ECLI:NL:RBLIM:2026:7502

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
03.059392.24
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot jeugddetentie en werkstraf voor pogingen tot doodslag door gooien van stenen vanaf brug

Op 24 januari 2024 gooide de verdachte samen met anderen stenen en een stoeptegel vanaf fietsbruggen in Landgraaf op passerende auto’s, waarbij de inzittenden het leven hadden kunnen verliezen. De rechtbank achtte bewezen dat sprake was van twee pogingen tot doodslag en openlijk geweld. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld voor medeplegen van een ontploffing met een Cobra op een auto en vernieling van autospiegels.

De verdachte was ten tijde van de feiten 19 jaar oud, maar de rechtbank paste het jeugdstrafrecht toe vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en positieve ontwikkeling. De opgelegde straf bestaat uit 540 dagen jeugddetentie, waarvan 506 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 150 uur. De verdachte hoeft niet opnieuw in detentie omdat hij al 34 dagen in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank wees de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen grotendeels toe, waarbij de verdachte hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld. Een deel van de vorderingen werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs of omdat de schade reeds door verzekeraars was vergoed. De verdachte werd vrijgesproken van het gooien van een zwaar houten blok op een auto op 24 november 2023 wegens onvoldoende bewijs.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 540 dagen jeugddetentie (506 voorwaardelijk) en 150 uur werkstraf voor medeplegen van pogingen tot doodslag en andere strafbare feiten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.059392.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboortegevens] 2004,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.M. Kurvers, advocaat te Roermond.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen.
De zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaken tegen medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] , met parketnummers 03.059393.24 en 03.059394.24.
De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 9 juli 2026, waarna de uitspraak op heden is bepaald.
De slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. De benadeelde partijen zijn op de zitting gehoord en werden bijgestaan door mr. E.H.H. van Lieshout, waarnemend voor mr. B. Leemhuis. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.
De slachtoffers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben zich eveneens als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partijen zijn niet verschenen. De rechtbank heeft hun vorderingen tot schadevergoeding behandeld.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht (Bijlage I). De verdenking komt erop neer dat de verdachte:
- samen met anderen geprobeerd heeft de inzittenden van drie auto’s te doden dan wel zwaar te mishandelen door stenen dan wel een stuk hout op die auto’s de gooien (feit 1 en feit 3);
- openlijk geweld heeft gepleegd door een verkeersbord op de weg te gooien en door voorwerpen op auto’s te gooien (feit 2)
- samen met anderen een vernieling heeft gepleegd aan een auto op 8 februari 2024 (feit 5) en samen met anderen op 17 februari 2024 een ontploffing teweeg heeft gebracht door een Corbra aan te steken op de motorkap van diezelfde auto, waardoor gevaar voor goederen te vrezen was (feit 4).

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht alle feiten bewezen.
De verdachte heeft samen met drie anderen op 23 en 24 januari 2024 voorwerpen gegooid vanaf fietsbruggen over de Euregioweg in Landgraaf. Er werd eerst een geleidebaken gegooid, op 23 januari 2024 omstreeks 23:20 uur. Een passerende auto werd vervolgens met eieren bekogeld. Later, 24 januari 2024 om 01:05 uur en 01:20 uur, werden stenen gegooid naar twee passerende auto’s. Die auto’s werden geraakt, op het dak respectievelijk de voorruit. Er was zo sprake van openlijk geweld en van (telkens) een poging doodslag op de inzittenden van deze laatste twee auto’s, die, gelukkig, ongedeerd zijn gebleven (feit 1 primair en feit 2).
Uit het bewijs volgt dat de verdachte degene is geweest die op 24 januari 2024 de stenen heeft gegooid. Dat pleit de anderen echter niet vrij. Dat geldt ook voor het gooien van de andere voorwerpen. De verdachten kwamen gezamenlijk op ideeën, hebben ieder een rol gehad en hebben nauw en bewust met elkaar samengewerkt. De officier van justitie ziet de verdachten daarom als medeplegers van twee pogingen tot doodslag en plegers van openlijk geweld.
Volgens de officier van justitie hebben [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 1] en [verdachte] zo ook gezamenlijk op 24 november 2023 een zwaar houten blok op een passerende auto gegooid. Ook dat feit levert een poging doodslag op (feit 3 primair).
Op 8 februari 2024 heeft de verdachte spiegels vernield van een auto (feit 5). Op 17 februari 2024 werd de eigenaar van diezelfde auto wederom de dupe van het gedrag van de verdachte en (minstens) twee medeverdachten. De verdachte heeft samen met [naam 17] een Cobra op de voorruit van de auto tot ontploffing gebracht. Die Cobra was geregeld door medeverdachte [naam medeverdachte 2] . Verdachte was niet degene die de Cobra aanstak en plaatste, maar moet evengoed als medepleger worden beschouwd. Dit feit levert het misdrijf op van artikel 157 Sr Pro: het teweegbrengen van een ontploffing waarvan gevaar voor goederen te duchten was (feit 4).
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gedeeltelijk gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ter zake van feit 1. Deze referte betreft het incident van 24 januari 2024 om 01:20 uur. De verdachte heeft bekend een stoeptegel te hebben gegooid op de auto van slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Over het eerdere incident van 01:05 uur die nacht is te veel onduidelijk volgens de raadsvrouw. Met name kan niet worden vastgesteld dat er überhaupt een zwaar voorwerp is gegooid op de auto van slachtoffers [slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] . Het zou evengoed een pak meel kunnen zijn geweest. Bovendien ontkent de verdachte dat hij aanwezig was. Hij moet daarom van dit feit, en ook gedeeltelijk van feit 2 - het openlijk geweld - worden vrijgesproken.
Ook moet de verdachte worden vrijgesproken van feit 3, de poging doodslag van 24 november 2023. De verdachte ontkent dit feit. Medeverdachte [naam medeverdachte 2] heeft de verdachte aangewezen als dader, maar er moet rekening mee worden gehouden dat deze verdachte de schuld probeert af te schuiven.
Ten aanzien van de feiten 4 en 5 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Aan de verdachte worden ernstige verwijten gemaakt. Een aantal feiten en omstandigheden is zonder problemen vast te stellen. Er zijn strafbare feiten gepleegd: daarvoor is voldoende bewijs. De inhoud van het voor de rechtbank relevante bewijs is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis (Bijlage II).
Feiten 1 en 2: het gooien van voorwerpen van bruggen over de Euregioweg
De rechtbank zal eerst de feiten bespreken van 23 en 24 januari 2024. De feiten 1 en 2 lenen zich daarbij voor gezamenlijke bespreking. Daarna komen de andere feiten aan de orde.
Een substantieel deel van het proces-verbaal van de politie betreft het opsporingsonderzoek gericht op de identificatie van de bij de feiten van 23 en 24 januari 2024 betrokken personen. De verdachte, medeverdachten [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 3] , een minderjarige wiens zaak op een later moment behandeld zal worden, hebben erkend dat zij die avond samen waren, dat zij samen in de auto van de medeverdachte [naam medeverdachte 2] hebben gezeten en samen eieren op auto’s hebben gegooid. De manier waarop zij in het dossier geïdentificeerd werden behoeft daarom geen specifieke bespreking in dit vonnis.
Kort samengevat kan worden vastgesteld dat op 23 januari 2024 omstreeks 23:20 uur en op 24 januari 2024 om 01:05 uur en om 01:20 uur welbewust voorwerpen zijn gegooid naar passerende auto’s vanaf fietsbruggen over de Euregioweg. Twee auto’s zijn daarbij door een steen geraakt. Bij het incident van 01:05 uur is de steen niet aangetroffen, maar uit de schade aan de Suzuki Alto van aangeefster [slachtoffer 4] en het aantreffen van steengruis leidt de rechtbank af dat er gegooid moet zijn met een steen en, gelet op het schadebeeld, ook een steen van een behoorlijke afmeting en van een behoorlijk gewicht. Het ging naar het oordeel van de rechtbank daarbij niet om een pak meel.
De tweede steen, die om 01:20 uur gegooid werd op de Volkswagen Golf waarin aangever [slachtoffer 1] reed, is wel gevonden. Dit was een stoeptegel van bijna 8 kilo.
Beoordeeld moet worden of het gooien met deze stenen (telkens) een poging tot doodslag oplevert. Als dat niet het geval is, dan moet beoordeeld worden of er sprake is van het subsidiaire verwijt van poging tot zware mishandeling.
De rechtbank is van oordeel dat feit 1 in de primaire variant, de poging tot doodslag in twee gevallen, bewezen kan worden. Zowel de inzittenden van de Suzuki Alto als die van de Volkswagen Golf hadden het leven kunnen laten. Het is een feit van algemene bekendheid dat door het gooien van stenen van een brug op een autoweg (waar je in dit geval 70 km per uur mag rijden) zeer ernstige ongelukken kunnen gebeuren. De kans dat een bestuurder of inzittende van een auto als gevolg van zo’n ongeluk komt te overlijden is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Van die ervaringsregel moet de verdachte zich ook bewust zijn geweest op 24 januari 2024. Het was, naar hun eigen zeggen, niet de uitdrukkelijke bedoeling van de verdachte en medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] een ander te doden, maar met het gooien van stenen onder de omstandigheden van deze zaak hebben zij die aanmerkelijke kans bewust aanvaard en dan is er sprake van voorwaardelijk opzet op dat dodelijke gevolg.
Nu de verdachte heeft bekend dat hij de stoeptegel gegooid heeft, heeft hij zich schuldig gemaakt aan de poging tot doodslag op de inzittenden van de Volkswagen Golf.
De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij eerder, om 01:05 uur een steen heeft gegooid, maar dat wordt weerlegd door de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien. Uit het bewijs volgt dat de verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 1] zich op de fietsbrug hebben bevonden. Op beelden is te zien dat na het treffen van de auto van aangever [slachtoffer 4] twee personen zijn weggerend en zijn ingestapt in de auto van medeverdachte [naam medeverdachte 2] , die zich met zijn auto zo gepositioneerd had dat zij gemakkelijk konden ontkomen. Uit de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 1] volgt ook dat [naam medeverdachte 1] zich samen met de verdachte op de brug bevond en dat het de verdachte was die om 01:05 uur de steen gegooid heeft waarmee de auto van aangever [slachtoffer 4] is geraakt.
Een vervolgvraag is of de verdachte alleen verantwoordelijk is voor de twee pogingen tot doodslag of dat hij deze feiten samen met anderen pleegde. Dat laatste is naar het oordeel van de rechtbank het geval.
Uit het bewijs volgt dat de verdachte samen met [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 1] en nog een vierde (minderjarige) verdachte (wiens zaak op een later moment behandeld zal worden) optrok op de late avond van 23 januari 2024. Hun gezamenlijke voornemen was om eieren te gooien vanaf bruggen naar passerende auto’s en zij waren continu in elkaars gezelschap. [naam medeverdachte 2] was degene met een auto en heeft steeds de anderen vervoerd van en naar de bruggen. [naam medeverdachte 2] plaatste om 23:20 uur een video in de Snapchatgroep waarin de verdachten met elkaar communiceerden. Te zien is dat een auto onder een brug doorreed en op dat moment was een hard klap te horen en er werd gelachen door meerdere personen en “puur geluk” gezegd.
Voor de rechtbank is dit een duidelijk groepsoptreden. De harde klap past overigens niet bij het gooien van eieren, maar van iets anders. Ruim 20 minuten later, enkele minuten nadat aangever [naam 2] een verkeersbord (
de rechtbank leest hier: geleidebaken) zag liggen op de weg, plaatste verdachte [naam medeverdachte 2] een afbeelding van de verdachte die een geleidebaken vasthield. Ook de verdachte plaatste een foto van hemzelf, terwijl hij een geleidebaken vasthield.
De rechtbank trekt daaruit de conclusie dat de verdachten samen, in groepsverband, geweld hebben begaan. Daaraan doet niet af dat niet kan worden vastgesteld wie van hen de harde klap nu veroorzaakte en of dit het geleidebaken betrof dat de verdachte op de foto’s vasthad, maar dat baken is wel rond die tijd op de weg gegooid. De rechtbank kan in het midden laten of het de verdachte was die het gegooid heeft. Het gooien vond, naar het oordeel van de rechtbank, plaats onder aanmoediging van de groep. De groepsleden moedigden elkaar en het geweld aan, ook door het vastleggen en delen van hun actie in de Snapchatgroep. Men lachte, niemand distantieerde zich of sprak een duidelijke afkeuring uit.
Daarna escaleerde het toegepaste geweld verder en werd er overgegaan tot het gooien van stenen. [naam medeverdachte 2] is degene die de verdachte en [naam medeverdachte 1] twee keer afzette en zijn auto - met gedoofde lichten - zo positioneerde dat zij meteen weg konden rijden, waarmee hij een snelle vlucht mogelijk maakte.
Daarbij was er meermalen telefonisch contact tussen [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] die erbij was toen de verdachte de stenen vanaf de brug naar beneden gooide. Deze medeverdachten hebben zich op geen enkel moment gedistantieerd, terwijl daar ruim de gelegenheid voor was. De tweede keer was het [naam medeverdachte 1] die de daad van de verdachte met zijn telefoon vastlegde om vervolgens die video te delen met de anderen.
Dit alles maakt dat de bijdragen van de verdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] aan de feiten zo wezenlijk zijn dat zij als medeplegers moeten worden beschouwd. De rechtbank zal dan ook bewezen verklaren dat de verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan twee afzonderlijke pogingen tot doodslag. In totaal waren daarbij 5 inzittenden van die auto’s het doelwit van het gedrag van de verdachte en zijn mededaders.
Feit 2
De verdachte heeft verklaard dat hij samen met anderen eieren heeft gegooid vanaf de fietsbrug nabij de Staringstraat. Kort daarvoor werd door iemand uit dezelfde groep een geleidebaken vanaf de brug gegooid en later, op voornoemde tijdstippen op 24 januari 2024 werden door de verdachte een steen en een stoeptegel gegooid vanaf de fietsbrug nabij de Hompertsweg in Landgraaf. De verdachte en medeverdachten [naam medeverdachte 2] , [naam medeverdachte 1] en de hiervoor genoemde vierde (minderjarige) medeverdachte hebben al die tijd in elkaars gezelschap verkeerd met het voornemen voorwerpen vanaf bruggen te gooien.
Voor de strafrechtelijke aanpak van dit soort groepsgedrag is bij uitstek artikel 141 Sr Pro in het leven geroepen. Vereist is dat komt vast te staan dat een verdachte een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan wat een ander of anderen uit de groep deden. Die bijdrage leverde de verdachte naar het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank zal ook feit 2 bewezen verklaren, maar moet hierbij een uitzondering maken ten aanzien van het gooien met eieren en met het geleidebaken, nu dit blijkens het dossier en de verklaring van de verdachte heeft plaatsgevonden vanaf de brug bij de Staringstraat; de rechtbank heeft door raadpleging van openbare bronnen vastgesteld dat deze brug en de eronder liggende weg binnen de gemeente Heerlen liggen. Nu alleen ten laste is gelegd dat het gooien met eieren en met het geleidebaken plaatsvond in de gemeente Landgraaf, zal de rechtbank hiervan dus partieel vrijspreken. Deze partiele vrijspraak doet niet af aan de eerdere overweging van de rechtbank dat de eieren en het geleidebaken wel door de groep van de verdachte en zijn medeverdachten van deze brug naar beneden zijn gegooid.
Tenslotte zij nog opgemerkt dat er een overlap is tussen de feiten 1 en 2. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit in het kader van de kwalificatie een eendaadse samenloop oplevert.
Feit 3: vrijspraak
De rechtbank kan uit het dossier opmaken dat de verdachte betrokken is geweest bij het gooien van een voorwerp op de auto van aangever [slachtoffer 5] op 24 november 2023. Het betrof een houten blok in de vorm van een baksteen. De voorruit van de auto was door de impact van de val van dat voorwerp op de autoruit flink gebarsten.
Ook zijn er in het dossier aanwijzingen voor de betrokkenheid van medeverdachte [naam medeverdachte 2] en er zijn overeenkomsten met wat er op 23 en 24 januari 2024 door de groep werd gedaan. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van dit feit moet echter wel worden vastgesteld welke rol de verdachte en (een) ander(en) in deze specifieke zaak hebben gehad en dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen deze personen, dan wel dat moet kunnen worden vastgesteld dat de verdachte zelf het zware voorwerp heeft gegooid.
Het handelen van de verdachten bij de feiten van 23 en 24 januari 2024 kan aan de hand van het bewijs worden vastgesteld, maar ten aanzien van dit feit is het bewijs te fragmentarisch. Weliswaar is er een bewijsmiddel contra de verdachte in de vorm van de belastende verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte 2] , maar gelet op de mogelijkheid dat deze verdachte zichzelf mogelijk buiten schot heeft willen houden en het feit dat uit het dossier ook volgt dat de relatie tussen de verdachte en [naam medeverdachte 2] ernstig verstoord was geraakt, kan de rechtbank niet instaan voor de betrouwbaarheid van [naam medeverdachte 2] op dit punt en kan zij dus niet de overtuiging bekomen dat dit feit door de verdachte, alleen, dan wel in samenwerking met anderen is begaan. Zij zal verdachte daarom vrijspreken.
Feit 4 en feit 5
Uit het bewijs volgt dat op 17 februari 2024, omstreeks 02.05 uur, in Kerkrade een Cobra tot ontploffing is gebracht op de voorruit van de auto van aangever [naam 3] . Op beelden zijn twee personen bij de auto te zien. Een van hen plaatst de Cobra en steekt die aan. Kort daarvoor hebben zij een rolverdeling afgesproken. Die afspraak werd vastgelegd door een ringdeurbel in de buurt. De twee personen konden worden geïdentificeerd: het waren de verdachte en [naam 17] . Te horen is dat er gezegd wordt: “
Als jij hem aansteekt, trap ik een spiegel eraf”. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat het de verdachte was die dit zei en eveneens dat het [naam 17] was die de Cobra kort daarna aanstak.
Uit het bewijs kan verder worden opgemaakt dat in een groepschat over het feit wordt gecommuniceerd. Medeverdachte [naam medeverdachte 2] heeft de Cobra geregeld en een andere deelnemer bevestigt in de groepschat voornoemde rolverdeling: om 01:59 uur stuurt die deelnemer het bericht: [voornaam] (
daarmee doelend op de verdachte)trapt de spiegels ook eraf, als zij die Cobra erop leggen.
De conclusie van de rechtbank luidt gelet op het bewijs dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen de aanslag op de auto van [naam 3] heeft voorbereid en uitgevoerd. De verdachte heeft ter terechtzitting de rechtbank voorgehouden dat hij alleen aanwezig was bij dit feit en geen voornemen had om de auto te beschadigen. Uit zijn verklaring maakt de rechtbank op dat hij mogelijk heeft willen ontkennen dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd, niettegenstaande de referte door zijn raadsvrouw. Dat uit de beelden blijkt dat de verdachte, eenmaal bij de auto, niets doet, maakt het oordeel van de rechtbank echter niet anders. Uit het bewijs volgt dat hij wél een voornemen had de auto te beschadigen en zijn bijdrage is zo substantieel dat die hem, juridisch beoordeeld, tot medepleger van dit feit maakt.
Bewezen kan worden dat de verdachte eerder al, op 8 februari 2024, een vernieling heeft gepleegd aan de auto van [naam 3] . [naam 3] heeft verklaard dat die dag op twee tijdstippen tegen spiegels van zijn auto is getrapt door een en dezelfde persoon. Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting volgt dat hij in elk geval één keer getrapt heeft tegen een van de autospiegels. Aangever heeft op basis van camerabeelden de conclusie getrokken dat het om één en dezelfde dader ging en de rechtbank heeft geen reden aan die conclusie te twijfelen, zodat bewezen kan worden dat de verdachte op beide tijdstippen de auto van aangever heeft beschadigd.
Een onderdeel van het verwijt onder feit 5 kan niet bewezen worden. Dat betreft het medeplegen door een ander of anderen. Dat blijkt niet uit het bewijs. Dat leidt tot een deelvrijspraak.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Feit 1 primair
op 24 januari 2024 te Landgraaf tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] opzettelijk van het leven te beroven, een zwaar stenen voorwerp vanaf een fietsbrug op de Euregioweg naar beneden heeft gegooid en/of heeft laten vallen, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij deze steen op de auto van [slachtoffer 4] met voornoemde inzittenden terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
en
op 24 januari 2024 te Landgraaf tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, een stoeptegel vanaf een fietsbrug op de
Euregioweg naar beneden heeft gegooid, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij deze stoeptegel, op de door [slachtoffer 1] bestuurde auto met voornoemde inzittende terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
in de periode van 23 januari 2024 tot en met 24 januari 2024 te Landgraaf
openlijk, te weten, aan de Hompertsweg en/of Euregioweg meermalen in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een Volkswagen Golf en/of een Suzuki Alto door:
- een stoeptegel en een zwaar stenen voorwerp op een Volkswagen Golf en/of een Suzuki Alto te gooien;
Feit 4
op 17 februari 2024 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door open vuur in aanraking te brengen met een Cobra vuurwerk en op de motorkap van personenvoertuig (Peugeot 106 gekentekend [nummer kenteken 1] ) te plaatsen, ten gevolge waarvan die auto is beschadigd en daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten aangrenzende auto's te duchten was;
Feit 5
op 8 februari 2024 in de gemeente Kerkrade opzettelijk en wederrechtelijk spiegels van een personenvoertuig (Peugeot [nummer kenteken 1] ), toebehorende aan [naam 3] , heeft vernield en/of beschadigd.
De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 en feit 2
eendaadse samenloop van:
medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen;
Feit 4
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
Feit 5
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen;
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De verdachte was ten tijde van de feiten 19 jaar oud. De officier van justitie is van oordeel dat op de verdachte het volwassenenstrafrecht van toepassing is. Er is geen aanleiding meer het jeugdstrafrecht toe te passen. Op basis van haar bewijsstandpunt vordert de officier van justitie een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 416 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Omdat de verdachte 34 dagen in voorarrest heeft doorgebracht, zal hij dan niet verder van zijn vrijheid beroofd worden. Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf van 160 uren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen en rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak met een uitspraak zou moeten zijn afgerond.
Wanneer de rechtbank de bewijsverweren niet volgt, dan is het verzoek geen nadere (onvoorwaardelijke) vrijheidsstraf op te leggen. De raadsvrouw stelt voor een vrijheidsstraf op te leggen van 180 dagen, waarvan 146 dagen voorwaardelijk, gecombineerd met een taakstraf.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich in groepsverband schuldig gemaakt aan ernstige delicten. Het meest in het oog springen de pogingen tot doodslag in de nachtelijke uren van 24 januari 2024; de rechtbank beschouwt deze beide feiten als serieuze pogingen anderen van het leven te beroven. Anderen, die voor de verdachte en zijn mededaders volslagen onbekenden waren, maar die de pech hadden net ter plekke te passeren toen voorwerpen van een brug gegooid werden. Iedereen had dat slachtoffer, had die slachtoffers kunnen zijn. De inzittenden van de auto’s die getroffen werden mogen van geluk spreken dat zij ongedeerd zijn gebleven. Zij zijn er zogezegd zonder kleerscheuren vanaf gekomen, maar in geestelijk opzicht is dat niet zo. Slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben te kampen met post-traumatische stress. De aan de auto’s toegebrachte materiële schade is, gezien die enorme gevaarzetting, in wezen bijzaak, maar vertegenwoordigt zeker een aanmerkelijk financieel belang.
De ernst van de feiten zoals bewezen onder feit 1 primair en feit 4, het plegen vaneen aanslag op een auto met een zwaar explosief in de nachtelijke uren, rechtvaardigt het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming. Met een andere of lichtere sanctie kan niet worden volstaan. Feit 5 zou niet geleid hebben tot het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming, maar dat feit is wel onderdeel van een patroon en moet ook worden meegewogen.
De verdachte is namelijk gedurende langere tijd voortdurend in groepsverband op pad geweest om anderen ellende te bezorgen. De rechtbank is onvoldoende gebleken dat de verdachte gehandeld heeft onder dreiging, zoals hijzelf verklaard heeft, of onder dusdanig grote druk van de groep, zoals bepleit door de raadsvrouw, dat hem minder straf zou moeten worden opgelegd. De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf daar dan ook geen rekening mee.
In zijn voordeel kan de rechtbank vaststellen dat de verdachte na zijn vrijlating buiten beeld gebleven is van politie en justitie ter zake van vergelijkbare, ernstige delicten. Ter terechtzitting heeft hij ook spijt betuigd van zijn handelen en uit de rapportage van de reclassering komt een positief beeld naar voren van zijn ontwikkeling onder begeleiding van de jeugdreclassering. Onder de streep kan gezegd worden dat de verdachte, die ten tijde van de feiten 19 jaar was, zich onbezonnen heeft ingelaten met groepsgedrag van leeftijdgenoten, met een ernstige impact, maar waarvoor geen gevaar voor herhaling bestaat.
De rechtbank volgt daarom de reclassering in het advies - welk advies met behulp van het wegingskader adolescenten strafrecht tot stand is gekomen - dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. In de persoonlijkheid van de verdachte is daartoe voldoende aanleiding.
Dat brengt met zich mee dat de vrijheidsstraf maximaal 24 maanden jeugddetentie kan bedragen. Voor de onderhavige feiten acht de rechtbank een jeugddetentie van 540 dagen een gepaste straf, niettegenstaande het gegeven dat zij minder bewezen acht dan de officier van justitie.
Gelet op zijn leeftijd en mede omdat de verdachte onder de indruk is geweest van zijn voorlopige hechtenis en het moeten dragen van een enkelband, is de rechtbank het eens met de officier van justitie en de verdediging dat de verdachte niet verder van zijn vrijheid beroofd zou moeten worden. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken dat de redelijke termijn, waarbinnen een strafzaak van een jeugdige zou moeten worden afgerond met een uitspraak (16 maanden), met ruim een jaar is overschreden. De rechtbank zal daarom volstaan met een jeugddetentie waarvan het onvoorwaardelijk deel niet langer is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Gelet op de ernst van de feiten is er wel aanleiding daarnaast een forse taakstraf op te leggen.
Alles afwegend zal aan de verdachte een jeugddetentie worden opgelegd voor de duur van 540 dagen, waarvan 506 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast zal de rechtbank een werkstraf opleggen van 150 uren.

7.De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 2.493.43 euro ter zake van feit 1. De vordering betreft materiële schade (eigen risico zorgverzekering) en immateriële schade (smartengeld).
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 3.385,- euro ter zake van feit 1. De vordering betreft materiële schade (eigen risico zorgverzekering) en immateriële schade.
De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 12.483,43 euro ter zake van feit 2. Dit betreft (materiële) schade met betrekking tot een Volkswagen Golf, die door het gooien met een steen beschadigd werd. De benadeelde partij vordert de reparatiekosten en een bedrag in verband met de waardevermindering van de auto.
Deze benadeelde partijen worden bijgestaan door mr. B. Leemhuis en hebben verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen, het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en verzocht aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Daarnaast vorderen zij een vergoeding voor gemaakte proceskosten.
De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 1.482,25 euro ter zake van feit 2. Het betreft (materiële) schade aan een Suzuki Alto, waarop een steen is gegooid. De benadeelde partij heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en verzocht aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De benadeelde [slachtoffer 5] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 3.000,- euro. De vordering betreft immateriële schade ter zake van feit 3. De benadeelde partij heeft verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen, het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en verzocht aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] volledig kunnen worden toegewezen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] kan slechts worden toegewezen tot een bedrag van 2.263,10 euro, omdat de post eigen risico niet volledig met stukken onderbouwd is.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] kan ook slechts gedeeltelijk worden toegewezen. De verzekeraar heeft deze benadeelde partij al schadeloosgesteld door de reparatiekosten van de auto te vergoeden, zodat die schade niet ook nog in het strafproces kan worden gevorderd. Alleen de waardevermindering van de auto, een bedrag van 1.490,- euro, komt voor vergoeding in aanmerking.
De toe te wijzen bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente. De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor de schade en aan de verdachte moet tevens de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Alleen al om die reden moeten de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw de vorderingen gedeeltelijk betwist en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.
De raadsvrouw heeft de vordering in zoverre betwist dat zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank waar het betreft de post eigen risico voor zover die met bewijsstukken is onderbouwd. Een toe te wijzen bedrag voor immateriële schade moet beperkt worden tot 1.500 euro.
Gelet op de betwisting en de constatering van de rechtbank dat de vordering ter zake van het eigen risico van de zorgverzekering geen volledige onderbouwing met stukken bevat, zal de vordering voor geleden materiële schade worden toegewezen tot een bedrag van 263,19 euro en voor het meergevorderde (230,24 euro) zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
Ten aanzien van het gevorderde bedrag aan immateriële schade is de vordering onvoldoende door de verdediging weersproken. Gelet op de inmiddels aanvaarde aanknopingspunten voor het toekennen van smartengeldbedragen van de Rotterdamse Schaal is het gevorderde bedrag van 2.000,- euro alleszins billijk te noemen.
De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededaders aansprakelijk voor de schade.
Het toe te wijzen bedrag van 2.263,19 euro moet worden vermeerderd met de wettelijke rente (vanaf de datum van indienen van de vordering - voor zover de materiële schade na de pleegdatum is ontstaan - dan wel vanaf de pleegdatum) en de rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opleggen.
Voorts zal de rechtbank een bedrag van 434,- euro toekennen aan proceskosten, begroot overeenkomstig het Liquidatietarief kanton per 1 februari 2026, waarbij een salaris van 217,- euro wordt toegekend, te vermeerderen met 2 punten (1 punt voor het indienen en 1 punt voor de behandeling ter terechtzitting).
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd.
De vordering is door de raadsvrouw niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar.
De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededaders aansprakelijk voor deze schade.
Het toe te wijzen bedrag van 3.385,- euro moet worden vermeerderd met de wettelijke rente (vanaf de datum van indienen van de vordering - voor zover de materiële schade na de pleegdatum is ontstaan - dan wel vanaf de pleegdatum) en de rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opleggen.
Voorts zal de rechtbank een bedrag van 506,- euro toekennen aan proceskosten, begroot overeenkomstig het Liquidatietarief kanton per 1 februari 2026, waarbij een salaris van 253,- euro wordt toegekend, te vermeerderen met 2 punten (1 punt voor het indienen en 1 punt voor de behandeling ter terechtzitting).
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden, zij het niet zoals gevorderd.
De raadsvrouw heeft de vordering in zoverre betwist dat zij vindt dat er geen grond meer is de reparatiekosten in het strafproces toe te kennen, omdat de verzekering die schade al heeft vergoed.
De vordering is door de raadsvrouw niet weersproken ten aanzien van de waardevermindering en de extra premie die de benadeelde moet betalen vanwege een terugval in schadevrije jaren door de ingediende claim.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat er geen grond is de reparatiekosten (10.993,43 euro) toe te wijzen. Uitgangspunt is dat het een benadeelde vrijstaat de benadeelde partij aansprakelijk te stellen dan wel de schade te claimen bij de verzekeraar. Nu gekozen is de schade te laten vergoeden door de verzekering, kan die schade niet ook nog in het strafproces worden gevorderd. Daaraan kan niet afdoen dat, zoals namens de benadeelde partij is aangevoerd, met de verzekeraar de afspraak is gemaakt, dat de verzekeraar met terugwerkende kracht geen premieverhoging zal toepassen als de reparatiekosten worden teruggestort, nadat die door de verdachte zijn vergoed. Dit alles laat bovendien onverlet dat een verzekeraar die uitgekeerd heeft zelf vergoeding van schade kan (trachten te) verhalen op de aansprakelijke(n).
De premieverhoging (794,27 euro) vormt wel extra schade net als de waardevermindering van de auto als gevolg van (het moeten repareren van) de schade (1.490,- euro). Die schade zal door de verdachte en zijn mededaders moeten worden vergoed nu zij daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk zijn.
Nu de vordering op die twee punten ook niet is betwist en de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar.
Het toe te wijzen bedrag van 2.284,27 euro moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opleggen.
Voorts zal de rechtbank een bedrag van 864,- euro toekennen aan proceskosten, begroot overeenkomstig het Liquidatietarief kanton per 1 februari 2026, waarbij een salaris van 432,- euro wordt toegekend, te vermeerderen met 2 punten (1 punt voor het indienen en 1 punt voor de behandeling ter terechtzitting).
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd.
De vordering is door de raadsvrouw niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar.
De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededaders aansprakelijk voor deze schade.
Het toe te wijzen bedrag van 1.482,25 euro moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opleggen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]
Nu aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld gelet op de vrijspraak van feit 3, zal de rechtbank deze benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 63, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141, 157, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 3;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte voor de hiervoor bewezenverklaarde feiten tot
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
  • veroordeelt de verdachte voor de hiervoor bewezenverklaarde feiten tot
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;
Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
- wijst de vordering van
de benadeelde partij[slachtoffer 1] ter zake van feit 1 primair gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van
2.
263,
19 euro, waarvan 2.000,- euro ter zake van immateriële schade, de materiële schade ad 263,19 euro te vermeerderen met
de wettelijke rente vanaf 10 april 2026tot aan de dag van volledige voldoening en de immateriële schade ad 2.000,- euro te vermeerderen met
de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024, tot aan de dag van volledige voldoening;
  • bepaalt dat de benadeelde partij ter zake van het meergevorderde aan materiele schade niet-ontvankelijk is in de vordering;
  • veroordeelt de verdachte tevens in
  • legt aan de verdachte ter zake van feit 1 primair hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer Y. [slachtoffer 1] van een bedrag van 2.263,19 euro, waarvan 2.000,- ter zake van immateriële schade, de materiële schade ad 263,19 euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2026 tot aan de dag van volledige voldoening en de immateriële schade ad 2.000,- euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
  • bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
  • bepaalt dat indien door (een van) zijn mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
  • wijst de vordering van
  • veroordeelt de verdachte tevens in
  • legt aan de verdachte ter zake van feit 1 primair hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van 3.385,- euro, waarvan 3.000,- euro ter zake van immateriële schade, de materiële schade ad 385,- euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2026 tot aan de dag van volledige voldoening en de immateriële schade ad 3.000,- euro met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
  • bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
  • bepaalt dat indien door (een van) zijn mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
  • wijst de vordering van
  • wijst de vordering ter zake van het meer of anders gevorderde af;
  • veroordeelt de verdachte tevens in
  • legt aan de verdachte ter zake van feit 2 hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van 2.284,27 euro (materiele schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
  • bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
  • bepaalt dat indien door (een van) zijn mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
  • wijst de vordering van
  • veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door deze benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot op heden op nihil;
  • legt aan de verdachte ter zake van feit 2 hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] van een bedrag van 1.482,25 euro (materiele schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
  • bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
  • bepaalt dat indien door (een van) zijn mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
  • bepaalt dat
  • veroordeelt deze benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Voorlopige hechtenis
- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.A. Ferwerda, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en mr. L.H.M. Geuns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 juli 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 24 januari 2024, te Landgraaf, meermalen, althans eenmaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, telkens een steen en/of een stoeptegel, althans een zwaar stenen voorwerp vanaf een (fiets)brug op de
Euregioweg naar beneden te gooien en/of laten vallen, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij deze steen en/of stoeptegel, althans het zware stenen voorwerp op de auto van [slachtoffer 4] met voornoemde inzittenden en/of op de door [slachtoffer 1] bestuurde auto met voornoemde inzittenden terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 januari 2024, te Landgraaf, meermalen, althans eenmaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, telkens een steen en/of een stoeptegel, althans een zwaar stenen voorwerp vanaf een (fiets)brug op de Euregioweg naar beneden te gooien en/of laten vallen, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij deze steen en/of stoeptegel, althans het zware stenen voorwerp op de auto van [slachtoffer 4] met voornoemde inzittenden en/of op de door [slachtoffer 1] bestuurde auto met voornoemde inzittenden terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij in of omstreeks de periode van 23 januari 2024 tot en met 24 januari 2024, te Landgraaf openlijk, te weten, aan de Einsteinstraat en/of Hompertsweg en/of Euregioweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, meermalen in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten een verkeersbord en/of een Fiat Puncto en/of een Volkswagen Golf en/of een Suzuki Alto door:
- voornoemd verkeersbord op de weg te gooien en/of
-met eieren en/of sinaasappelen en/of levensmiddelen op een Fiat Punto te gooien en/of
- door een steen en/of een stoeptegel en/of een zwaar (stenen) voorwerp op een Volkswagen Golf en/of een Suzuki Alto te gooien;
3
hij op of omstreeks 24 november 2023, in de gemeente Landgraaf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 5] opzettelijk van het leven te beroven,
een stuk hout in de vorm van een steen, althans een zwaar voorwerp vanaf een voetgangersbrug naar beneden te gooien en/of te laten vallen, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij dit stuk hout, althans het zware voorwerp op de door [slachtoffer 5] bestuurde auto terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 november 2023, in de gemeente Landgraaf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een stuk hout in de vorm van een steen, althans een zwaar voorwerp vanaf een voetgangersbrug naar beneden te gooien en/of te laten vallen, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij dit stuk hout, althans het zware voorwerp op de door [slachtoffer 5] bestuurde auto terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
hij op of omstreeks 17 februari 2024, in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door open vuur -middels een aansteker- in aanraking te brengen met een Cobra vuurwerk althans met één of meerdere brandbare stof(fen) en op de motorkap van personenvoertuig (Peugeot 106 gekentekend [nummer kenteken 1] ) te plaatsen, ten gevolge waarvan die auto is beschadigd, in elk geval een ontploffing en/of brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een Peugeot 106 gekentekend [nummer kenteken 1] en/of aangrenzende auto's te duchten was;
5
hij in of omstreeks de periode van 7 februari tot en met 8 februari 2024, in de gemeente Kerkrade, telkens tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk spiegels van een personenvoertuig (Peugeot [nummer kenteken 1] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [naam 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
BIJLAGE II: de bewijsmiddelen [1]
De voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden zijn gebaseerd op de hierna weergegeven bewijsmiddelen. Daarbij wordt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts gebezigd wordt voor bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.
De verklaring van de verdachte ter terechtzittingop 10 juni 2026, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Het klopt dat een verkeersbord vanaf de fietsbrug nabij de Staringstraat naar onderen is gegooid. Het klopt dat ik met de anderen op 23 januari 2023 rond 23:40 uur vanaf de fietsbrug nabij de Staringstraat eieren heb gegooid.
Het klopt dat wij twee keer met de auto naar de fietsbrug nabij de Hompertsweg zijn gegaan. Ik ben daar uitgestapt. Ik ben uitgestapt met [naam medeverdachte 1] en heb een stoeptegel vanaf die brug gegooid.
Het klopt dat ik op 8 februari 2024 tegen de autospiegel van de auto van aangever [naam 3] heb getrapt.
Ik was er ook bij toen op 17 februari 2024 een cobra op de autoruit van de auto van aangever [naam 3] werd gelegd. Het kan kloppen dat dat door [naam 17] werd gedaan.
U houdt mij voor dat er beelden zijn van het trappen tegen de spiegel van de auto van aangever [naam 3] . Te zien zijn volgens u vier personen, van wie iemand zich losmaakt en tegen de spiegel trapt. Dat was ik. Ik weet dat ik één keer getrapt heb. Ik zeg niet dat ik het niet was die de tweede keer trapte. Ik zeg alleen dat ik het me niet kan herinneren.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 885 e.v. inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd de verklaring van [naam medeverdachte 1] :
M: Zoals gister wellicht verteld is hebben wij veel onderzoek gedaan naar dit incident. Zo hebben wij de historische verkeersgegevens van jullie telefoons opgevraagd. Daarin zagen wij dat het telefoonnummer [gsm-nummer 1] , behorende bij [naam medeverdachte 2] , telefonisch contact had met telefoonnummer [gsm-nummer 2] Dit is jouw telefoonnummer Het telefonisch contact was op 24 januari 2024 vanaf 00.58.47 uur tot 01.00.48 uur.
Vervolgens volgt er een tweede moment van telefonisch contact, tussen dezelfde nummers. Dit telefonisch contact was op 24 januari 2024 vanaf 01.01.02 uur tot 01.02.02 uur.
Deze tijdstippen komen overeen met de tijdstippen van het eerste incident waarbij een steen naar beneden is gegooid.
V: Waarom had jij op dat moment telefonisch contact met [naam medeverdachte 2] ?
A: Ik denk om te zeggen dat die naar de andere kant moest rijden en dat [voornaam] die steen wilde gooien. Dit durf ik niet met zekerheid te zeggen, maar denk het wel.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [naam 4] en [naam 5] , p. 492, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op 23 januari 2024, kregen wij de melding te gaan naar de Euregioweg, ter hoogte van de fietsbrug van de Staringstraat. Hier zou de melder, rijdend over de Euregioweg, bekogeld zijn met eieren. De melder had hierbij aangegeven dat er een verkeersbord op de weg zou liggen, waarop deze wilde uitstappen, om dit verkeersbord aan de kant te zetten.
Tijdens het uitstappen is deze melder en diens auto dan vanaf de bovenzijde van de brug door vier jongeren bekogeld.
Ter plaatse op de Euregioweg troffen wij een verkeersbord op de weg, aan de zijde van de middenberm, welke de weg met de grasstrook scheidt. Wij zagen dat het verkeersbord, een diagonaal strepend rood/wit schild was, welke bevestigd is op een stenen rechthoekig standaard, welke gebruikt wordt op een gedeelte van een weg af te zetten. Wij zagen dat dit schild plat op grond lag, met de bevestigingsstuk van het schild op de middenberm en het bord op de rijbaan. Tevens zagen wij in een cirkel van circa 1,5 meter van het bord meerdere kleine stukken van eierschalen.
Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 494 en 495, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd de verklaring van [naam 2] :
Ik, verbalisant [naam 6] , verklaar het volgende. Op vrijdag [huisnummers] januari 2024 verhoorde ik de getuige [naam 2] . De getuige verklaarde:
Op dinsdagavond, omstreeks 23.40 uur, zat ik, samen met mijn vriendin [naam 7] en een vriend genaamd [naam 8] in mijn auto, een Fiat Punto, voorzien van het kenteken [nummer kenteken 2] . Ik was bestuurder. Wij reden op dat moment op de Euregioweg te Landgraaf/Heerlen. Wij kwamen vanaf de rotonde met de Einsteinstraat in Landgraaf
en reden in de richting van de Heerlerbaan. Ik zag achter de gele brug een verkeersbord liggen. Het betrof een verkeersbord van wegwerkzaamheden. Deze lag midden op de weg.
Op het moment dat ik onder de brug doorreed hoorde ik minimaal twee tikken. Ik hoorde dat het geluid echt van de auto vandaan kwam. We zagen dat er op dat moment iets op de voorruit van de auto kapot spatte. Op dat moment zag ik ook de schaal van eieren.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam 9] , p. 429 e.v.. en in het bijzonder p. 472 t/m 474, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op 21 maart 2024, onderzocht ik, [naam 9] , het verkregen extractierapport van de inbeslaggenomen mobiele telefoon van de verdachte [naam medeverdachte 3] . In de extractie wordt de tijd weergegeven in Coordinated Universal Tim (UTC). Daar weer men leest “UTC + 0” betreft de daadwerkelijke tijd in UTC. Nederland valt tijdens de winter in tijdzone “UTC + 1”. De vermeende strafbare feiten zijn gepleegd toen de wintertijd in Nederland actief was. Er moet daarom bij de UTC + 0 tijd één uur bijgeteld worden.
Ik trof in het toestel een groepschat aan, dat ook werd aangetroffen in de onderzoeken van de onder medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] inbeslaggenomen mobiele telefoons. In het onderzochte toestel werd berichtenverkeer aangetroffen via Snapchat tussen de gebruikers:
[gebruikersnaam 1] , [gebruikersnaam 2] [naam medeverdachte 3] (owner), [gebruikersnaam 3] , [gebruikersnaam 4] , [gebruikersnaam 5] , [gebruikersnaam 6] . Gerelateerd onder het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer LB2R024007-159 werden de gebruikers van deze accounts geïdentificeerd als zijnde:
[naam 10] , [naam medeverdachte 3] , [naam 11] , [naam medeverdachte 2] .
Gerelateerd onder het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer LB2R024007-166, werd de gebruiker van het account [gebruikersnaam 3] geïdentificeerd als de verdachte [verdachte] .
Op 23 januari 2024, om 21:56:50 (UTC + 0) (daadwerkelijke tijd 22:56:50 uur) plaatst [verdachte] onderstaande afbeelding in de groepschat.
Afbeelding
Op de afbeelding herkende ik [verdachte] .
Op 23 januari 2024, om 22:20:39 (UTC + 0) (daadwerkelijke tijd 23:20:39 uur) plaatst [naam medeverdachte 2] onderstaand videobestand in de groepschat. Ik opende het videobestand. Ik zag dat de filmer zich kennelijk op een brug bevond. Ik zag dat er een personenauto werd gefilmd, die de brug naderde over de onder de brug doorgaande weg. Op het moment dat de personenauto bijna onder de brug doorreed, hoorde ik een klap en werd er door meerdere personen gelachen. Buiten de filmer bevonden zich nog twee personen op de brug.
Op 23 januari 2-24, om 22:42:23 (UTC + 0) (daadwerkelijke tijd 23:42:23 uur) plaatst [naam medeverdachte 2] onderstaande afbeelding in de groepschat:
Afbeelding
Het proces-verbaal aangifte, met fotobijlage, p. 502 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd de verklaring van aangeefster [slachtoffer 4] :
Ik wens aangifte te doen van poging doodslag, dan wel poging zware mishandeling en vernieling van mijn personenauto, merk Suzuki, type Alto. Op 24 januari 2024, tussen 01.05 uur en 01.10 uur reed ik samen met [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] op de Euregioweg te Landgraaf. Ik trad op dat moment op als bestuurster.
Ter hoogte van de Euregioweg, hectometer 5.3 rechts, reed ik onder een voetgangers fietsbrug door. Op dat moment hoorde ik een keiharde knal op het dak van mij auto. Ik had direct door dat er iets vanaf deze voetgangersbrug op mijn auto was gegooid. Ik ben
niet gelijk gestopt, omdat ik op een 70 km/u weg reed op dat moment. Ik ben doorgereden naar een woonwijk om daar mijn auto te bekijken op schade. Toen ik vervolgens mijn auto had geparkeerd ben ik uitgestapt en zag ik directenorme schade op het dak aan de achterzijde van mijn auto. Gezien deze schade moet het haast wel dat er een zwaar voorwerp vanaf de brug op mijn auto is gegooid. Mijn auto is namelijk ingedeukt en bekrast. Tevens zag ik dat het derde remlicht door de klap scheef is komen te zitten en niet meer werkt.
Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 511, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd, de verklaring van [slachtoffer 7] :
Eenmaal gestopt zag ik schade aan het dak van de auto. Ik zag een deuk aan het einde van het dak, ik zag dat er veel gruis van een steen lag en dat de strip van de rem lamp los hing. Ook zag ik dat er flinke lakschade was. Ik zag namelijk een grote witte schaaf. Deze viel mij direct op. Het leek of dat ook was, dat de steen doorgeschoven was. Ook zag ik dat de tankdop, aan de linkerzijde van de auto, open was gesprongen. Ik denk dat dit van de klap is geweest.
Het proces-verbaal aangifte, p. 525, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd de verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik wens aangifte te doen ter zake poging doodslag als dan niet poging zware mishandeling. Ik trad vandaag, 24-01-2024, omstreeks 01.20 uur op als bestuurder van een grijze Volkswagen Golf. Ik reed over de Euregioweg 5.3r te Landgraaf in de richting van Heerlen. Naast mij zag mijn vriendin [slachtoffer 2] . Ter hoogte van de aldaar gelegen fiets/voetgangersbrug viel opeens een grote steen op de voorruit van de auto. De voorruit implodeerde en overal ligt glas in de auto. Gelukkig heb ik de auto op de weg kunnen houden en ben ik niet van de schrik tegen de muur o.i.d. aangereden. De gehele voorzijde van de auto is beschadigd.
De kennisgeving van inbeslagneming, p. 537, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Plaats: Euregioweg, Landgraaf
Datum en tijd: 24 januari 2024 te 01:36 uur
Object: Steen
Merk/type: Vierkante Straatsteen
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam 12] , p. 540, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op 20 februari 2024 was ik belast met het onderzoek naar de poging doodslag, welke gepleegd was op 24 januari 2024. Bij het tweede incident, welke plaatsvond omstreeks 01.20 uur, werd een steen inbeslaggenomen die gegooid was op een personenauto. Ik onderzocht de afmetingen en het gewicht van de steen. Ik woog de steen. De steen woog 7,866 kilogram
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam 13] , p. 157 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Door het onderzoeksteam is een verdenking ontstaan richting verdachte [naam medeverdachte 2] , [voornamen medeverdachte 2] . Bij het onderzoeksteam zijn een drietal telefoonnummers naar voren gekomen die door genoemde verdachte gebruikt kunnen worden. Dit betreffen de telefoonnummer:
+ [gsm-nummer 3] .
Op 24 januari 2024 om 00:58:47 uur valt het telefoonnummer + [gsm-nummer 4] onder bereik van cellid 204-04-20713-27298337, gelegen op de Melcherstraat te Landgraaf. Dit betrof een inkomend gesprek voor de duur van 02:01 minuten van telefoonnummer + [gsm-nummer 5] .
Om 01:01:02 uur valt het telefoonnummer + [gsm-nummer 4] onder het bereik van cellid 20404-20715-27316749, gelegen op de Moltweg te Landgraaf. Dit betrof een inkomend gesprek voor de duur van 01:00 minuut van telefoonnummer + [gsm-nummer 5] .
Om 01:20:23 uur valt het telefoonnummer + [gsm-nummer 4] onder het bereik van cellid 20404-20713-25817887, op de Moltweg te Landgraaf. Dit betrof een inkomend gesprek voor de duur van 48 seconden van telefoonnummer + [gsm-nummer 5] .
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam 6] , p. 196 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op 19 februari 2024 is door mij een onderzoek ingesteld naar een mobiele telefoon. De telefoon was voorzien van het telefoonnummer + [gsm-nummer 5] . Ik zag dat het toestel voorzien was van de Apple ID [email-adres] . Ik zag diverse useraccounts met de naam [naam medeverdachte 1] .
Om 01.21.14 uur werd een video geupload op Snapchat. Deze video is genaamd
[naam video] .
Dit betreft een video waarbij te zien is dat een persoon, in donker gekleed met witte schoenen een vierkante steen van een brug afgooit. Ik zie dat de reling van deze brug overeenkomt met de brug alwaar op 24 januari 2024 een of meerdere stenen af werden gegooid.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam 14] , p. 200 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Beelden 2 01.21.14
Ik zag dat de beelden opgenomen waren in het donker. Ik zag dat de beelden 5 seconden duurden.Ik zag dat de beelden gefilmd waren op een brug. Ik zag op de beelden een persoon bij de railing van de brug staan. Ik zag dat de persoon in het donker gekleed was en witte schoenen aan had. Ik zag dat er een auto onder de brug doorreed Ik zag dat het een auto was omdat ik de koplampen en de achterlichten van de auto zag. Ik zag dat de persoon op de brug een voorwerp met zijn rechterhand van de grond oppakte.
Ik zag dat de persoon het voorwerp met twee handen vastpakte. Ik zag dat het voorwerp grijs en vierkant was. Ik zag dat het voorwerp zo groot was als een stoeptegel. Ik zag dat de persoon het voorwerp met beide handen over de railing van de brug gooide. Ik zag dat ten tijden dat het voorwerp over de railing werd gegooid onder in beeld een auto onder de brug doorreed. Ik zag namelijk de koplampen en de achterlichten van een auto.
Ik hoorde een doffe klap op het moment dat het voorwerp naar beneden werd gegooid.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [naam 15] en [naam 16] , p. 117 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Naar aanleiding van twee pogingen doodslag op 24 januari 2024 omstreeks 01:05 uur en 01:20 uur, werd een onderzoek ingesteld. Tijdens deze incidenten werd 2 keer een zwaar voorwerp op een passerende auto gegooid vanaf de fietsbrug, gelegen tussen de Hompertsweg en de sint Barbarastraat in de gemeente Heerlen. Rijdend over de Euregioweg werd een van voertuigen geraakt door een stoeptegel en het ander voertuig werd geraakt door een onbekend gebleven zwaar voorwerp. Naar aanleiding van bovenstaande werd een onderzoek ingesteld en werden camerabeelden in de omgeving van de plaats delict gevorderd.
Hieronder volgt de beschrijving van de gevorderde beelden, afkomstig van de Hompertsweg [huisnummers] te Landgraaf.
01:00:20 uur:
Een personenauto rijdt over de Hompertsweg in Landgraaf, komende uit de richting van de
Euregioweg te Heerlen. Deze personenauto rijdt vervolgens vanaf de Hompertsweg het doodlopende deel van de straat in, gelegen voor de huisnummers Hompertsweg [huisnummers] . Vanuit het doodlopende deel kunnen voetgangers en fietsers gebruik maken van de fietsbrug over de Euregioweg.
01:00:34 uur:
De personenauto verdwijnt rechts uit beeld in de richting van de fietsersbrug over de Euregioweg.
01:00:59 uur:
De personenauto verschijnt weer in beeld. Gezien het doodlopende karakter van de straat kan het niet anders dan dat het voertuig buiten beeld gekeerd is voor de fietsersbrug.
01:00:59 uur:
De personenauto gaat stil staan ter hoogte van perceel Hompertsweg [huisnummers] .
01:02:00 uur:
De verlichting van de personenauto werd gedoofd.
01:05:37 uur:
Een voertuig (lichtbundel/koplampen) nadert de rotonde over de Euregioweg, komende uit de richting van Kerkrade, rijdend in de richting van de fietsbrug. De voornoemde donkerkleurige personenauto staat nog steeds met gedoofde verlichting.
01:05:51 uur:
Twee donker geklede personen rennen vanuit de richting van de fietsbrug naar de personenauto. Beide personen staan dicht bij elkaar naast het voertuig aan de passagierszijde, waardoor in de indruk ontstaat dat beide personen door hetzelfde portier instappen. De personenauto ontsteekt de verlichting en rijdt direct weg, nadat beide personen zijn ingestapt.
01:16:30 uur:
Een donkerkleurige personenauto rijdt uit de richting van de Euregioweg over de Hompertsweg om vervolgens het doodlopende deel van de Hompertsweg in te rijden. Deze personenauto stopte ter hoogte van perceel Hompertsweg 30.
Gezien deze uiterlijke kenmerken van dit voertuig betreft dit met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid hetzelfde voertuig dat even eerder die dag, tussen 01:00:20 en 01:05:51 uur werd waargenomen op deze locatie.
01:16:53 uur:
Twee donker geklede personen stappen uit de personenauto. Hierbij is op de bewegende beelden goed te zien dat beide personen uitstappen uit hetzelfde portier aan de bijrijderszijde.
Beide personen lopen in de richting van de fietsbrug en verdwijnen rechts uit beeld.
01:17:15 uur:
Het voertuig rijdt achteruit en keert op de oprit van de Hompertsweg [huisnummers] .
01:17:30 uur:
De personenauto gaat stil staan ter hoogte van perceel Hompertsweg [huisnummers] .
01:21:31 uur:
Er komen twee donker geklede personen aanrennen vanuit de richting van de fietsbrug. Beide personen rennen naar de geparkeerde personenauto. Zij gaan dicht op elkaar staan aan de rechterzijde van de personenauto. Een van de personen opent het portier van de bijrijder.
Vermoedelijke stappen beide personen in via hetzelfde portier aan de bijrijderszijde.
01:21:40 uur:
De personenauto rijdt weg, nadat beide personen zijn ingestapt.
Het proces-verbaal aangifte, p. 588, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd, de aangifte van [naam 3] :
Plaatsdelict: Eygelshovergracht Kerkrade
Pleegdatum/tijd: tussen 17 februari 2024 om 02.11 uur en 02.23 uur.
Ik doe aangifte van vernieling van mijn auto. Dit betreft een Peugeot 106 voorzien van het kenteken [nummer kenteken 1] .
Omstreeks 02.05 uur was ik op mijn slaapkamer. Mijn slaapkamer ligt aan de straatkant. Ik wilde net gaan slapen, toen ik een enorme knal hoorde. Ik zag dat er rook van mijn auto kwam. Ik rook een vuurwerklucht rondom mijn auto. Ik zag dat de voorruit vernield was en dat de motorkap omhoog stond. Ik zag dat er een gat in de voorruit zat.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam 9] , p. 610 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Naar aanleiding van de (poging) brandstichting, gepleegd op 17 februari 2024, omstreeks 02.02 uur, op de Eygelshovergracht te Kerkrade, werden de opgenomen en vastgelegde camerabeelden van de ringdeurbel van het pand [adres 2] te Kerkrade verkregen en veiliggesteld.
Bij datum- en tijdsweergave 17-02-2024 Sat 02:05:53 zag ik dat, komende vanuit de richting Sint Pieterstraat te Kerkrade een persoon in beeld verschijnen. Ik zag dat deze persoon, die ik verder NN01 zal noemen, een capuchon en gezichtsbedekking droeg.
Ik hoorde dat NN01 zei: “Er komt een auto”. Op dat moment verscheen een tweede persoon. Ik zal deze tweede persoon NN02 noemen.
Ik hoorde dat NN01 en NN02 het volgende zeiden;
NN01: “Als jij hem aansteekt, trap ik een spiegel eraf”
Bij datum- en tijdsweergave 17-02-2024 Sat 02:06:52, rent NN02 links in beeld en rent in de richting van de Sint Pieterstraat te Kerkrade.
Op datum- en tijdsweergave 17-02-2024 Sat 02:06:53, rent vermoedelijk ook NN01 links in beeld. NN01 rent over de rijbaan van de Eygelshovergracht eveneens in de richting van de Sint Pieterstraat.
Op datum- en tijdsweergave 17-02-2024 Sat 02:07:03 licht het beeld op en is een explosie hoorbaar.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam 12] , p. 629 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Ik bekeek de opgenomen en opgeslagen camerabeelden, welke opgenomen zijn aan de [adres 2 en 3] te Kerkrade.
Ik zag dat het camerabeeld aan de [adres 3] gericht was op het weggedeelte waar de auto van het slachtoffer stond.
Ik zag dat, om 02.34.36 uur, NN01 naar de auto liep. Ik zag dat NN02 op paar meter afstand bleef staan. Ik zag dat NN01 het stuk vuurwerk aanstak en op de voorruit van de auto legde. Ik zag vervolgens dat NN01 en NN02 wegrenden.
In de telefoon van verdachte [verdachte] (voorzien van IMEI-nummer 352377990480135) kwam ik een chatconversatie tegen, die had plaatsgevonden via de applicatie Snapchat.
Ik zag dat de chatconversatie plaatsvond tussen de Snapchataccounts [gebruikersnaam 3] , behorende bij
verdachte [verdachte] , en [naam 17] _45b (in de telefoon van [verdachte] genoemd als ' [naam 17] ’). De chatconversatie vond plaats vanaf 17 februari 2024 18:38 uur (UTC+0) tot 17 februari 2024 19:15 uur (UTC+0).
Ik zag dat de chatconversatie als volgt verliep:
[naam 17] : “Hoe heet die boy van die waggel.” “Van gister” “Die ik heb opgeblazen.”
[verdachte] : “ [naam 3] .”
[naam 17] : “Dat is hem.” “Stuur me is dat filmpje. Dat ik die waggie opblaas.”
Ik zag dat er een chatconversatie via de applicatie Whatsapp plaatsvond tussen de
telefoonnummers; ‘ [gsm-nummer 6] ’, behorende bij [verdachte] , en ‘ [gsm-nummer 7] ’, in de telefoon
van [verdachte] genoemd als ‘ [naam 17] '.
Ik zocht het telefoonnummer ‘ [gsm-nummer 7] ’ op in de politiesystemen. Ik zag dat het voornoemde telefoonnummer gekoppeld stond aan de persoon [naam 17] ( [geboortedatum] -2007).
Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1068, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd, de verklaring van [verdachte] :
M: op beelden hebben we 2 personen gezien die naar de auto liepen. 1 van deze personen stak het explosief of vuurwerk aan en legde dit tussen de voorruit en de motorkap. Die 2 personen renden weg. Daarna vond de explosie plaats. Weet jij wie die 2 personen waren?
A: Dat waren [naam 17] en ik.
Het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer LB2R024007-159, opgemaakt door verbalisant [naam 12] , p. 206 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Tijdens het onderzoek in de telefoon van [naam medeverdachte 1] kwam ik, [naam 12] , meerdere berichten, foto’s en video’s tegen die verband hielden met de vernieling van een personenauto op 17 februari 2024. Hieronder volgt een chronologische uiteenzetting van de aangetroffen data.
00:59:17 uur (UTC+0)
[naam medeverdachte 3] :
“ [voornaam] trapt de spiegels ook eraf’
"Als zij die cobra eropleggen
01:07:25 uur (UTC+0)
Ik zag dat het account ‘ [gebruikersnaam 5] ’ om 01.07:25 uur (UTC+0) (werkelijke tijd: 02:07:25 uur) een video stuurde. Ik zag dat een buitenspiegel van een auto werd gefilmd, zodat er naar achteren gefilmd kon worden. Ik zag er meerdere auto’s aan de zijkant van een openbare weg geparkeerd stonden. Ik zag dat bij een van de auto’s licht te zien was en rookontwikkeling. Ik zag dat het licht feller werd. Ik zag dat het licht doofde en een rookwolk ontstond. Ik
hoorde vlak hierna een harde knal.
Ik zag dat [naam medeverdachte 1] via de applicatie ‘Snapchat’, op 17 februari 2024 om 01:07:27 uur UTC+0 (werkelijke tijd: 02:07:27 uur) een video had gemaakt. Ik zag dat de video gemaakt was op Eygelshovergracht te Kerkrade. Ik zag dat er twee personen over straat renden, in de richting van de Sint Pieterstraat. Ik zag dat beide personen uit de richting van een gele personenauto renden. Ik zag dat er bij de gele personenauto een fel licht ontstond. Ik hoorde vervolgens een harde knal. Ik zag vervolgens een rookwolk ontstaan.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam 9] , p. 383 e.v. en in het bijzonder p. 414 en 415, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op dinsdag 19 maart 2024, onderzocht ik, [naam 9] , het verkregen extractierapport van de
inbeslaggenomen mobiele telefoon, Apple iPhone 12, van de verdachte [naam medeverdachte 2] . De simkaart die in het toestel werd aangetroffen had het navolgende telefoonnummer + [gsm-nummer 4] .
Door mij is onderzoek gedaan in genoemde telefoon. In de veiliggestelde extractie wordt de tijd weergegeven in Coordinated Universal Time (UTC). Daar waar men leest "UTC +0” betreft de daadwerkelijke tijd in UTC. Nederland valt tijdens de wintertijd in tijdzone “UTC +1". Nederland valt tijdens de zomertijd in tijdzone “UTC +2”. De vermeende strafbare feiten zijn gepleegd toen de wintertijd in Nederland actief was. Er moet daarom bij de UTC+0 tijd één uur bijgeteld worden.
Er werd berichtenverkeer in een chatgroep via de applicatie Snapchat aangetroffen. In de betreffende chatgroep namen de volgende accounts deel:
[gebruikersnaam 8] ;
[gebruikersnaam 9] ;
[naam medeverdachte 3] ;
[gebruikersnaam 7] ;
[naam medeverdachte 1] ;
[naam 10] ;
[naam 19] .
In het onderzochte toestel werd berichtenverkeer aangetroffen, via de applicatie Snapchat tussen de gebruiker van het onderzochte toestel ( [naam medeverdachte 2] ) en de gebruiker van het account [gebruikersnaam 7] . In het onderzoek van de mobiele telefoon van de verdachte [naam medeverdachte 1] , gerelateerd onder proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer LB2R024007-159 werd de gebruiker van het account [gebruikersnaam 7] geïdentificeerd als de verdachte [naam 18] . Op 17 februari 2024, vond er onderstaand berichtenverkeer plaats.
[naam medeverdachte 2] : Bewaar die shell
17-2-2024 00:14:08 (UTC+0)
[gebruikersnaam 7] : "Ja heb cobra gepakt"
17-2-2024 00:15:01 (UTC+0)
Het proces-verbaal aangifte, p. 578 e.v. inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd de aangifte van [naam 3] :
Op 8 februari 2024 omstreeks 15:00 uur wilde ik gaan sporten. Ik ben vanuit mijn woning gelegen aan de [adres 3] , richting mijn personenauto gelopen. Ik zag dat mijn rechter buitenspiegel helemaal af lag.
Op de voorgevel van mijn woning, vlak boven de voordeur en vlak onder de dakgoot hebben wij camera’s hangen. Ik zag dat het groepje vanuit de richting Bernhard Pothastraat kwamen. Ik zag dat 1 jongen van het groepje richting mijn auto gelopen kwam en zag dat hij met volle kracht, met zijn rechter been tegen mijn rechter buitenspiegel trapte. Ik zag dat de kap van mijn buitenspiegel een paar meter verder vloog.
Op 8 februari 2024 omstreeks 22:00 uur parkeerde ik mijn personenauto wederom. Ik hoorde dat de buurman tegen mij zei dat hij een harde klap had gehoord en dat hij een groepje had zien wegrennen. Ik ben weer naar mijn auto gelopen en zag dat men wederom getracht hadden om mijn spiegel te vernielen.
Ik ben gelijk de beelden gaan bekijken en zag dat het groepje nu uit 3 jongens bestond. Dat ze wederom uit dezelfde richting kwamen (Bernhard Pothastraat). Ik zag datdezelfde jongen weer tegen mijn rechter buitenspiegel trapte. Ik zag dat hij naar de andere
kant van mijn auto rende en dat hij tegen de linker buitenspiegel trapteen hard weg rende.
Ik zag dat het dezelfde jongen betrof omdat hij dezelfde jas droeg als bij de eerste keer van de vernieling.
Voertuig: Personenauto
Merk/type: Peugeot
Kenteken: [nummer kenteken 1]

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Einddossier Chewbacca, proces-verbaalnummer LB2RO24007-40, gesloten d.d. [huisnummers] mei 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1472.