ECLI:NL:RBLIM:2026:781

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
03.022471.22
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging doodslag met noodweer als verweer en ontslag van rechtsvervolging

Op 26 januari 2026 heeft de Rechtbank Limburg in Roermond uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 25 januari 2022 geprobeerd heeft een ander, aangeduid als [slachtoffer], te doden door hem meermalen met een mes in de borst- en buikstreek te steken. De verdachte, geboren in 1997 en wonende te [adres], werd bijgestaan door mr. N.C.M.L. Bloebaum. Tijdens de zitting op 12 januari 2026 zijn de verdachte en zijn raadsvrouw verschenen, en heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De verdediging pleitte voor vrijspraak, stellende dat er sprake was van noodweer. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, vertegenwoordigd door mr. E. Alija, behandeld, maar heeft deze niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte van alle rechtsvervolging werd ontslagen. De rechtbank oordeelde dat er geen bewijs was voor de intentie van de verdachte om [slachtoffer] te doden, maar dat er wel sprake was van voorwaardelijk opzet. De rechtbank concludeerde dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond, waarbij hij zich moest verdedigen tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer]. De rechtbank oordeelde dat de verdachte geen andere reële mogelijkheden had om zich te verdedigen en dat het gebruik van geweld proportioneel was. De verdachte werd uiteindelijk ontslagen van alle rechtsvervolging.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.022471.22
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 26 januari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortedatum] 1997,
wonende te [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. N.C.M.L. Bloebaum, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 12 januari 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. E. Alija, advocaat kantoorhoudende te Roermond. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld. Namens het slachtoffer is ter zitting het spreekrecht uitgeoefend.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
op 25 januari 2022 te Roermond heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden door hem meermalen met een mes in de borst- en buikstreek te steken.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde.
De standpunten van de officier van justitie en de verdediging zullen, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs nader worden weergegeven dan wel impliciet worden besproken.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van navolgende bewijsmiddelen acht de rechtbank het feit wettig en overtuigend bewezen.
Bewijsmiddelen [1]
[slachtoffer] deed op 25 januari 2022 aangifte en verklaarde onder meer als volgt: [2]
Ik doe aangifte tegen [verdachte] . […] hij werkt in de sportschool Il Fiore op de
Bredeweg in Roermond. Ik was, 25 januari 2022, daar aan het sporten. Toen besloot ik om naar huis te gaan. Toen zag ik hem […] op het moment dat ik de sportschool verliet. Ik rende op hem af. Ik kan me herinneren dat ik hem duwde en toen begonnen we elkaar te slaan. Het enige wat ik me kan herinneren, is dat toen ik hem tegen zijn hoofd en gezicht sloeg hij van die rare lage bewegingen maakte. Zo'n steekbeweging ter hoogte van mijn ballen. Ik ben daarna in de auto gestapt. Toen ik de parkeerplaats afreed, kwam ik bij de rotonde richting Donderberg. Daar merkte ik dat ik bloedde. Ik ben daarop teruggereden naar de sportschool. Ik ben met de ambulance naar het ziekenhuis gegaan. Daar werd geconstateerd dat ik zes keer was gestoken. Net boven mijn borst. Net boven mijn buik. Linksonder in mijn buik. In mijn linker triceps. Verder ben ik in mijn lies gehecht. Ik kreeg een paar keer bloed toegediend in het ziekenhuis omdat ik teveel bloedverlies had. Ik weet dat toen ik in de ambulance lag en ze mijn onderbroek aan de kant schoven, ik toen zag dat er bloed uit mijn lies spoot.
Verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] relateerden op 26 januari 2022 onder meer als volgt: [3]
Op 25 januari 2022 kwamen wij ter plaatse op de Bredeweg te Roermond. In de ambulance werd [slachtoffer] ontdaan van zijn kleding en zag ik dat in zijn bovenlichaam minimaal
3 steekwonden zaten en op zijn linkerbovenarm minimaal 1 steekwond. Ik zag dat de steekwonden alle enkele centimeters breed waren. Ik zag dat [slachtoffer] onder het bloed zat over zijn hele lichaam. Vervolgens zag ik dat de onderbroek van [slachtoffer] doordrenkt was met bloed. Ik zag dat de ambulance medewerker de onderbroek van [slachtoffer] zijdelings verplaatste om de linker lies van [slachtoffer] te bekijken. Ik zag op enig moment dat er bloed met grote kracht uit de linkerlies van [slachtoffer] spoot, waarbij een straal bloed door de ambulance vloog. Mogelijk was er een slagaderlijke bloeding ter hoogte van de linkerlies van [slachtoffer] , waardoor men zo snel mogelijk met [slachtoffer] naar de spoedeisende hulp te Roermond wilde gaan rijden om hem daar van medische hulp te voorzien.
Op 26 januari 2022 werd bij [slachtoffer] een letselonderzoek uitgevoerd [4] . Bij dat onderzoek is gebleken van de volgende letsels:
1. borst: steek- of schaafwond. Op de voorzijde van de borst rechts, boven de tepellijn en naast het borstbeen is een huidverwonding zichtbaar met korstvorming van ca. 0,4 bij 0,7 cm passend bij een steekwond of schaafwond;
2. borst: steek- of snijwond. Op de voorzijde van de borst links, onder de grote borstspier, is een streepvormige huidverwonding van ca. 4 cm lengte met meerdere hechtingen en nog onderhuids weefsel zichtbaar passend bij een steek- of snijwond;
3. buik: steekwond en bloeduitstorting. Op de bovenbuik links richting flank is een streepvormige huidverwonding van ca. 2 cm lengte met een hechting en een ovaalvormige, paarsblauwe huidverkleuring van ca. 3 bij 5,5 cm zichtbaar passend bij een steekwonden en een bloeduitstorting;
4. buik: steek- of snijwond en bloeduitstorting. In de lies links, naast de basis van de penis, is een huidverwonding met korstvorming van ca. 2 cm met hechtingen en omliggend een ovaalvormige, paarsblauwe huidverkleuring zichtbaar passend bij een steek- of snijwond en een bloeduitstorting;
5. rug: steek- of snijwond en kraswond. Op de rug links richting flank is een deels boogvormige huidverwonding van ca. 0,3 bij 1,5 cm met een hechting en een streepvormige huidverwonding van ca. 6,5 cm lengte passend bij een steek- of snijwond en een kraswond;
6. linkerarm: steekwond en bloeduitstorting. Op de strekzijde van de bovenarm zij twee parallelle, streepvormige, deels scherprandige huidverwondingen van ca. 1,6 cm en 3 cm lengte met drie hechtingen en omliggend een ovaalvormige, paarsblauwe huidverkleuring
van ca. 4 bij 6 cm zichtbaar passend bij steekwonden en een bloeduitstorting.
De verdachte verklaarde ter terechtzitting onder meer als volgt:
Het klopt dat ik op 25 januari 2022 [slachtoffer] zes keer met een mes heb geraakt in zijn borst en buik.
Tussenconclusie
De rechtbank stelt op basis van bovenstaande bewijsmiddelen vast dat de verdachte met een mes [slachtoffer] onder meer in zijn borst- en buikstreek heeft gestoken.
Poging tot doodslag
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe het handelen van de verdachte juridisch gekwalificeerd kan worden.
De rechtbank ziet geen aanwijzingen in het dossier die erop duiden dat de verdachte de intentie heeft gehad om [slachtoffer] te doden. Vol opzet kan dan ook niet worden bewezen. Dit neemt echter niet weg dat de verdachte door zijn gedragingen in voorwaardelijke zin opzet kan hebben gehad. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood van [slachtoffer] - is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden.
Om deze vraag te beantwoorden moet de rechtbank eerst vaststellen of er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] gedood kon worden door de handelingen van de verdachte. De rechtbank stelt voorop dat het steken met een mes in het bovenlichaam (borst- en buikstreek), onder omstandigheden dodelijk kan zijn. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat zich daar vitale organen en ook (slag)aders bevinden en dat het raken daarvan met een mes tot de dood kan leiden. Bovendien blijkt uit de bewijsmiddelen dat het steken met het mes door de verdachte een verwonding in de lies van [slachtoffer] heeft veroorzaakt waardoor hij veel bloed verloor (‘het spoot eruit’) en met spoed naar het ziekenhuis moest worden overgebracht. In het ziekenhuis kreeg [slachtoffer] naar aanleiding van de verwondingen extra bloed toegediend. Gelet hierop is de rechtbank -anders dan de verdediging- van oordeel dat niet slechts blijkt van oppervlakkige steekverwondingen, maar dat er met het mes met voldoende kracht en intensiteit is gestoken op een plek die potentieel dodelijk is. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat er een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bestond naar aanleiding van het handelen van de verdachte.
Vervolgens dient de rechtbank vast te stellen of de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank beantwoordt ook deze vraag bevestigend. Omdat het steken met een mes in het bovenlichaam, zoals hiervoor overwogen, naar algemene ervaringsregels dodelijk kan zijn, moet de verdachte geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. De verdachte heeft [slachtoffer] met die veronderstelde wetenschap meerdere malen (ongecontroleerd) met een mes gestoken. Dat de verdachte ongecontroleerd heeft gehandeld, leidt de rechtbank af uit het feit dat [slachtoffer] op de verdachte kwam afgerend, hem duwde en er vervolgens een gevecht plaatsvond (over en weer geslagen). De verdachte en [slachtoffer] waren aldus op zeer korte afstand van elkaar en beiden in beweging op het moment dat de verdachte meerdere malen met het mes stak. Het meerdere malen ongecontroleerd steken met een mes op plekken in de borst- en buikstreek is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer op de dood gericht dat het zonder aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer] met dat mes dodelijk zou verwonden. De rechtbank is niet gebleken van aanwijzingen die erop wijzen dat de verdachte deze kans op dat moment niet bewust heeft aanvaard.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer] ergens in de borst- en buikstreek dodelijk zou raken en acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.
Het standpunt van de verdediging dat voorwaardelijk opzet op de dood niet kan worden bewezen, wordt op grond van het voorgaande dan ook verworpen door de rechtbank.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
op 25 januari 2022 in Roermond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een mes, meerdere malen in het bovenlichaam (ter hoogte van de borst- en de buikstreek) van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep van de verdediging op noodweer faalt, omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] , waartegen de verdachte zich moest verdedigen. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zelf de reactie van [slachtoffer] uitgelokt door naar hem te roepen
‘kom maar’ waardoor hem geen beroep op noodweer toekomt.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat er sprake was van noodweer.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat een beroep op noodweer in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht kan slagen indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes lijf, tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Van een dergelijke aanranding kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo’n aanranding is onvoldoende. De gestelde (dreigende) aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk en geboden is.
De rechtbank ziet zich hierbij voor de vraag gesteld of de feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door en namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden.
De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] begon met het geweld en dit wordt ook bevestigd door [slachtoffer] zelf. [slachtoffer] verklaart immers dat hij op de verdachte afrende en hem vervolgens duwde. Hierna ontstond het gevecht waarbij door de verdachte werd gestoken. De rechtbank is op basis hiervan van oordeel dat er door het duwen door [slachtoffer] sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte.
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdediging door de verdachte noodzakelijk en geboden was. Er dient, met andere woorden, te zijn voldaan aan de subsidiariteits- en proportionaliteitseis.
Ten aanzien van de eis van subsidiariteit overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte en [slachtoffer] verklaren beiden dat de verdachte op het moment dat [slachtoffer] op hem afkwam tussen twee auto’s stond. De verdachte stond klem, want achter hem bevond zich een zijdeur van de sportschool en deze was dicht. Op grond hiervan bestond er naar het oordeel van de rechtbank geen reële mogelijkheid voor de verdachte om zichzelf aan de aanval van [slachtoffer] te onttrekken en zichzelf in veiligheid te brengen en te vluchten. Aan de subsidiariteitseis is, naar het oordeel van de rechtbank, aldus voldaan.
Met betrekking tot de vraag of de verdediging proportioneel was, overweegt de rechtbank het volgende. Uit de hiervoor vastgestelde gang van zaken blijkt dat [slachtoffer] zonder wapen op de verdachte af is gekomen en hem vervolgens heeft geduwd waarna zij in gevecht zijn geraakt, waarbij de verdachte tegen zijn hoofd/gezicht werd geslagen. Het gebruik van een mes door de verdachte staat daarbij in beginsel niet in redelijke verhouding tot het handelen van [slachtoffer] . Echter, uit het dossier blijkt dat de verdachte 1.60 meter lang is en 63,5 kilogram weegt (pg. 25), terwijl [slachtoffer] 1.87 meter lang is en 114 kilogram weegt (pg. 56). Daarnaast verklaren getuigen dat [slachtoffer] veel sterker is dan de verdachte en de verdachte geen partij voor hem is. Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte geen andere reële mogelijkheden had dan zich met het mes te verweren tegen de aanval van [slachtoffer] . Dat dit uiteindelijk heeft geleid tot letsel bij [slachtoffer] is natuurlijk afschuwelijk, maar dat maakt niet dat van de verdachte, in de gegeven situatie, kon worden gevergd dat hij anders had moeten handelen. De rechtbank is aldus van oordeel dat het door de verdachte toegepaste geweld proportioneel is geweest.
De rechtbank merkt daarbij nog op dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte thuis een mes is gaan halen met de intentie dat te gebruiken bij een latere confrontatie met [slachtoffer] . Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat de verdachte die dag moest terugkeren naar de sportschool, omdat hij moest werken en niet op de hoogte was van het trainingsschema van [slachtoffer] . Er was dus sprake van een toevallige ontmoeting op de parkeerplaats voor de sportschool. Ook acht de rechtbank de verklaring van de verdachte waarom hij dat mes in zijn jaszak had (namelijk voor zijn hobby; wildplukken in het bos) geloofwaardig, omdat deze wordt ondersteund door getuigen.
Het standpunt van de officier van justitie dat de gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan in de weg staan aan het slagen van en beroep op noodweer, volgt de rechtbank niet. Dit kan volgens vaste rechtspraak (ECLI:NL:HR:2019:715) slechts onder bijzondere omstandigheden worden aangenomen. Voor zover al zou komen vast te staan dat de verdachte voorafgaand in de richting van [slachtoffer] , op een afstand van 20 meter, zou hebben geroepen ‘kom maar’, is dat daarvoor onvoldoende.
Het beroep op noodweer slaagt.
Al het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat er een omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit uitsluit. Het bewezen verklaarde feit is derhalve niet strafbaar en de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

5.1
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 15.037,- euro. Dit bedrag bestaat uit 2.037,- euro aan materiële schade en 13.000,- euro aan immateriële schade. De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Omdat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

6.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart het bewezenverklaarde feit niet strafbaar en
ontslaat de verdachteten aanzien daarvan
van alle rechtsvervolging;
Benadeelde partij
  • verklaart de benadeelde partij
  • veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Feuth, voorzitter, mr. I.T.H.L. van de Bergh en
mr. C.P.W. van Well, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Geene, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 januari 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 25 januari 2022 in de gemeente Roermond
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk
van het leven te beroven,
met dat opzet met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp,
meerdere malen in het bovenlichaam (ter hoogte van de borst- en/of de buikstreek)
en/of in het bovenbeen (ter hoogte van de slagader) van die [slachtoffer] heeft gestoken,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie, eenheid Limburg, districtsrecherche Noord en Midden Limburg, proces-verbaalnummer 2022012973, gesloten d.d. 25 mei 2022, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 217.
2.Proces-verbaal van aangifte d.d. 26 januari 2022, pagina 54-56.
3.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 januari 2022, pagina 62 en 63.
4.Een geschrift, te weten een rapport “Letselrapportage Forensische Geneeskunde GGD Limburg-Noord”, opgemaakt op 26 januari 2022 door [naam] , forensisch arts, pagina 150-153.