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven personen zijn pand
ter beschikking te stellen;
T.a.v. de zaak met parketnummer 03.067661.23, feit 3 primair:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2021 tot en met 19 november 2021, in de gemeente Venlo een hoeveelheid water, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 maart 2021 tot en met 19 november 2021 in de gemeente Venlo een hoeveelheid water, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander dan aan die een of meer onbekend gebleven personen en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die een of meer onbekend gebleven personen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn
bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 maart 2021 tot en met 19 november 2021 in de gemeente Venlo, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven personen zijn pand ter beschikking te stellen;
T.a.v. de zaak met parketnummer 03.026730.23:
hij op of omstreeks 10 oktober 2023 in de gemeente Venlo
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk heeft geteeld, bereid, bewerkt en/of verwerkt, althans opzettelijk aanwezig gehad (in een aan de [adres 2] ),
een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2342 hennepplanten,
althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan,
in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een
materiaal bevattende hennep,
zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan
wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks
op of omstreeks 10 oktober 2023 in de gemeente Venlo met elkaar, althans één van
hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan
de [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2342 hennepplanten,
althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan,
in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een
materiaal bevattende hennep,
zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks
10 oktober 2023 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland,
meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten
ter beschikking te stellen.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2021181235, gesloten op 20 december 2022, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 556 (deel 1 en deel 2).
2.Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van verbalisant M.G.H. [naam 1] van 7 december 2021, pg. 176-180.
3.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [naam 1] , [naam 6] , [naam 4] , S. [naam 10] en [naam 3] van 27 januari 2022, pg. 20 en 21.
4.Een geschrift, te weten het aangifteformulier van medewerker 73011 namens [benadeelde 1] van 29 november 2021 behorende bij het proces-verbaal van aangifte van medewerker 73011 namens [benadeelde 1] van 4 november 2022, pg. 193.
5.Een geschrift, te weten de bijlage van aangifte van [naam 7] namens [benadeelde 2] van 28 december 2021 behorend bij het proces-verbaal van aangifte van [naam 7] namens [benadeelde 2] van 4 november 2022, pg. 224-225.
6.De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 12 januari 2026.
7.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023161868, gesloten op 15 november 2023, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 46.
8.Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [naam 9] en [naam 1] , d.d. 5 november 2023, pg. 5-7.
9.Kennisgeving van inbeslagneming van10 oktober 2023, pg. 44.
10.De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 12 januari 2026.