ECLI:NL:RBLIM:2026:708

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
ROE 24/4429
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.R.N. Crombaghs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 RVV 1990Art. 5:6 APVArt. 5:8 APVArt. 5:9 APVArt. 1 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit college over handhaving parkeren camper op openbare weg wegens motiveringsgebrek

Eiser verzocht het college om handhavend op te treden tegen het parkeren van de camper van de buren, die deels op de openbare weg stond geparkeerd. Het college wees dit verzoek af, stellende dat geen overtreding was vastgesteld en dat handhaving onevenredig zou zijn.

De rechtbank beoordeelde de relevante wettelijke bepalingen, waaronder artikel 24 RVV Pro 1990 en artikelen 5:6, 5:8 en 5:9 van de APV. De rechtbank oordeelde dat het college terecht niet handhavend optrad op grond van artikel 24 RVV Pro 1990 en artikel 5:6 APV Pro, omdat geen overtreding was vastgesteld. Echter, het parkeren van de camper op de openbare weg was in strijd met artikel 5:8 APV Pro, en het college had onvoldoende gemotiveerd waarom het van handhaving afzag, wat een motiveringsgebrek opleverde.

Ook ten aanzien van artikel 5:9 APV Pro, dat het parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen regelt, was de motivering van het college onvoldoende. De rechtbank vernietigde daarom het bestreden besluit en droeg het college op binnen zes weken opnieuw te beslissen, met een duidelijke motivering over de overtredingen en belangenafweging.

Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser. De rechtbank wees erop dat het college in het nieuwe besluit ook moet motiveren waarom handhaving eventueel onevenredig zou zijn.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek en het college wordt opgedragen binnen zes weken opnieuw te beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 24/4429

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. S.J.A. Rollé),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beekdaelen

(gemachtigden: mr. T.E.J.M. Mobers-Goffin en D.D. Boots-Vogels).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] , uit [woonplaats 2] .
(gemachtigde: P. Meles)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser met betrekking tot het parkeren van de camper door de buren op de openbare weg voor de woning van eiser. Eiser stelt zich op het standpunt dat dit een overtreding oplevert. Het college heeft dit handhavingsverzoek afgewezen omdat het vindt dat geen sprake is van een overtreding. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de afwijzing van het handhavingsverzoek onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 5 mei 2023 een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Het college heeft deze aanvraag op 8 mei 2023 afgewezen.
2.1.
Eiser heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt. Het college is met zijn beslissing op bezwaar van 10 september 2024 (het bestreden besluit) bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van de derde-partij.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
3. De buren van eiser beschikken over een camper, die zij – om deze in en uit te ruimen – regelmatig zodanig parkeren dat het voertuig deels (met de voorwielen) op hun oprit en deels op de weg staat.
3.1.
Eiser stelt dat dit een overtreding oplevert van artikel 24 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), alsmede van de artikelen 5:6, 5:8 en 5:9 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Beekdaelen 2021 (APV). Eiser is van mening dat het college hiertegen handhavend dient op te treden en heeft om die reden een handhavingsverzoek ingediend. Ook voert eiser aan dat hij door deze wijze van parkeren overlast ondervindt. Hij stelt dat het voor hem niet langer mogelijk is zijn eigen auto normaal in en uit te rijden van zijn oprit, omdat de camper te ver uitsteekt. Daarnaast ervaart eiser hinder doordat zijn uitzicht wordt belemmerd; hij kijkt vanuit zijn woning direct tegen de camper aan, hetgeen hij als ontsierend beschouwt.
3.2.
Het college heeft naar aanleiding van het verzoek van eiser controles laten uitvoeren. Op basis van de controlerapporten stelt het college dat geen sprake is van een overtreding van de bepaling uit de RVV 1990 en ook niet van de relevante artikelen uit de APV. Het college heeft daarom besloten niet handhavend op te treden. Voor zover toch sprake zou zijn van een overtreding, voert het college aan dat deze van zeer geringe betekenis is. Volgens het college staat de camper niet structureel op de oprit, is de camper maar deels op de weg geparkeerd, is er geen sprake van een gevaarlijke situatie voor eiser of andere verkeersdeelnemers en ondervindt eiser feitelijk geen hinder van de geparkeerde camper. Handhavend optreden zou daarom onevenredig zijn in verhouding tot het belang dat met handhaving wordt gediend. Ook het algemeen belang is hier volgens het college niet in het geding.
3.3.
De rechtbank stelt voorop dat beoordeeld dient te worden of het college gehouden was tot het nemen van handhavingsmaatregelen. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het college slechts handhavend optreden indien sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift [1] en indien uit dat voorschrift volgt dat het college bevoegd is om tegen die overtreding op te treden. [2] De rechtbank zal daarom per relevant wettelijk voorschrift beoordelen of sprake is van een overtreding waarvoor het college bevoegd is handhavend op te treden. Indien daarvan sprake is, zal vervolgens worden beoordeeld of het college in dit geval in redelijkheid heeft kunnen afzien van handhaving.
Moest het college handhavend optreden op grond van artikel 24 van Pro de RVV 1990?
4. Uit artikel 24 van Pro de RVV 1990 volgt, voor zover hier van belang, dat een bestuurder zijn voertuig niet mag parkeren voor een in- of uitrit. Het college is bevoegd om handhavend op te treden als er een overtreding wordt geconstateerd van een bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) vastgesteld voorschrift, zoals artikel 24 RVV Pro 1990, indien het wegslepen van een voertuig noodzakelijk is in verband met a) het belang van de veiligheid op de weg, b) het belang van de vrijheid van het verkeer of c) het vrijhouden van aangewezen weggedeelten en wegen. [3]
5. De rechtbank is van oordeel dat niet gesteld noch gebleken is dat het wegslepen van de camper noodzakelijk was. Niet is gebleken dat de verkeersveiligheid in het geding was, noch dat de vrijheid van het verkeer werd belemmerd of dat een weggedeelte diende te worden vrijgehouden. Nu de noodzaak tot wegslepen ontbrak was het college niet bevoegd om handhavend op te treden in de zin van artikel 24 van Pro de RVV 1990. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Moest het college handhavend optreden op grond van artikel 5:6 van Pro de APV?
6. Uit artikel 5:6 van Pro de APV volgt dat het verboden is om een voertuig dat voor recreatie wordt gebruikt langer dan drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op de weg. De vraag die in dit geval voorligt is of de betreffende camper langer dan drie achtereenvolgende dagen (deels) op de weg stond geparkeerd.
7. De rechtbank komt tot het oordeel dat uit de gedingstukken, waaronder de controlerapporten, niet volgt dat de camper langer dan drie achtereenvolgende dagen (deels) op de weg stond geparkeerd. Evenmin is dit ter zitting komen vast te staan. Daarmee is niet gebleken dat sprake is van een overtreding van artikel 5:6 van Pro de APV. Daarnaast heeft eiser ter zitting bevestigd dat de camper momenteel niet langer dan drie achtereenvolgende dagen (deels) op de weg staat geparkeerd. Nu niet is vastgesteld dat sprake is van een overtreding van het betreffende wettelijke voorschrift, ontbreekt de grondslag voor handhavend optreden. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Moest het college handhavend optreden op grond van artikel 5:8 van Pro de APV?
8. Uit artikel 5:8 van Pro de APV volgt dat het verboden is een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op alle openbare wegen, met uitzondering van de door het college aangewezen parkeerplaatsen.
9. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de camper langer is dan 6 meter en hoger is dan 2,4 meter en met de voorwielen buiten de oprit, op het aangrenzende weggedeelte, staat geparkeerd. De rechtbank overweegt dat in de APV geen omschrijving staat opgenomen van het begrip ‘openbare weg’. De rechtbank sluit daarom aan bij de definitie van een weg zoals opgenomen in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994. Volgens deze bepaling wordt onder een weg verstaan: alle voor openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Het weggedeelte voor de oprit van eiser is toegankelijk voor het openbaar verkeer en dient derhalve te worden aangemerkt als ‘openbare weg’ in de zin van de APV. Nu vaststaat dat de camper met de voorwielen op dit weggedeelte staat geparkeerd, is sprake van parkeren op de openbare weg. Artikel 5:8 van Pro de APV vereist niet dat het gehele voertuig op de openbare weg staat. De rechtbank acht deze uitleg ook logisch. Indien het toegestaan zou zijn om voertuigen deels op de openbare weg en deels op privéterrein te parkeren, zou dit in de praktijk kunnen leiden tot veel hinder en onoverzichtelijke situaties. Het zou immers betekenen dat een aanzienlijk deel van de openbare ruimte structureel wordt ingenomen door voertuigen, waardoor de doorgang voor andere weggebruikers wordt belemmerd en het straatbeeld wordt aangetast. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het parkeren van de camper, zoals hier aan de orde, onder het verbod van artikel 5:8 van Pro de APV valt en er derhalve sprake is van een overtreding.
Beginselplicht tot handhaving
10. Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang is gediend met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Dat wordt ook wel de beginselplicht tot handhaving genoemd. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dit kan zich voordoen als concreet zicht op legalisatie bestaat. Verder kan handhavend optreden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, zodat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien.
Is handhavend optreden in deze situatie onevenredig?
11. De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van concreet zich op legalisatie. Dit is ter zitting bevestigd door het college. Dat betekent dat het college alleen van handhavend optreden mag afzien als dit onevenredig zou zijn in verhouding tot het doel dat met handhaving wordt gediend. Het college heeft volstaan met de mededeling dat sprake is van een overtreding van geringe aard, maar heeft niet toegelicht welk algemeen of bijzonder belang met artikel 5:8 van Pro de APV wordt beschermd. Ook is niet duidelijk gemaakt welke belangen zijn afgewogen en waarom het algemeen belang bij handhaving in dit geval zou moeten wijken. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit.
Moest het college handhavend optreden op grond van artikel 5:9 van Pro de APV?
12. Uit artikel 5:9 van Pro de APV volgt dat het verboden is om een voertuig van meer dan 6 meter lang of 2,4 meter hoog bij een woning op de weg te parkeren als daartoe het uitzicht van bewoners op hinderlijke wijze wordt belemmerd of zij anderszins hinder of overlast ondervinden. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat het verbod niet geldt voor de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig te plaatse noodzakelijk is.
13. De rechtbank is van oordeel dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom in dit geval geen sprake is van een overtreding van artikel 5:9 van Pro de APV. Eiser heeft aangevoerd dat hij hinder ondervindt van het parkeren van de camper, zowel doordat zijn uitzicht wordt belemmerd als doordat het uitrijden van zijn terrein wordt bemoeilijkt. Het college heeft deze stellingen niet afdoende weerlegd en heeft nagelaten te motiveren waarom geen sprake is van hinder of overlast als bedoeld in artikel 5:9 van Pro de APV. Hoewel het college heeft gesteld dat er geen sprake is van hinder voor eiser, blijkt uit de stukken niet op welke gronden het college tot dit oordeel is gekomen. Van het college mag worden verwacht dat het inzichtelijk en deugdelijk motiveert waarom het parkeren van de camper niet leidt tot hinder in de zin van de APV. Het enkele standpunt dat geen sprake is van hinder is onvoldoende. Daarmee voldoet het bestreden besluit ook op dit punt niet aan de motiveringsplicht.
14. Gelet op het bovenstaande constateert de rechtbank dat het bestreden besluit op meerdere punten onvoldoende is gemotiveerd. Om die reden zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. De overige beroepsgronden hoeven daarom niet meer verder te worden besproken.

Conclusie en gevolgen

15. Uit het voorgaande volgt dat aan het bestreden besluit meerdere motiveringsgebreken kleven. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.
15.1.
De rechtbank kan de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand laten of zelf in de zaak voorzien. Ook acht de rechtbank het niet doelmatig om een bestuurlijke lus toe te passen, gezien het aantal gebreken en de aard van het geschil. Het college wordt opgedragen om, met inachtneming van deze uitspraak, opnieuw op het bezwaar te beslissen. Hiervoor krijgt het college zes weken de tijd.
15.2.
In het nieuwe besluit moet het college duidelijk motiveren of en waarom sprake is van een overtreding van geringe betekenis ten aanzien van artikel 5:8 van Pro de APV. Daarnaast dient het college te beoordelen en te motiveren of sprake is van een overtreding van artikel 5:9 van Pro de APV. Als het college besluit dat sprake is van een overtreding van artikel 5:9 van Pro de APV, maar handhavend optreden onevenredig acht, moet het college dit onderbouwen met een kenbare en deugdelijke belangenafweging. Daarbij dient te worden gemotiveerd waarom in dit geval het algemeen belang bij handhaving moet wijken.
15.3.
Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 187,- moet vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten in beroep. Deze wordt, volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht, vastgesteld op € 1.868,- (2 punten [4] à € 934,-, wegingsfactor 1).
15.4.
De door eiser gevraagde proceskosten in bezwaar komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat het primaire besluit niet is herroepen. Het college dient hierover te beslissen in het nieuwe besluit op bezwaar.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het college op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R.N. Crombaghs, rechter, in aanwezigheid van
M.L. Neumann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 23 januari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 5:1, eerste lid. van de Awb.
2.Zie artikel 5:4, eerste lid, van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 170, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).
4.De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting).