ECLI:NL:RBLIM:2026:7527

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
03.059393.24
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot jeugddetentie en werkstraf voor pogingen tot doodslag door gooien van stenen vanaf brug

Op 24 januari 2024 gooide de verdachte samen met anderen stenen vanaf een fietsbrug in Landgraaf op passerende auto’s, waarbij de inzittenden het leven hadden kunnen verliezen. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte medepleger was van twee pogingen tot doodslag en openlijk geweld. Een derde feit van gooien van een zwaar houten blok op een auto op 24 november 2023 werd vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van aanwezigheid.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel aanvaardde (voorwaardelijk opzet) en dat zijn rol als medepleger bewezen was door zijn aanwezigheid, communicatie en het filmen van de feiten. De verdachte was ten tijde van de feiten 18 jaar oud, waardoor het jeugdstrafrecht werd toegepast.

De straf bestaat uit 450 dagen jeugddetentie waarvan 416 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een werkstraf van 100 uur. De verdachte hoeft niet opnieuw in detentie omdat hij al 34 dagen voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast werd hij hoofdelijk veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen aan de benadeelden, met wettelijke rente en proceskosten. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het derde feit wegens gebrek aan bewijs.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 450 dagen jeugddetentie (416 voorwaardelijk) en 100 uur werkstraf voor twee pogingen tot doodslag en openlijk geweld.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.059393.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2005,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.M.E. van den Heuvel, advocaat te Landgraaf.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 9 juli 2026, waarna de uitspraak op heden is bepaald.
De slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. De benadeelde partijen zijn op de zitting gehoord en werden bijgestaan door mr. E.H.H. van Lieshout, waarnemend voor mr. B. Leemhuis. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.
De slachtoffers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben zich eveneens als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partijen zijn niet verschenen. De rechtbank heeft hun vorderingen tot schadevergoeding behandeld.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , met parketnummers 03.059394.24 en 03.059392.24.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht (Bijlage I). De verdenking komt erop neer dat de verdachte:
- samen met anderen geprobeerd heeft de inzittenden van drie auto’s te doden dan wel zwaar te mishandelen door stenen dan wel een stuk hout op die auto’s de gooien (feit 1 en feit 3);
- openlijk geweld heeft gepleegd door een verkeersbord op de weg te gooien en door voorwerpen op auto’s te gooien (feit 2).

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht alle feiten bewezen.
De verdachte heeft samen met drie anderen op 23 en 24 januari 2024 voorwerpen gegooid vanaf fietsbruggen over de Euregioweg in Landgraaf. Er werd eerst een geleidebaken gegooid, op 23 januari 2024 omstreeks 23:20 uur. Een passerende auto werd vervolgens met eieren bekogeld. Later, 24 januari 2024 om 01:05 uur en om 01:20 uur, werden stenen gegooid naar twee passerende auto’s. De auto’s werden geraakt, op het dak respectievelijk de voorruit. Er was zo sprake van openlijk geweld en van (telkens) een poging doodslag op de inzittenden van deze laatste twee auto’s die, gelukkig, ongedeerd zijn gebleven (feit 1 primair en feit 2).
Uit het bewijs volgt dat [medeverdachte 2] degene is geweest die op 24 januari 2024 de stenen heeft gegooid. Dat pleit de anderen echter niet vrij. Dat geldt ook voor het gooien van de andere voorwerpen. De verdachten kwamen gezamenlijk op ideeën, hebben ieder een rol gehad en hebben nauw en bewust met elkaar samengewerkt. De officier van justitie ziet de verdachten daarom als medeplegers van twee pogingen tot doodslag en plegers van openlijk geweld.
Volgens de officier van justitie hebben de verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zo ook gezamenlijk op 24 november 2023 een zwaar houten blok op een passerende auto gegooid. Ook dat feit levert een poging doodslag op (feit 3 primair).
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van feit 1 en feit 3 en gedeeltelijk van feit 2.
De verdachte kan namelijk niet als medepleger worden beschouwd. Hij was aanwezig op 23 en 24 januari 2024 toen er zware voorwerpen werden gegooid vanaf de fietsbruggen, maar had daar geen opzet op en heeft daaraan geen bijdrage geleverd. Op 24 november 2023 was de verdachte helemaal niet aanwezig.
Voor het plegen van openlijk geweld, feit 2, kan de verdachte veroordeeld worden, maar alleen voor het gooien van eieren.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Aan de verdachte worden ernstige verwijten gemaakt. Een aantal feiten en omstandigheden zijn zonder problemen vast te stellen. Er zijn strafbare feiten gepleegd: daarvoor is voldoende bewijs. De inhoud van het voor de rechtbank relevante bewijs is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis (Bijlage II).
Feiten 1 en 2: het gooien van voorwerpen van bruggen over de Euregioweg
De rechtbank zal eerst de feiten bespreken van 23 en 24 januari 2024, feit 1 en feit 2. Deze feiten lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Daarna komt feit 3 aan de orde.
Een substantieel deel van het proces-verbaal van de politie betreft het opsporingsonderzoek gericht op de identificatie van de bij de feiten van 23 en 24 januari 2024 betrokken personen. De verdachte, medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , een minderjarige wiens zaak op een later moment behandeld zal worden, hebben erkend dat zij die avond samen waren, dat zij samen in de auto van de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben gezeten en samen eieren op auto’s hebben gegooid. De manier waarop zij in het dossier geïdentificeerd werden behoeft daarom geen specifieke bespreking in dit vonnis.
Kort samengevat kan worden vastgesteld dat op 23 januari 2024 omstreeks 23:20 uur en op 24 januari 2024 om 01:05 uur en om 01:20 uur welbewust voorwerpen zijn gegooid naar passerende auto’s vanaf fietsbruggen over de Euregioweg. Twee auto’s zijn daarbij door een steen geraakt. Bij het incident van 01:05 uur is de steen niet aangetroffen, maar uit de schade aan de Suzuki Alto van aangeefster [slachtoffer 4] en het aantreffen van steengruis leidt de rechtbank af dat gegooid moet zijn met een steen en, gelet op het schadebeeld, ook met een steen van een behoorlijke afmeting en van een behoorlijk gewicht. De tweede steen, die om 01:20 uur gegooid werd op de Volkswagen Golf waarin aangever [slachtoffer 1] reed, is wel gevonden. Dit was een stoeptegel van bijna 8 kilo.
Beoordeeld moet worden of het gooien met deze stenen (telkens) een poging tot doodslag oplevert. Als dat niet het geval is, dan moet beoordeeld worden of er sprake is van het subsidiaire verwijt van poging tot zware mishandeling.
De rechtbank is van oordeel dat feit 1 in de primaire variant, de poging tot doodslag in twee gevallen, bewezen kan worden. Zowel de inzittenden van de Suzuki Alto als die van de Volkswagen Golf hadden het leven kunnen laten. Het is een feit van algemene bekendheid dat door het gooien van stenen van een brug op een autoweg (waar je in dit geval 70 km per uur mag rijden) zeer ernstige ongelukken kunnen gebeuren. De kans dat een bestuurder of inzittende van een auto als gevolg van zo’n ongeluk komt te overlijden is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Van die ervaringsregel moet de verdachte zich ook bewust zijn geweest op 24 januari 2024. Het was, naar hun eigen zeggen, niet de uitdrukkelijke bedoeling van de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een ander te doden, maar met het gooien van stenen onder de omstandigheden van deze zaak hebben zij die aanmerkelijke kans bewust aanvaard en dan is sprake van voorwaardelijk opzet op dat dodelijke gevolg.
Met deze conclusie loopt de rechtbank al enigszins vooruit op het antwoord op de vraag of er sprake was van medeplegen. Vastgesteld kan worden dat medeverdachte [medeverdachte 2] de stenen gegooid heeft. Zijn de feiten dan toch ook gepleegd door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] ? De verdachte ziet zichzelf niet als medepleger, omdat hij de stenen niet gegooid heeft. Hij heeft verklaard dat hij aanwezig was, maar zegt geen strafbare rol te hebben gehad.
De rechtbank ziet dat anders en overweegt als volgt.
Uit het bewijs volgt dat de verdachte [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 2] , de verdachte en nog een vierde (minderjarige) verdachte (wiens zaak op een later moment behandeld zal worden) optrok op de late avond van 23 januari 2024. Hun gezamenlijke voornemen was om eieren te gooien vanaf bruggen naar passerende auto’s en zij waren continu in elkaars gezelschap. [medeverdachte 1] was degene met een auto en heeft steeds de anderen vervoerd van en naar de bruggen.
Om 23:20 uur plaatste [medeverdachte 1] een video in de Snapchatgroep waarin de verdachten met elkaar communiceerden. Te zien is dat een auto onder een brug doorreed en op dat moment was een hard klap te horen en er werd gelachen door meerdere personen en “puur geluk” gezegd.
Voor de rechtbank is dit een duidelijk groepsoptreden. De harde klap past overigens niet bij het gooien van eieren, maar van iets anders. Ruim 20 minuten later, enkele minuten nadat aangever [naam 1] een verkeersbord (
de rechtbank leest hier: geleidebaken) zag liggen op de weg, plaatste [medeverdachte 1] een afbeelding van [medeverdachte 2] die een geleidebaken vasthield.
De rechtbank trekt daaruit de conclusie dat de verdachten samen, in groepsverband, geweld hebben begaan. Daaraan doet niet af dat niet kan worden vastgesteld wie van hen de harde klap nu veroorzaakte en of dit het geleidebaken betrof, maar dat baken is wel rond die tijd op de weg gegooid. De verdachte heeft immers ter zitting verklaard dat hij gezien heeft dat het geleidebaken door iemand van hun groep van de brug af gegooid werd, maar wel dat hij niet degene was die dit deed. Het gooien vond, naar het oordeel van de rechtbank, plaats onder aanmoediging van de groep. De groepsleden moedigden elkaar en het geweld aan, ook door het vastleggen en delen van hun actie. Men lachte, niemand distantieerde zich of sprak een duidelijke afkeuring uit.
Daarna escaleerde het toegepaste geweld verder en werd er overgegaan tot het gooien van stenen. Uit het bewijs, waaronder camerabeelden van een nabijgelegen woning, in combinatie met de afgelegde verklaringen blijkt dat [medeverdachte 1] , die optrad als bestuurder van de auto, [medeverdachte 2] en de verdachte in een tijdsbestek van ruwweg een kwartier twee keer afzette bij een brug, waarbij hij telkens de auto positioneerde aan een kant van de brug en vervolgens bleef wachten met gedoofde lichten. [medeverdachte 2] en de verdachte konden zo snel wegkomen, na het gooien van de stenen. Te zien is ook hoe zij aan kwamen rennen, waarna de autoverlichting aan ging en de auto meteen wegreed.
Daarbij was er telefonisch contact tussen [medeverdachte 1] en de verdachte die bij [medeverdachte 2] was toen deze de stenen vanaf de brug naar beneden gooide. De eerste keer was er telefonisch contact om 00:58:47 uur en vond er een gesprek plaats van een minuut tussen de verdachte en [medeverdachte 1] . Volgens de verdachte raakte hij er toen van op de hoogte dat een steen in het spel was en dat [medeverdachte 2] een steen van de brug wilde gooien. De verdachte heeft zich op dat moment niet gedistantieerd door weg te gaan. [medeverdachte 1] ging zijn auto positioneren en vrijwel gelijktijdig vond er nog een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en de verdachte van een minuut om 01:01:02 uur. De verdachte heeft bij de politie ook verklaard dat hij dacht dat dit gesprek is gevoerd om te zeggen tegen [medeverdachte 1] dat hij naar de andere kant van de brug moest rijden en dat [medeverdachte 2] een steen wilde gooien. De steen werd vervolgens enkele minuten later gegooid op de auto van aangever [slachtoffer 4] , waarna [medeverdachte 2] en de verdachte dankzij de bijdrage van [medeverdachte 1] snel konden wegkomen in de klaarstaande auto.
De rechtbank concludeert dat de verdachte en [medeverdachte 1] ruimschoots de tijd hadden zich te distantiëren van [medeverdachte 2] , maar dat niet deden. De verdachte moet ervan op de hoogte zijn geweest dat de vluchtauto klaar stond. Daarna werd de steen pas gegooid.
Vervolgens heeft de groep zich in de auto van [medeverdachte 1] verplaatst naar een locatie waar door [medeverdachte 2] een stoeptegel is opgeraapt, welke tegel vervolgens is meegenomen in de auto van [medeverdachte 1] , waarna [medeverdachte 1] terug reed naar de brug en [medeverdachte 2] en de verdachte wederom afzette bij de brug en zijn auto op precies dezelfde plaats als eerder positioneerde waar hij eerder
[medeverdachte 2] en de verdachte had opgepikt nadat de steen op de auto van [slachtoffer 4] was gegooid, naar de rechtbank begrijpt kennelijk klaar om (weer) snel weg te kunnen rijden. Als de rechtbank verdachtes verklaring al zou geloven dat hij de keren ervoor kenbaar had gemaakt dat hij het niet eens was met het gooien van iets anders dan eieren, quon non nu verdacht die verklaring geen handen en voeten heeft kunnen geven en de verdachte zich ook op geen enkel moment uitdrukkelijk heeft gedistantieerd bijvoorbeeld door te vertrekken, dan kan het bij deze tweede keer niet anders zijn dan dat de verdachte met [medeverdachte 2] is uitgestapt in de volle wetenschap van wat er zou gaan gebeuren: er zou een stoeptegel op een auto gegooid worden. De verdachte ging mee en heeft dit gooien vervolgens nota bene gefilmd. Daarna konden hij en [medeverdachte 2] weer snel wegkomen met de hulp van [medeverdachte 1] , die weer met zijn auto stond te wachten.
Dit alles maakt dat de bijdrage van de verdachte aan de onder 1 verweten feiten, die de rechtbank hiervoor al als telkens een poging doodslag heeft aangemerkt, zo wezenlijk is dat hij als medepleger van deze feiten moet worden beschouwd. De rechtbank zal dan ook bewezen verklaren dat hij zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan tweemaal een poging tot doodslag.
Feit 2
De verdachte heeft verklaard dat hij samen met anderen eieren heeft gegooid vanaf de fietsbrug nabij de Staringstraat. Kort daarvoor werd door iemand uit dezelfde groep een geleidebaken vanaf de brug gegooid en later, op voornoemde tijdstippen op 24 januari 2024, werden stenen gegooid vanaf de fietsbrug nabij de Hompertsweg in Landgraaf. De verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de hiervoor genoemde vierde (minderjarige) verdachte hebben al die tijd in elkaars gezelschap verkeerd met het voornemen voorwerpen vanaf bruggen te gooien. De verdachte was ook beide keren aanwezig toen [medeverdachte 2] stenen vanaf de fietsbrug gooide.
Voor de strafrechtelijke aanpak van dit soort groepsgedrag is bij uitstek artikel 141 Sr Pro in het leven geroepen. Niet vereist is dat bewezen wordt dat de verdachte meer heeft gedaan dan eieren gooien. Vereist is dat komt vast te staan dat hij een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan wat een ander of anderen uit de groep deden. Die bijdrage leverde de verdachte naar het oordeel van de rechtbank op meer manieren (en zoals hiervoor overwogen bij feit 1 zelfs als medepleger). Zo werden over en weer foto’s en filmpjes gedeeld in de groep via Snapchat. Zo plaatste verdachte [medeverdachte 1] om 23:20:29 uur voornoemde video, gefilmd vanaf een brug, waarvan vervolgens een voorwerp werd gegooid toen een auto onder de brug doorreed. Toen [medeverdachte 2] om 01:20 uur een stoeptegel ging gooien, is verdachte meegegaan om dat te filmen. Dat filmen levert een vorm op van aanmoedigen en bevorderen van het plegen van geweld. Dat maakt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld, niet alleen in relatie tot het gooien van eieren, zoals door de raadsvrouw bepleit, maar ook in relatie tot het gooien van andere voorwerpen.
De rechtbank zal ook feit 2 bewezen verklaren, maar moet hierbij een uitzondering maken ten aanzien van het gooien met eieren en met het geleidebaken, nu dit blijkens het dossier en de verklaring van de verdachte heeft plaatsgevonden vanaf de brug bij de Staringstraat; de rechtbank heeft door raadpleging van openbare bronnen vastgesteld dat deze brug en de eronder liggende weg binnen de gemeente Heerlen liggen. Nu alleen ten laste is gelegd dat het gooien met eieren en met het geleidebaken plaatsvond in de gemeente Landgraaf, zal de rechtbank hiervan dus partieel vrijspreken.
Deze partiele vrijspraak doet niet af aan de eerdere overweging van de rechtbank dat de eieren en het geleidebaken wel door de groep van de verdachte en zijn medeverdachten van deze brug naar beneden zijn gegooid.
Tenslotte zij nog opgemerkt dat er een overlap is tussen de feiten 1 en 2. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit in het kader van de kwalificatie een eendaadse samenloop oplevert.
Feit 3: vrijspraak
Op 24 november 2023 is vanaf een voetgangersbrug over de Hofstraat in Landgraaf een voorwerp gegooid op de onder de brug door rijdende Peugeot van [slachtoffer 5] . Het betrof een houten blok in de vorm van een baksteen. De voorruit van de auto was door de impact van de val van dat voorwerp op de autoruit flink gebarsten.
Er zijn overeenkomsten met wat er op 23 en 24 januari 2024 door de groep werd gedaan. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van dit feit moet echter wel worden vastgesteld dat de verdachte op dat tijdstip daar ter plaatse is geweest.
Weliswaar straalde telefoon van de verdachte masten aan in de (wijdere) omgeving van de plaats delict op de datum rondom het tijdstip dat het delict werd gepleegd, maar nu ook de woning van de verdachte onder het bereik van de betreffende mast valt, komt aan dit gegeven geen doorslaggevende bewijskracht toe. Het dossier bevat geen ander bewijs dat wijst op de betrokkenheid van de verdachte en zal de verdachte daarom van dit feit vrijspreken.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Feit 1 primair
op 24 januari 2024 te Landgraaf tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] opzettelijk van het leven te beroven, een zwaar stenen voorwerp vanaf een fietsbrug op de Euregioweg naar beneden heeft gegooid en/of heeft laten vallen, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij deze steen op de auto van [slachtoffer 4] met voornoemde inzittenden terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
en
op 24 januari 2024 te Landgraaf tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, een stoeptegel vanaf een fietsbrug op de
Euregioweg naar beneden heeft gegooid, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij deze stoeptegel op de door [slachtoffer 1] bestuurde auto met voornoemde inzittende terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
in de periode van 23 januari 2024 tot en met 24 januari 2024, te Landgraaf
openlijk, te weten, aan de Hompertsweg en/of Euregioweg meermalen in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een Volkswagen Golf en/of een Suzuki Alto door een stoeptegel en een zwaar stenen voorwerp op een Volkswagen Golf en/of een Suzuki Alto te gooien.
De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 en feit 2
eendaadse samenloop van:
medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf en/of de maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De verdachte was ten tijde van de feiten 18 jaar oud. De officier van justitie is van oordeel dat op de verdachte het volwassenenstrafrecht van toepassing is. Er is geen aanleiding meer het jeugdstrafrecht toe te passen. Op basis van haar bewijsstandpunt vordert de officier van justitie een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 416 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Omdat de verdachte 34 dagen in voorarrest heeft doorgebracht, zal hij dan niet verder van zijn vrijheid beroofd worden. Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf van 160 uren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen en rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak met een uitspraak zou moeten zijn afgerond. In elk geval moet hem geen vrijheidsstraf worden opgelegd van langere duur dan het voorarrest.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich in groepsverband schuldig gemaakt aan ernstige delicten. Het betreft pogingen tot doodslag in de nachtelijke uren van 24 januari 2024; de rechtbank beschouwt deze beide feiten als serieuze pogingen anderen van het leven te beroven. Anderen, die voor de verdachte en zijn mededaders volslagen onbekenden waren, maar die de pech hadden net ter plekke te passeren toen voorwerpen van een brug gegooid werden. Iedereen had dat slachtoffer, had die slachtoffers kunnen zijn. De inzittenden van de auto’s die getroffen werden mogen van geluk spreken dat zij ongedeerd zijn gebleven. Zij zijn er zogezegd zonder kleerscheuren vanaf gekomen, maar in geestelijk opzicht is dat niet zo. Slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben te kampen met post-traumatische stress. De aan de auto’s toegebrachte materiële schade is, gezien die enorme gevaarzetting, in wezen bijzaak, maar vertegenwoordigt zeker een aanmerkelijk financieel belang.
De ernst van de feiten zoals bewezen onder feit 1 primair rechtvaardigt het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming. Met een andere of lichtere sanctie kan niet worden volstaan.
In zijn voordeel kan de rechtbank vaststellen dat de verdachte na zijn vrijlating buiten beeld is gebleven van politie en justitie ter zake van vergelijkbare, ernstige delicten. Ter terechtzitting heeft hij spijt betuigd van zijn handelen en uit de rapportage van de reclassering komt een positief beeld naar voren van zijn ontwikkeling onder begeleiding van de jeugdreclassering. Onder de streep kan gezegd worden dat de verdachte, die ten tijde van de feiten 18 jaar was, zich onbezonnen heeft ingelaten met groepsgedrag van leeftijdgenoten, met een ernstige impact, maar waarvoor geen gevaar voor herhaling bestaat.
De rechtbank volgt daarom de reclassering in het advies - welk advies met behulp van het wegingskader adolescenten strafrecht tot stand is gekomen - dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. In de persoonlijkheid van de verdachte is daartoe voldoende aanleiding.
Dat brengt met zich mee dat de vrijheidsstraf maximaal 24 maanden jeugddetentie kan bedragen. Voor de onderhavige feiten acht de rechtbank een jeugddetentie van 450 dagen een gepaste straf, niet tegenstaande het gegeven dat zij minder bewezen acht dan de officier van justitie.
Gelet op zijn leeftijd en mede omdat de verdachte onder de indruk is geweest van zijn voorlopige hechtenis en het moeten dragen van een enkelband, is de rechtbank het eens met de officier van justitie en de verdediging dat de verdachte niet verder van zijn vrijheid beroofd zou moeten worden. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken dat de redelijke termijn, waarbinnen een strafzaak van een jeugdige zou moeten worden afgerond met een uitspraak (16 maanden), met ruim een jaar is overschreden. De rechtbank zal daarom volstaan met een jeugddetentie waarvan het onvoorwaardelijk deel niet langer is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Gelet op de ernst van de feiten is er wel aanleiding daarnaast een forse taakstraf op te leggen.
Alles afwegend zal aan de verdachte een jeugddetentie worden opgelegd voor de duur van 450 dagen, waarvan 416 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast zal de rechtbank een werkstraf opleggen van 100 uren.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 2.493.43 euro ter zake van feit 1. De vordering betreft materiële schade (eigen risico zorgverzekering) en immateriële schade (smartengeld).
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 3.385,- euro ter zake van feit 1. De vordering betreft materiële schade (eigen risico zorgverzekering) en immateriële schade.
De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 12.483,43 euro ter zake van feit 2. Dit betreft (materiële) schade met betrekking tot een Volkswagen Golf, die door het gooien met een steen beschadigd werd. De benadeelde partij vordert de reparatiekosten en een bedrag in verband met de waardevermindering van de auto.
Deze benadeelde partijen worden bijgestaan door mr. B. Leemhuis en hebben verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen, het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en verzocht aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Daarnaast vorderen zij een vergoeding voor gemaakte proceskosten.
De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 1.482,25 euro ter zake van feit 2. Het betreft (materiële) schade aan een Suzuki Alto, waarop een steen is gegooid. De benadeelde partij heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en verzocht aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De benadeelde [slachtoffer 5] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 3.000,- euro. De vordering betreft immateriële schade ter zake van feit 3. De benadeelde partij heeft verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen, het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en verzocht aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] volledig kunnen worden toegewezen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] kan slechts worden toegewezen tot een bedrag van 2.263,10 euro, omdat de post eigen risico niet volledig met stukken onderbouwd is.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] kan ook slechts gedeeltelijk worden toegewezen. De verzekeraar heeft deze benadeelde partij al schadeloos gesteld door de reparatiekosten van de auto te vergoeden, zodat die schade niet ook nog in het strafproces kan worden gevorderd. Alleen de waardevermindering van de auto, een bedrag van 1.490,- euro, komt voor vergoeding in aanmerking.
De toe te wijzen bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente. De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor de schade en aan de verdachte moet tevens de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Alleen al om die reden moeten de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard. Wanneer de rechtbank tot een bewezenverklaring oordeelt, heeft de raadsvrouw de vorderingen deels betwist en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.
De raadsvrouw heeft de vordering in zoverre betwist dat zij onderbouwing mist ter zake van de post eigen risico in verband met een intake (230,24 euro).
Gelet op deze betwisting en de constatering van de rechtbank dat de vordering op dit punt geen onderbouwing bevat, zal de vordering voor geleden materiële schade (eigen risico van de zorgverzekering) worden toegewezen tot een bedrag van 263,19 euro en voor het meergevorderde (230,24 euro) zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
Ten aanzien van het gevorderde bedrag aan immateriële schade is de vordering niet door de verdediging weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar.
De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededaders aansprakelijk voor de schade.
Het toe te wijzen bedrag van 2.263,19 euro moet worden vermeerderd met de wettelijke rente (vanaf de datum van indienen van de vordering - voor zover de materiële schade na de pleegdatum is ontstaan - dan wel vanaf de pleegdatum) en de rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opleggen.
Voorts zal de rechtbank een bedrag van 434,- euro toekennen aan proceskosten, begroot overeenkomstig het Liquidatietarief kanton per 1 februari 2026, waarbij een salaris van 217,- euro wordt toegekend, te vermeerderen met 2 punten (1 punt voor het indienen en 1 punt voor de behandeling ter terechtzitting).
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd.
De vordering is door de raadsvrouw niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar.
De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededaders aansprakelijk voor deze schade.
Het toe te wijzen bedrag van 3.385,- euro moet worden vermeerderd met de wettelijke rente (vanaf de datum van indienen van de vordering - voor zover de materiële schade na de pleegdatum is ontstaan - dan wel vanaf de pleegdatum) en de rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opleggen.
Voorts zal de rechtbank een bedrag van 506,- euro toekennen aan proceskosten, begroot overeenkomstig het Liquidatietarief kanton per 1 februari 2026, waarbij een salaris van 253,- euro wordt toegekend, te vermeerderen met 2 punten (1 punt voor het indienen en 1 punt voor de behandeling ter terechtzitting).
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.
De raadsvrouw heeft de vordering in zoverre betwist dat zij vindt dat er geen grond is de reparatiekosten in het strafproces toe te kennen, omdat de verzekering die schade al heeft vergoed.
De vordering is door de raadsvrouw niet weersproken ten aanzien van de waardevermindering en de extra premie die de benadeelde moete betalen vanwege een terugval in schadevrije jaren door de ingediende claim.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat er geen grond is de reparatiekosten (10.993,43 euro) toe te wijzen. Uitgangspunt is dat het een benadeelde vrijstaat de benadeelde partij aansprakelijk te stellen dan wel de schade te claimen bij de verzekeraar. Nu gekozen is de schade te laten vergoeden door de verzekering, kan die schade niet ook nog in het strafproces worden gevorderd. Daaraan kan niet afdoen dat, zoals namens de benadeelde partij is aangevoerd, met de verzekeraar de afspraak is gemaakt, dat de verzekeraar met terugwerkende kracht geen premieverhoging zal toepassen als de reparatiekosten worden teruggestort, nadat die door de verdachte zijn vergoed. Dit alles laat bovendien onverlet dat een verzekeraar die uitgekeerd heeft zelf vergoeding van schade kan (trachten te) verhalen op de aansprakelijke(n).
De premieverhoging (794,27 euro) vormt wel extra schade, net als de waardevermindering van de auto als gevolg van (het moeten repareren van) de schade (1.490,- euro). Die schade zal door de verdachte en zijn mededaders moeten worden vergoed nu zij daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk zijn. Omdat de vordering op die twee punten ook niet is betwist door de verdediging en de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar tot een bedrag van 2.284,27 euro. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.
Het toe te wijzen bedrag van 2.284,27 euro moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opleggen.
Voorts zal de rechtbank een bedrag van 864,- euro toekennen aan proceskosten, begroot overeenkomstig het Liquidatietarief kanton per 1 februari 2026, waarbij een salaris van 432,- euro wordt toegekend, te vermeerderen met 2 punten (1 punt voor het indienen en 1 punt voor de behandeling ter terechtzitting).
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd.
De vordering is door de raadsvrouw niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar.
De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededaders aansprakelijk voor deze schade.
Het toe te wijzen bedrag van 1.482,25 euro moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opleggen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]
Nu aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld gelet op de vrijspraak van feit 3, zal de rechtbank deze benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 63, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 3 primair en feit 3 subsidiair;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte voor de hiervoor bewezenverklaarde feiten tot een
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
  • veroordeelt de verdachte voor de hiervoor bewezenverklaarde feiten tot
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;
Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
  • wijst de vordering van
  • bepaalt dat de benadeelde partij ter zake van het meergevorderde aan materiele schade niet-ontvankelijk is in de vordering;
  • veroordeelt de verdachte tevens in
  • legt aan de verdachte ter zake van feit 1 primair hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van 2.263,19 euro, waarvan 2.000,- ter zake van immateriële schade, de materiële schade ad 263,19 euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2026 tot aan de dag van volledige voldoening en de immateriële schade ad 2.000,- euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
  • bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
  • bepaalt dat indien door (een van) zij mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
  • wijst de vordering van
  • veroordeelt de verdachte tevens in
  • legt aan de verdachte ter zake van feit 1 primair hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van 3.385,- euro, waarvan 3.000,- euro ter zake van immateriële schade, de materiële schade ad 385,- euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2026 tot aan de dag van volledige voldoening en de immateriële schade ad 3.000,- euro met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
  • bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
  • bepaalt dat indien door (een van) zij mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
  • wijst de vordering van
  • wijst de vordering ter zake van het meer of anders gevorderde af;
  • veroordeelt de verdachte tevens in
  • legt aan de verdachte ter zake van feit 2 hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van 2.284,27 euro (materiele schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
  • bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
  • bepaalt dat indien door (een van) zij mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
  • wijst de vordering van
  • veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door deze benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot op heden op nihil;
  • legt aan de verdachte ter zake van feit 2 hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] van een bedrag van 1.482,25 euro (materiele schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
  • bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
  • bepaalt dat indien door (een van) zij mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
  • bepaalt dat
  • veroordeelt deze benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Voorlopige hechtenis:
- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.A. Ferwerda, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en
mr. L.H.M. Geuns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 juli 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 24 januari 2024, te Landgraaf, meermalen, althans eenmaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, telkens een steen en/of een stoeptegel, althans een zwaar stenen voorwerp vanaf een (fiets)brug op de
Euregioweg naar beneden te gooien en/of laten vallen, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij deze steen en/of stoeptegel, althans het zware stenen voorwerp op de auto van [slachtoffer 4] met voornoemde inzittenden en/of op de door [slachtoffer 1] bestuurde auto met voornoemde inzittenden terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 januari 2024, te Landgraaf, meermalen, althans eenmaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, telkens een steen en/of een stoeptegel, althans een zwaar stenen voorwerp vanaf een (fiets)brug op de Euregioweg naar beneden te gooien en/of laten vallen, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij deze steen en/of stoeptegel, althans het zware stenen voorwerp op de auto van [slachtoffer 4] met voornoemde inzittenden en/of op de door [slachtoffer 1] bestuurde auto met voornoemde inzittenden terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij in of omstreeks de periode van 23 januari 2024 tot en met 24 januari 2024, te Landgraaf
openlijk, te weten, aan de Einsteinstraat en/of Hompertsweg en/of Euregioweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, meermalen in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten een verkeersbord en/of een Fiat Puncto en/of een Volkswagen Golf en/of een Suzuki Alto door:
- voornoemd verkeersbord op de weg te gooien en/of
-met eieren en/of sinaasappelen en/of levensmiddelen op een Fiat Puncto te gooien en/of
- door een steen en/of een stoeptegel en/of een zwaar (stenen) voorwerp op een Volkswagen Golf en/of een Suzuki Alto te gooien;
(art 141 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht)
3
hij op of omstreeks 24 november 2023, in de gemeente Landgraaf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 5] opzettelijk van het leven te beroven, een stuk hout in de vorm van een steen, althans een zwaar voorwerp vanaf een voetgangersbrug naar beneden te gooien en/of te laten vallen, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij dit stuk hout, althans het zware voorwerp op de door [slachtoffer 5] bestuurde auto terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 november 2023, in de gemeente Landgraaf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een stuk hout in de vorm van een steen, althans een zwaar voorwerp vanaf een voetgangersbrug naar beneden te gooien en/of te laten vallen, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij dit stuk hout, althans het zware voorwerp op de door [slachtoffer 5] bestuurde auto terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
(art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
Bijlage II: de bewijsmiddelen [1]
De voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden zijn gebaseerd op de hierna weergegeven bewijsmiddelen. Daarbij wordt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts gebezigd wordt voor bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.
De verklaring van de verdachte ter terechtzittingop 10 juni 2026, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Ik was met de anderen aanwezig op de fietsbrug bij de Staringstraat om 23:20 uur op 23 januari 2026. Ik weet dat het verkeersbord naar onderen gegooid is. Het klopt ook dat wij eieren gegooid hebben vanaf deze brug.
Het zou kunnen dat ik rond 01:00 uur bij de fietsbrug bij de Hompertsweg was. Dat was dan het eerste incident met een steen. Het klopt dat [medeverdachte 1] mij en [medeverdachte 2] heeft afgezet. We waren uitgestapt om eieren te gooien. [medeverdachte 2] heeft een steen gepakt en naar onder gegooid. Ik stond daar een stukje vanaf. Ik heb toen [medeverdachte 2] de steen opraapte met [medeverdachte 1] gebeld. Na het gooien van de steen zijn [medeverdachte 2] en ik naar de auto van [medeverdachte 1] gerend.
Het klopt dat ik rond 01:20 uur weer met [medeverdachte 2] ben uitgestapt bij de fietsbrug bij de Hompertsweg. Ik ben weer met [medeverdachte 1] gaan bellen en het klopt dat ik het gooien van de steen gefilmd heb en het klopt dat ik het filmpje gedeeld heb. We zijn daarna naar de slachtoffers gegaan. Ik heb op weg naar de fietsbrug de steen die [medeverdachte 2] heeft gegooid in de auto gezien. Het klopt dat door [medeverdachte 2] gezegd is dat hij terug wilde om een tweede steen te gooien.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 885 e.v. inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd de verklaring van de verdachte:
M: Zoals gister wellicht verteld is hebben wij veel onderzoek gedaan naar dit incident. Zo hebben wij de historische verkeersgegevens van jullie telefoons opgevraagd. Daarin zagen wij dat het telefoonnummer [gsm-nummer 1] , behorende bij [medeverdachte 1] , telefonisch contact had met telefoonnummer [gsm-nummer 2] Dit is jouw telefoonnummer Het telefonisch contact was op 24 januari 2024 vanaf 00.58.47 uur tot 01.00.48 uur.
Vervolgens volgt er een tweede moment van telefonisch contact, tussen dezelfde nummers. Dit telefonisch contact was op 24 januari 2024 vanaf 01.01.02 uur tot 01.02.02 uur.
Deze tijdstippen komen overeen met de tijdstippen van het eerste incident waarbij een steen naar beneden is gegooid.
V: Waarom had jij op dat moment telefonisch contact met [medeverdachte 1] ?
A: Ik denk om te zeggen dat die naar de andere kant moest rijden en dat [medeverdachte 2] die steen wilde gooien. Dit durf ik niet met zekerheid te zeggen, maar denk het wel.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] , p. 492, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op 23 januari 2024, kregen wij de melding te gaan naar de Euregioweg, ter hoogte van de fietsbrug van de Staringstraat. Hier zou de melder, rijdend over de Euregioweg, bekogeld zijn met eieren. De melder had hierbij aangegeven dat er een verkeersbord op de weg zou liggen, waarop deze wilde uitstappen, om dit verkeersbord aan de kant te zetten.
Tijdens het uitstappen is deze melder en diens auto dan vanaf de bovenzijde van de brug door vier jongeren bekogeld.
Ter plaatse op de Euregioweg troffen wij een verkeersbord op de weg, aan de zijde van de middenberm, welke de weg met de grasstrook scheidt. Wij zagen dat het verkeersbord, een diagonaal strepend rood/wit schild was, welke bevestigd is op een stenen rechthoekig standaard, welke gebruikt wordt op een gedeelte van een weg af te zetten. Wij zagen dat dit schild plat op grond lag, met de bevestigingsstuk van het schild op de middenberm en het bord op de rijbaan. Tevens zagen wij in een cirkel van circa 1,5 meter van het bord meerdere kleine stukken van eierschalen.
Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 494 en 495, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd de verklaring van [naam 1] :
Ik, verbalisant [naam verbalisant 3] , verklaar het volgende. Op vrijdag 26 januari 2024 verhoorde ik de getuige [naam 1] . De getuige verklaarde:
Op dinsdagavond, omstreeks 23.40 uur, zat ik, samen met mijn vriendin [naam 2] en een vriend genaamd [naam 3] in mijn auto, een Fiat Punto, voorzien van het kenteken [nummer kenteken] . Ik was bestuurder. Wij reden op dat moment op de Euregioweg te Landgraaf/Heerlen. Wij kwamen vanaf de rotonde met de Einsteinstraat in Landgraaf
en reden in de richting van de Heerlerbaan. Ik zag achter de gele brug een verkeersbord liggen. Het betrof een verkeersbord van wegwerkzaamheden. Deze lag midden op de weg.
Op het moment dat ik onder de brug doorreed hoorde ik minimaal twee tikken. Ik hoorde dat het geluid echt van de auto vandaan kwam. We zagen dat er op dat moment iets op de voorruit van de auto kapot spatte. Op dat moment zag ik ook de schaal van eieren.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 4] , p. 429 e.v.. en in het bijzonder p. 472 t/m 474, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op 21 maart 2024, onderzocht ik, [naam verbalisant 4] , het verkregen extractierapport van de inbeslaggenomen mobiele telefoon van de verdachte [medeverdachte 3] . In de extractie wordt de tijd weergegeven in Coordinated Universal Tim (UTC). Daar weer men leest “UTC + 0” betreft de daadwerkelijke tijd in UTC. Nederland valt tijdens de winter in tijdzone “UTC + 1”. De vermeende strafbare feiten zijn gepleegd toen de wintertijd in Nederland actief was. Er moet daarom bij de UTC + 0 tijd één uur bijgeteld worden.
Ik trof in het toestel een groepschat aan, dat ook werd aangetroffen in de onderzoeken van de onder medeverdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] inbeslaggenomen mobiele telefoons. In het onderzochte toestel werd berichtenverkeer aangetroffen via Snapchat tussen de gebruikers:
[gebruikersnaam 1] , [gebruikersnaam 2] [medeverdachte 3] (owner), [gebruikersnaam 3] , [gebruikersnaam 4] , [gebruikersnaam 5] , [gebruikersnaam 6] . Gerelateerd onder het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer LB2R024007-159 werden de gebruikers van deze accounts geïdentificeerd als zijnde:
[naam 4] , [medeverdachte 3] , [naam 5] , [medeverdachte 1] .
Gerelateerd onder het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer LB2R024007-166, werd de gebruiker van het account [gebruikersnaam 3] geïdentificeerd als de verdachte [medeverdachte 2] .
Op 23 januari 2024, om 21:56:50 (UTC + 0) (daadwerkelijke tijd 22:56:50 uur) plaatst [medeverdachte 2] onderstaande afbeelding in de groepschat.
Afbeelding
Op de afbeelding herkende ik [medeverdachte 2] .
Op 23 januari 2024, om 22:20:39 (UTC + 0) (daadwerkelijke tijd 23:20:39 uur) plaatst [medeverdachte 1] onderstaand videobestand in de groepschat. Ik opende het videobestand. Ik zag dat de filmer zich kennelijk op een brug bevond. Ik zag dat er een personenauto werd gefilmd, die de brug naderde over de onder de brug doorgaande weg. Op het moment dat de personenauto bijna onder de brug doorreed, hoorde ik een klap en werd er door meerdere personen gelachen. Buiten de filmer bevonden zich nog twee personen op de brug.
Op 23 januari 2-24, om 22:42:23 (UTC + 0) (daadwerkelijke tijd 23:42:23 uur) plaatst [medeverdachte 1] onderstaande afbeelding in de groepschat:
Afbeelding
Het proces-verbaal aangifte, met fotobijlage, p. 502 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd de verklaring van aangeefster [slachtoffer 4] :
Ik wens aangifte te doen van poging doodslag, dan wel poging zware mishandeling en vernieling van mijn personenauto, merk Suzuki, type Alto. Op 24 januari 2024, tussen 01.05 uur en 01.10 uur reed ik samen met [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] op de Euregioweg te Landgraaf. Ik trad op dat moment op als bestuurster.
Ter hoogte van de Euregioweg, hectometer 5.3 rechts, reed ik onder een voetgangers fietsbrug door. Op dat moment hoorde ik een keiharde knal op het dak van mij auto. Ik had direct door dat er iets vanaf deze voetgangersbrug op mijn auto was gegooid. Ik ben
niet gelijk gestopt, omdat ik op een 70 km/u weg reed op dat moment. Ik ben doorgereden naar een woonwijk om daar mijn auto te bekijken op schade. Toen ik vervolgens mijn auto had geparkeerd ben ik uitgestapt en zag ik direct enorme schade op het dak aan de achterzijde van mijn auto. Gezien deze schade moet het haast wel dat er een zwaar voorwerp vanaf de brug op mijn auto is gegooid. Mijn auto is namelijk ingedeukt en bekrast. Tevens zag ik dat het derde remlicht door de klap scheef is komen te zitten en niet meer werkt.
Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 511, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd, de verklaring van [slachtoffer 7] :
Eenmaal gestopt zag ik schade aan het dak van de auto. Ik zag een deuk aan het einde van het dak, ik zag dat er veel gruis van een steen lag en dat de strip van de rem lamp los hing. Ook zag ik dat er flinke lakschade was. Ik zag namelijk een grote witte schaaf. Deze viel mij direct op. Het leek of dat ook was, dat de steen doorgeschoven was. Ook zag ik dat de tankdop, aan de linkerzijde van de auto, open was gesprongen. Ik denk dat dit van de klap is geweest.
Het proces-verbaal aangifte, p. 525, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd de verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik wens aangifte te doen ter zake poging doodslag als dan niet poging zware mishandeling. Ik trad vandaag, 24-01-2024, omstreeks 01.20 uur op als bestuurder van een grijze Volkswagen Golf. Ik reed over de Euregioweg 5.3r te Landgraaf in de richting van Heerlen. Naast mij zag mijn vriendin [slachtoffer 2] . Ter hoogte van de aldaar gelegen fiets/voetgangersbrug viel opeens een grote steen op de voorruit van de auto. De voorruit implodeerde en overal ligt glas in de auto. Gelukkig heb ik de auto op de weg kunnen houden en ben ik niet van de schrik tegen de muur o.i.d. aangereden. De gehele voorzijde van de auto is beschadigd.
De kennisgeving van inbeslagneming, p. 537, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Plaats: Euregioweg, Landgraaf
Datum en tijd: 24 januari 2024 te 01:36 uur
Object: Steen
Merk/type: Vierkante Straatsteen
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 5] , p. 540, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op 20 februari 2024 was ik belast met het onderzoek naar de poging doodslag, welke gepleegd was op 24 januari 2024. Bij het tweede incident, welke plaatsvond omstreeks 01.20 uur, werd een steen inbeslaggenomen die gegooid was op een personenauto. Ik onderzocht de afmetingen en het gewicht van de steen. Ik woog de steen. De steen woog 7,866 kilogram
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 6] , p. 157 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Door het onderzoeksteam is een verdenking ontstaan richting verdachte [medeverdachte 1] , [voornaam medeverdachte 1] . Bij het onderzoeksteam zijn een drietal telefoonnummers naar voren gekomen die door genoemde verdachte gebruikt kunnen worden. Dit betreffen de telefoonnummer:
+ [nummer 1] .
Op 24 januari 2024 om 00:58:47 uur valt het telefoonnummer + [gsm-nummer 3] onder bereik van cellid 204-04-20713-27298337, gelegen op de Melcherstraat te Landgraaf. Dit betrof een inkomend gesprek voor de duur van 02:01 minuten van telefoonnummer + [gsm-nummer 4] .
Om 01:01:02 uur valt het telefoonnummer + [gsm-nummer 3] onder het bereik van cellid 20404-20715-27316749, gelegen op de Moltweg te Landgraaf. Dit betrof een inkomend gesprek voor de duur van 01:00 minuut van telefoonnummer + [gsm-nummer 4] .
Om 01:20:23 uur valt het telefoonnummer + [gsm-nummer 3] onder het bereik van cellid 20404-20713-25817887, op de Moltweg te Landgraaf. Dit betrof een inkomend gesprek voor de duur van 48 seconden van telefoonnummer + [gsm-nummer 4] .
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 3] , p. 196 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op 19 februari 2024 is door mij een onderzoek ingesteld naar een mobiele telefoon. De telefoon was voorzien van het telefoonnummer + [gsm-nummer 4] . Ik zag dat het toestel voorzien was van de Apple ID [email-adres] . Ik zag diverse useraccounts met de naam [verdachte] .
Om 01.21.14 uur werd een video geupload op Snapchat. Deze video is genaamd
[naam video] .
Dit betreft een video waarbij te zien is dat een persoon, in donker gekleed met witte schoenen een vierkante steen van een brug afgooit. Ik zie dat de reling van deze brug overeenkomt met de brug alwaar op 24 januari 2024 een of meerdere stenen af werden gegooid.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 7] , p. 200 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Beelden 2 01.21.14
Ik zag dat de beelden opgenomen waren in het donker. Ik zag dat de beelden 5 seconden duurden.Ik zag dat de beelden gefilmd waren op een brug. Ik zag op de beelden een persoon bij de railing van de brug staan. Ik zag dat de persoon in het donker gekleed was en witte schoenen aan had. Ik zag dat er een auto onder de brug doorreed Ik zag dat het een auto was omdat ik de koplampen en de achterlichten van de auto zag. Ik zag dat de persoon op de brug een voorwerp met zijn rechterhand van de grond oppakte.
Ik zag dat de persoon het voorwerp met twee handen vastpakte. Ik zag dat het voorwerp grijs en vierkant was. Ik zag dat het voorwerp zo groot was als een stoeptegel. Ik zag dat de persoon het voorwerp met beide handen over de railing van de brug gooide. Ik zag dat ten tijden dat het voorwerp over de railing werd gegooid onder in beeld een auto onder de brug doorreed. Ik zag namelijk de koplampen en de achterlichten van een auto.
Ik hoorde een doffe klap op het moment dat het voorwerp naar beneden werd gegooid.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [naam verbalisant 8] en [naam verbalisant 9] , p. 117 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Naar aanleiding van twee pogingen doodslag op 24 januari 2024 omstreeks 01:05 uur en 01:20 uur, werd een onderzoek ingesteld. Tijdens deze incidenten werd 2 keer een zwaar voorwerp op een passerende auto gegooid vanaf de fietsbrug, gelegen tussen de Hompertsweg en de sint Barbarastraat in de gemeente Heerlen. Rijdend over de Euregioweg werd een van voertuigen geraakt door een stoeptegel en het ander voertuig werd geraakt door een onbekend gebleven zwaar voorwerp. Naar aanleiding van bovenstaande werd een onderzoek ingesteld en werden camerabeelden in de omgeving van de plaats delict gevorderd.
Hieronder volgt de beschrijving van de gevorderde beelden, afkomstig van de [adres 2] te Landgraaf.
01:00:20 uur:
Een personenauto rijdt over de Hompertsweg in Landgraaf, komende uit de richting van de
Euregioweg te Heerlen. Deze personenauto rijdt vervolgens vanaf de Hompertsweg het doodlopende deel van de straat in, gelegen voor de huisnummers Hompertsweg [nummers] . Vanuit het doodlopende deel kunnen voetgangers en fietsers gebruik maken van de fietsbrug over de Euregioweg.
01:00:34 uur:
De personenauto verdwijnt rechts uit beeld in de richting van de fietsersbrug over de Euregioweg.
01:00:59 uur:
De personenauto verschijnt weer in beeld. Gezien het doodlopende karakter van de straat kan het niet anders dan dat het voertuig buiten beeld gekeerd is voor de fietsersbrug.
01:00:59 uur:
De personenauto gaat stil staan ter hoogte van perceel [adres 2] .
01:02:00 uur:
De verlichting van de personenauto werd gedoofd.
01:05:37 uur:
Een voertuig (lichtbundel/koplampen) nadert de rotonde over de Euregioweg, komende uit de richting van Kerkrade, rijdend in de richting van de fietsbrug. De voornoemde donkerkleurige personenauto staat nog steeds met gedoofde verlichting.
01:05:51 uur:
Twee donker geklede personen rennen vanuit de richting van de fietsbrug naar de personenauto. Beide personen staan dicht bij elkaar naast het voertuig aan de passagierszijde, waardoor in de indruk ontstaat dat beide personen door hetzelfde portier instappen. De personenauto ontsteekt de verlichting en rijdt direct weg, nadat beide personen zijn ingestapt.
01:16:30 uur:
Een donkerkleurige personenauto rijdt uit de richting van de Euregioweg over de Hompertsweg om vervolgens het doodlopende deel van de Hompertsweg in te rijden. Deze personenauto stopte ter hoogte van perceel Hompertsweg 30.
Gezien deze uiterlijke kenmerken van dit voertuig betreft dit met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid hetzelfde voertuig dat even eerder die dag, tussen 01:00:20 en 01:05:51 uur werd waargenomen op deze locatie.
01:16:53 uur:
Twee donker geklede personen stappen uit de personenauto. Hierbij is op de bewegende beelden goed te zien dat beide personen uitstappen uit hetzelfde portier aan de bijrijderszijde.
Beide personen lopen in de richting van de fietsbrug en verdwijnen rechts uit beeld.
01:17:15 uur:
Het voertuig rijdt achteruit en keert op de oprit van de [adres 2] .
01:17:30 uur:
De personenauto gaat stil staan ter hoogte van perceel [adres 2] .
01:21:31 uur:
Er komen twee donker geklede personen aanrennen vanuit de richting van de fietsbrug. Beide personen rennen naar de geparkeerde personenauto. Zij gaan dicht op elkaar staan aan de rechterzijde van de personenauto. Een van de personen opent het portier van de bijrijder.
Vermoedelijke stappen beide personen in via hetzelfde portier aan de bijrijderszijde.
01:21:40 uur:
De personenauto rijdt weg, nadat beide personen zijn ingestapt.
.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Einddossier Chewbacca, proces-verbaalnummer LB2RO24007-40, gesloten d.d. 26 mei 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1472.