ECLI:NL:RBLIM:2026:7040

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
C/03/343412 / FA RK 25-1452
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Nobis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:247 BWArt. 8 EVRMArt. 3 IVRKArt. 1:275 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ouderlijk gezag wegens ernstige bedreiging ontwikkeling minderjarige

De rechtbank Limburg behandelde op 28 mei 2026 een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over haar pasgeboren kind. De moeder was eerder geschorst in het gezag vanwege haar psychiatrische problematiek en verstandelijke beperking. De minderjarige verblijft sinds de geboorte in een pleeggezin.

De raad stelde dat de ouders niet in staat zijn om de zorg en opvoeding adequaat te dragen, mede door de psychiatrische stoornis van de moeder en de beperkte betrokkenheid van de vader. De moeder betwistte dit en gaf aan stabiel te zijn en de hulpverlening te accepteren, maar erkende ook dat zij nog stappen moet zetten. De gecertificeerde instelling bevestigde de problematiek en de noodzaak van voogdij.

De rechtbank oordeelde dat de moeder niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zal zijn om een veilige en gestructureerde opvoedingsomgeving te bieden. De ernstige psychiatrische problematiek, het beperkte ziekte-inzicht en de verstandelijke beperking maken dat zij onvoldoende pedagogische mogelijkheden heeft. Voortzetting van het gezag zou schadelijk zijn voor de minderjarige.

Daarom werd het gezag van de moeder beëindigd en de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd. De beslissing is direct uitvoerbaar bij voorraad en wordt geregistreerd in het gezagsregister.

Uitkomst: Het ouderlijk gezag van de moeder wordt beëindigd en de gecertificeerde instelling benoemd tot voogd over de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/343412 / FA RK 25-1452
Datum uitspraak: 28 mei 2026
Beschikking van de rechtbank over de gezagsbeëindiging
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, regio Limburg,
locatie Maastricht,
hierna te noemen: de raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat: mr. B.M.A. Jegers, kantoorhoudend in Heerlen,
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 juli 2025;
  • de door de raad overgelegde geboorteakte, ontvangen op 25 juli 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • een vertegenwoordigster van de raad;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 14 juli 2025, zaaknummer C/03/343714 / FA RK 25-1532 is de moeder geschorst in de uitoefening van het gezag over [minderjarige] en is de GI belast met de voorlopige voogdij voor de duur van drie maanden.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 8 augustus 2025 is voornoemde beschikking van 14 juli 2025 bekrachtigd en is bepaald dat de schorsing van het gezag en de voogdij over [minderjarige] door de GI ook na 14 oktober 2025 doorloopt totdat op het voorliggende verzoek is beslist.
2.4.
[minderjarige] verblijft in een (perspectief biedend) pleeggezin.
2.5.
De GI heeft zich bij brief van 1 juli 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3.Het verzoek

3.1.
De raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.1.1.
Ter onderbouwing van het verzoek stelt de raad dat er sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] , omdat de ouders onvoldoende in staat zijn om te overzien wat een pasgeboren kindje nodig heeft. De ouders zijn niet in staat om signalen van een (pasgeboren) kindje op te pikken en te lezen, waardoor ze niet adequaat kunnen reageren en het kindje niet geboden krijgt wat het nodig heeft. Zowel op praktisch vlak, als op sociaal emotioneel vlak, zoals het bieden van troost en nabijheid, liggen grote risico’s. Daarnaast zijn de ouders niet in staat om te erkennen dat ze de zorg voor het kindje na de geboorte nu en op korte of lange termijn niet kunnen dragen, waardoor het hen onvoldoende lukt om (emotionele) toestemming te geven voor een pleegzorgplaatsing. Daar komt bij dat het de moeder, met name vanwege haar persoonlijke psychiatrische problematiek, niet lukt om haar gezag in het belang van [minderjarige] in te zetten.
3.1.2.
De ouders zijn niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen, doordat er sprake is van zwakbegaafdheid en forse psychiatrische problematiek bij de moeder, die niet over gaat en waarbij er een groot risico bestaat dat zij opnieuw in een psychose raakt. Daarnaast is de vader beperkt betrokken en heeft hij zich, ondanks inspanningen van de raad, ook tijdens het gehele raadsonderzoek afzijdig gehouden. De raad kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de vader vooral zijn eigen plan trekt en onvoldoende beschikbaar kan zijn in de zorg voor een kindje. Voor de vader geldt bovendien dat hij vanwege zijn werk, dat van groot belang is voor hem, niet in staat is om de nodige praktische ondersteuning te bieden in de zorg voor een pasgeboren kindje.
Het lukt de moeder niet om haar gezag in het belang van haar kindje uit te oefenen, omdat zij vanwege haar zwakbegaafdheid en psychiatrische problematiek niet in staat is om haar eigen belang ondergeschikt te maken aan dat van [minderjarige] .

4.De standpunten ter zitting

Het standpunt van de moeder
4.1.
De moeder is het niet eens en concludeert tot afwijzing van het verzoek. [minderjarige] is sinds haar geboorte uit huis geplaatst en de moeder heeft daardoor geen eerlijke kans gehad om te laten zien dat zij voor [minderjarige] kan zorgen. De moeder is het niets eens met de visie van de raad dat de aanvaardbare termijn verstreken is vanwege de zwakbegaafdheid van de moeder. Dat is nooit vastgesteld en hiervan blijkt ook niet uit de verslagen van [accommodatie] . Zij erkent wel dat er psychiatrische klachten zijn. De moeder accepteert de hulp hiervoor en gebruikt medicatie. Zij is thans al twee jaar stabiel. De moeder komt de afspraken bij [accommodatie] altijd na. Zij begrijpt dat op dat gebied zorgen bestaan en ook op het gebied van de hygiëne. Echter de conclusie dat de moeder niet voor [minderjarige] kan zorgen, is te snel getrokken. Zij begrijpt wel dat zij nog enorme stappen moet zetten om die zorgen weg te nemen. De moeder maakt zich zorgen om [minderjarige] omdat ze in het pleeggezin niet goed wordt verzorgd. [minderjarige] krijgt geen fles aangeboden maar wel een fruithapje. Ook was de laatste keer tijdens de omgang geen luier meegegeven. Wel is de moeder blij dat [minderjarige] en haar zoon, [kind] , in hetzelfde pleeggezin verblijven. De moeder woont samen met de vader van [minderjarige] met wie ze al zeven jaar een stabiele relatie heeft. De moeder ziet [minderjarige] een keer per zes weken. Dit vindt zij te weinig en zij wil haar vaker zien. Daarover moet de moeder nog in gesprek met de GI. Zij wijst nog op artikel 8 EVRM Pro waarin is gesteld dat het gezag van een ouder slechts beëindigd kan worden als voorzetting van het ouderlijk gezag schadelijk is voor het kind. Dat is in deze niet aan de orde. De moeder heeft als doel om het contact met [minderjarige] beter te laten verlopen en uit te breiden. Als dat het hoogst haalbare is, hoeft dat niet te betekenen dat haar gezag beëindigd dient te worden.
Het standpunt van de GI
4.2.
De GI is, naast de betrokkenheid bij [minderjarige] , ook betrokken bij [kind] . Beide kinderen ontwikkelen zich positief binnen het pleeggezin en gaan naar het kinderdagverblijf (KDV). De pleegouders sturen updates over de ontwikkeling van beide kinderen naar de moeder. Dan is het jammer nu te horen dat de moeder zorgen heeft over het pleeggezin. De moeder kan haar zorgen bespreken in een RTO dat een keer per zes weken plaatsvindt. Daar is de moeder echter nooit bij aangesloten ondanks dat de GI de moeder daar telkens aan herinnert.
Aan de moeder is verzocht om de luiertas mee te nemen tijdens de omgang. Dat doet zij niet altijd met als gevolg dat het pleeggezin de schuld krijgt als er geen luiers voor [minderjarige] zijn. De bezoeken van de kinderen vonden eerst gescheiden plaats. Maar omdat [kind] in paniek raakte tijdens het bezoek aan de moeder, wat hij niet deed op het KDV, vinden de bezoeken van de kinderen aan de moeder samen plaats. Dat gaat beter, maar inhoudelijk wordt weinig gezien tijdens de omgang. De kinderen spelen met de begeleiding van het [hulpverlening] , maar niet met de moeder. [kind] probeert contact met de moeder te maken, maar dat lukt niet. De moeder moet erop gewezen worden dat zij [minderjarige] goed vasthoudt om haar niet te laten vallen.
De huidige omgang is het hoogst haalbare voor de moeder. [accommodatie] ziet een bestendig beeld bij de moeder, maar [accommodatie] ziet geen leermogelijkheden bij haar. Die situatie zal niet veranderen. Daarbij is van belang te melden dat er een zorgmachtiging voor de moeder is afgegeven zodat zij haar medicatie blijft nemen. De moeder is voor de GI nauwelijks bereikbaar en als de GI de moeder belt als er veranderingen zijn, neemt de moeder niet op. De GI is blij dat de moeder ter zitting aanwezig is. De GI bevestigt dat de moeder speelt met de kinderen, zoals de moeder ter zitting aangeeft, en dat er meer aandacht is voor de kinderen als de vader meekomt. De GI staat achter het verzoek van de raad zodat alles goed geregeld wordt voor [minderjarige] . Er zijn zorgen over [minderjarige] ’s kortademigheid en een ruisje waar onderzoeken voor lopen. Het is belangrijk dat er iemand altijd bereikbaar is.
Het standpunt van de raad
4.3.
De raad handhaaft het verzoek. De raad hoort ter zitting dat er sprake is van een relatief stabiel toestandsbeeld bij de moeder. Dat betekent echter niet dat daarmee de ernst van de zorgen verdwenen zijn. De raad hoort zeggen dat niet aantoonbaar is gemaakt dat voortzetting van het gezag schadelijk is voor [minderjarige] . De raad ziet dat een moeder die het allerbeste wil. Ondanks haar goede intenties zijn er twee begeleiders nodig in de contacten om te voorkomen dat de moeder haar aandacht voor [minderjarige] verliest of haar laat vallen. Gelet op de aanvaardbare termijn en kijkend naar [minderjarige] en de voorgeschiedenis ligt het perspectief niet meer bij de moeder.
De beoordeling
Wettelijk kader
4.4.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, onder a juncto het tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder, dat is geschorst, beëindigen, indien, een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.
4.5.
De rechtbank stelt voorop dat voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind gekeken moet worden naar de periode van onzekerheid die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling als gevolg van onzekerheid over de vraag waar hij verder zal opgroeien (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2008/2009, 32 015, p. 34). Volgens die toelichting is het afhankelijk van de leeftijd en de ontwikkeling van de minderjarige wat een redelijke termijn is, maar voor jongere kinderen zal de termijn over het algemeen korter zijn dan voor oudere kinderen. Een jarenlange (verlenging van de) ondertoezichtstelling past daar in beginsel niet bij.
4.6.
In geval dat het gaat om kinderen die zijn geplaatst in een pleeggezin speelt daarbij nog het belang dat er duidelijkheid moet komen over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van deze kinderen, zeker als zij al op jonge leeftijd uit huis zijn geplaatst. Als een thuisplaatsing niet meer mogelijk is, leidt het jaarlijks moeten verlengen van een machtiging tot uithuisplaatsing tot onzekerheid, terwijl het voor die kinderen erg belangrijk is dat de plaatsing door kan lopen en zij zich veilig kunnen hechten. Dat een ouder instemt met de plaatsing in het pleeggezin mag volgens de toelichting niet doorslaggevend zijn bij de beoordeling van een verzoek tot gezagsbeëindiging.
4.7.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder. [1] Inhoudelijke beoordeling
4.8.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.
4.9.
Op basis van het raadsrapport en het verhandelde ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn kan dragen.
De ernstige psychiatrische problematiek van de moeder en haar verstandelijke beperking maken dat de moeder over onvoldoende pedagogische mogelijkheden beschikt en niet in staat is om voor [minderjarige] als opvoeder beschikbaar te zijn en haar een veilige en gestructureerde opvoedingsomgeving te bieden.
De moeder is gediagnosticeerd met een schizo affectieve stoornis van het bipolaire type en heeft een beperkt ziekte-inzicht. De kans dat de moeder terugvalt in een psychose is volgens behandelaar [accommodatie] erg groot. De moeder is op die momenten onbereikbaar en kan geen beslissingen nemen in het belang van zichzelf of van haar kind(eren). [accommodatie] schetst bovendien dat de moeder, ook op het moment dat zij niet in een psychose zit, niet in staat is om beslissingen te nemen in het belang van een ander. In de zorg voor een kind en met name een kwetsbare baby, maakt dit bovendien dat moeder voortdurend toezicht en aansturing nodig heeft, wat feitelijk niet geboden kan worden door de hulpverlening.
[accommodatie] benoemt verder dat uit wetenschappelijk onderzoek bekend is, dat opgroeien bij een psychiatrische ouder kan leiden tot ernstige scheefgroei in de ontwikkeling vanwege beperkte beschikbaarheid met onvoorspelbaar en onbetrouwbaar gedrag. Hierdoor kan een kind niet vertrouwen op een ouder, lukt afstemming tussen kind en ouder niet goed en zijn er grote risico’s voor onveilige en gedesorganiseerde hechting bij kinderen.
De moeder is momenteel goed ingesteld op medicatie maar de kans op ontregeling is groot. Een gerechtelijke zorgmachtiging is nodig om de moeder stabiel te houden, omdat de verwachting is dat de moeder medicatie niet consequent zal nemen zonder deze stok achter de deur en hulpverlening vanuit [accommodatie] dan niet langer zal accepteren.
Daarnaast is de moeder bekend met een verstandelijke beperking.
De raad heeft onweersproken gesteld dat door [accommodatie] in 2013 is vastgesteld dat de moeder verstandelijk beperkt is (TIQ van 73) – waar de moeder het niet mee eens is –, waarbij [accommodatie] de inschatting maakt dat de cognitieve vermogens van de moeder als gevolg van meerdere psychoses verder gedaald zijn. De moeder is volgens [accommodatie] in de loop der jaren steeds slechter gaan functioneren en haar cognitieve functies lijken beduidend te zijn afgenomen.
De rechtbank stelt verder dat [minderjarige] na de geboorte vanuit het ziekenhuis direct in het pleeggezin is geplaatst vanwege de grote zorgen over de (thuis)situatie van de moeder. Sindsdien woont [minderjarige] in het huidige pleeggezin. De rechtbank leidt uit informatie en de verklaringen ter zitting van de raad en de GI af dat [minderjarige] zich goed en leeftijdsadequaat ontwikkelt in het pleeggezin.
Omgang tussen de moeder en [minderjarige] is het hoogst haalbare gebleken vanwege de kwetsbaarheid en beperkte leerbaarheid van de moeder. Tijdens de contactmomenten met [minderjarige] blijkt bijvoorbeeld dat de moeder telkens aangestuurd moet worden over hoe ze [minderjarige] veilig moet vasthouden. Ook heeft de moeder moeite met het onthouden van tips. Het is nodig gebleken dat twee begeleiders bij de contacten tussen de moeder en [minderjarige] en [kind] aanwezig zijn, omdat de moeder anders overvraagd wordt.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat het de wens van de moeder is om voor [minderjarige] te kunnen zorgen en dat de moeder van goede wil is, laat de praktijk zien dat het de moeder niet zal lukken vanwege haar zeer beperkte mogelijkheden. De moeder is zelf afhankelijk van hulpverlening om goed te kunnen functioneren.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder in de gegeven omstandigheden ook geen invulling kan geven aan haar ouderlijk gezag in de zin dat ze beslissingen kan nemen over (het leven van) [minderjarige] . Alleen al vanwege het zeer beperkt contact tussen de moeder en [minderjarige] is het niet realistisch dat de moeder weet wat in het belang van [minderjarige] nodig is. De moeder wil een uitbreiding van de contacten met [minderjarige] , maar laat het vervolgens na om hierover met de GI in gesprek te gaan, is vaak niet bereikbaar voor de GI en neemt niet deel aan RTO’s. Dat lukt niet vanwege de hiervoor geschetste problematiek van de moeder en de verwachting is niet dat er op afzienbare termijn voldoende verbetering in de situatie zal komen. Ondanks de eerdere inzet van hulpverlening, is de situatie van de moeder, van beide ouders, onveranderd.
Het belang van de moeder, om het gezag te behouden, dient te worden afgezet tegen het belang van [minderjarige] .
[minderjarige] is een baby die gelet op haar jonge leeftijd volledig afhankelijk is van de volwassenen om haar heen en daarom heel kwetsbaar is.
[minderjarige] heeft recht op en behoefte aan duidelijkheid over waar zij mag opgroeien en moet zich, gelet op de levensfase waarin zij zich bevindt, kunnen hechten aan de volwassenen die voor haar zorgen. Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] , is de aanvaardbare termijn voor haar verstreken. [minderjarige] heeft voor haar verdere ontwikkeling behoefte aan een gestructureerde, duidelijke, stabiele en veilige opvoedingsomgeving. Dit wordt haar door het pleeggezin geboden. Naar het oordeel van de rechtbank is de moeder nu niet, maar ook niet binnen een voor [minderjarige] afzienbare tijd in staat om aan [minderjarige] een dergelijke opvoedingsomgeving te bieden.
De rechtbank is gelet op het voorgaande ook van oordeel dat aan de wens van de moeder om haar gezag te behouden, nu de rechtbank van oordeel is dat contact tussen haar en [minderjarige] het hoogst haalbare is, niet kan worden tegemoet gekomen. Alleen al niet, omdat een gezaghebbende ouder te allen tijde bereikbaar, beschikbaar én in staat moet zijn om beslissingen in het belang van [minderjarige] te nemen. De moeder kan dit, zo blijkt uit het voorgaande, niet bieden. De moeder is niet altijd bereikbaar en beschikbaar, ook niet als ze niet ontregeld is, en zij heeft onvoldoende zicht op wat [minderjarige] nodig heeft.
Voorzetting van het ouderlijk gezag zal daarom schadelijk zijn voor [minderjarige] .
De belangen van [minderjarige] dienen te prevaleren boven het belang van de moeder bij instandhouding van het gezag.
4.10.
Door de beëindiging van het gezag van de moeder zal moeten worden bepaald wie voortaan gezagsbeslissingen over [minderjarige] zal mogen nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [minderjarige] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. [2] De GI – die tot op heden heeft voorzien in de voorlopige voogdij – heeft verklaard dat te willen doen. De rechtbank is van oordeel dat de GI de voogdij moet krijgen.
4.11.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
4.12.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van
[de moeder], geboren op [geboortedag 2] 1990 in [woonplaats] , over
[minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2025 in [woonplaats] ;
5.2.
benoemt de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam tot voogd over genoemde minderjarige;
5.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
5.4.
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het Centraal Gezagsregister, om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.
Deze beschikking is gegeven door mr. Nobis, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026, in aanwezigheid van Franssen-Peeters als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro.
2.Artikel 1:275, eerste lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.