ECLI:NL:RBLIM:2026:6802

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/03/342855 / FA RK 25-1313
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Raab
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 BWArt. 1:247 BWArt. 1:253 BWArt. 1:377 BWArt. 1:378 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding geregistreerd partnerschap met zorgregeling en kinderalimentatie vastgesteld

Partijen zijn in 2022 een geregistreerd partnerschap aangegaan en hebben twee minderjarige kinderen. De rechtbank ontbindt het geregistreerd partnerschap op verzoek van beide partijen vanwege duurzame ontwrichting.

De hoofdverblijfplaats van de kinderen wordt bij de vrouw vastgesteld, met een zorgregeling waarbij de man de kinderen in wisselende weken verzorgt, inclusief een gedetailleerde regeling voor vakanties en feestdagen. De rechtbank weegt de belangen van de kinderen en de praktische aspecten van reistijden mee.

De man heeft onvoldoende financiële gegevens overlegd, waardoor de rechtbank op basis van schattingen de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man berekent. De man moet vanaf 2 juli 2026 €410 per kind per maand aan kinderalimentatie betalen.

Verzoeken omtrent het huurrecht van de echtelijke woning en de afgifte van inboedel zijn afgewezen wegens intrekking en onvoldoende concreetheid. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve de ontbinding zelf, die pas ingaat na inschrijving in de registers.

Uitkomst: De rechtbank ontbindt het geregistreerd partnerschap, stelt de hoofdverblijfplaats en zorgregeling vast en legt kinderalimentatie van €410 per kind per maand op aan de man.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Roermond
Zaaknummer: C/03/342855 / FA RK 25-1313 en C/03/345091 / FA RK 25-1904
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Beschikking ontbinding geregistreerd partnerschap
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.M. van Tol uit Sittard,
en
[de man],
hierna te noemen de man,
wonend in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. S.J.C. Vaessen uit Roermond.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de vrouw met bijlage(n), ontvangen op 17 juni 2025;
- het verweerschrift van de man met bijlage(n), met daarin zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken), ontvangen op 2 september 2025;
- het verweerschrift van de vrouw op de zelfstandige verzoeken van de man;
  • het bericht van de vrouw met bijlage(n), tevens wijziging verzoek, van 11 mei 2026;
  • het bericht van de man met bijlage(n) van 20 mei 2026.
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de vrouw met haar advocaat;
  • de man met zijn advocaat.
1.2.
Tijdens de zitting heeft de advocaat van de vrouw pleitaantekeningen overgelegd.
Door de advocaat van de man is een e-mailbericht van zijn accountant, de overeenkomst tot overdracht van muziekrechten en een vaststellingsovereenkomst overgelegd.

2.Wat vaststaat

2.1.
Partijen zijn met elkaar een geregistreerd partnerschap aangegaan op [datum] 2022 in Sittard-Geleen.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2022 in [geboorteplaats 1] ;
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2024 in [geboorteplaats 2] .
2.3.
In de voorlopige voorzieningenprocedure heeft de rechtbank voor de duur van de procedure tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap (zoals opgenomen in het proces-verbaal van 11 september 2025) beslist dat de kinderen worden toevertrouwd aan de vrouw en dat een zorgregeling geldt tussen de man en de kinderen. Voorts zijn partijen overeengekomen dat de man een kinderbijdrage dient te voldoen van € 275,- per maand per kind. Partijen hebben hun verzoeken over en weer ingetrokken.

3.De beoordeling

Het ontbreken van het ouderschapsplan (ontvankelijkheid)
3.1.
In de wet staat dat een verzoekschrift tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap een ouderschapsplan moet bevatten dat beide partijen hebben ondertekend. In het ouderschapsplan staan de afspraken die partijen over hun kinderen hebben gemaakt. Deze afspraken moeten in ieder geval gaan over de manier waarop zij de zorg over hun kinderen zullen verdelen, hoe zij elkaar over hun kinderen zullen informeren en raadplegen en hoe zij de kosten van hun kinderen zullen delen.
3.2.
Geen van beide partijen heeft een, door beide partijen ondertekend, ouderschapsplan ingediend.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat partijen ontvankelijk zijn in hun verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap ook al ontbreekt een ondertekend ouderschapsplan. Dat wil zeggen dat de rechtbank de verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap in behandeling neemt. Van partijen kan niet worden verwacht dat zij alsnog samen een ouderschapsplan maken, omdat zij het nu grotendeels eens zijn over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. De rechtbank ziet er geen meerwaarde in dat dit nu nog in een ouderschapsplan moet worden vastgelegd.
Ontbinding geregistreerd partnerschap
3.4.
De rechtbank spreekt de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen uit zoals beide partijen verzoeken, omdat zij vinden dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. Dat betekent dat zij niet samen verder kunnen als geregistreerde partners.
Hoofdverblijfplaats
3.5.
De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar te bepalen. De man stemt in met dit verzoek. De rechtbank wijst het verzoek toe. Uit het verzoekschrift volgt niet dat het belang van de kinderen zich verzet tegen deze beslissing.
Zorgregeling
De vrouw
3.6.
De vrouw verzoekt een zorgregeling vast te stellen. Zij heeft bij brief van 11 mei 2026 verzocht een reguliere zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen de ene week van donderdag 13.30 uur tot vrijdag 18.00 uur bij de man verblijven en de andere week van donderdag 13.30 uur tot zondag 18.00 uur.
De vrouw stelt dat de wisseling eerder in [plaats 1] plaats vond. Vanwege de verhuizing van de man is de vrouw bereid deze wisseling te laten plaatsvinden in [plaats 2] . De vrouw vindt dat zij vanuit [woonplaats 1] niet verder hoeft te rijden dan eerder; het is voor rekening en risico van de man dat hij verder weg is verhuisd en dat de reistijd daardoor is toegenomen. De vrouw heeft nu ongeveer één uur reistijd. Het klopt dat de overdracht ook wel eens plaats heeft gevonden in [plaats 3] , maar de ouders van de vrouw hebben de kinderen toen opgehaald.
Voor wat betreft de vrijdag is de vrouw er mee akkoord als de wisseltijd 19.00 uur wordt, maar voor de zondag dient dit 18.00 uur te blijven. De kinderen gaan op maandagochtend naar school (opvang) en op korte termijn gaat [minderjarige 1] ook naar de basisschool. De kinderen liggen dan te laat in bed op zondagavond als de wisseltijd 19.00 uur wordt.
Voor wat betreft de vakanties en feestdagen stelt de vrouw dat partijen dit in onderling overleg kunnen regelen. Partijen dienen dan uiterlijk in februari van dat jaar te overleggen.
Het is akkoord dat er een basisregeling wordt vastgelegd, waarop partijen kunnen terugvallen als ze er in onderling overleg niet uit komen.
De man
3.7.
De man kan zich vinden in de voorgestelde reguliere zorgregeling, maar hij wil wel graag een wisseltijd om 19.00 uur. Met het oog op de toekomst kan hij voor wat betreft de zondag wel instemmen met een wisseling om 18.00 uur.
De man zou graag zien dat de wisseling in [plaats 3] plaatsvindt. Het klopt dat de man is verhuisd, maar de vrouw is eerder ook verhuisd. De man heeft dat ook geaccepteerd. Het is voor de man twee uur rijden naar [plaats 2] , terwijl het voor de vrouw een klein uurtje is. De man stelt voor dat ‘te delen’ en daarom de overdracht in [plaats 3] te laten plaatsvinden.
Voor wat betreft de verdeling van de vakanties en feestdagen kan de man beamen dat partijen nu beter in staat zijn om te overleggen, maar de man vindt het wel fijn als er toch duidelijke afspraken zijn. Als partijen er in onderling overleg uitkomen is dat helemaal goed, maar als dat niet lukt is het fijn als er iets is om op terug te vallen.
De rechtbank
3.8.
De rechtbank zal een reguliere zorgregeling bepalen waarbij de kinderen in de ene week van donderdag 13.30 uur tot vrijdag 19.00 uur bij de man zijn, met als wissellocatie [plaats 3] en in de andere week zijn de kinderen van donderdag 13.30 uur tot zondag 18.00 uur bij de man, waarbij de wissellocatie op de donderdag in [plaats 3] zal zijn en op zondag in [plaats 2] .
Voor wat betreft de tijdstippen zijn partijen het eens geworden op de zitting, zodat de rechtbank hen hierin zal volgen. Ten aanzien van de wissellocatie en de daarmee samenhangende reistijd is de rechtbank van oordeel dat niet alleen van de man gevergd kan/moet worden dat hij langer moet reizen.. De rechtbank neemt in die overweging mee dat het de vrouw is geweest die als eerste vanuit [plaats 4] naar [woonplaats 1] is verhuisd zodat zij de man nu niet kan tegenwerpen dat hij verder weg is verhuisd. Nu de kinderen (op korte termijn) op maandag naar school gaan, acht de rechtbank het wel in hun belang dat zij op zondagavond niet meer zo lang hoeven terug te reizen met de vrouw.
De rechtbank merkt voorts nog op dat tijdens de zitting ook nog is besproken hoe de reguliere zorgregeling eruit moet komen te zien als [minderjarige 1] 4 jaar wordt en naar school zal gaan. De vrouw heeft voorgesteld om dan een regeling van een weekend per twee weken aan te houden, met ‘compensatie’ in de vakanties. De man ziet meer in, bijvoorbeeld, woensdagmiddagen. Nu een verzoek vanaf die tijd niet voorligt, zal de rechtbank hier ook geen beslissing over nemen. Partijen zijn al van ver gekomen en kunnen nu beter overleggen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen hier ook in onderling overleg uit zullen komen.
De rechtbank heeft met partijen de vakantie- en feestdagenregeling ter zitting doorlopen. Het uitgangspunt voor (met name de vakanties) zijn de vrije dagen/ vakanties in de regio Zuid. Uiteraard staat het partijen vrij om in onderling overleg (aanvullende danwel andere) afspraken te maken, maar als basisregeling is het navolgende afgesproken:
De zomervakantie 2026 is een 2-2-1-1 regeling, vanaf de zomervakantie 2027 zal de man in zijn voorstel worden gevolgd. Dit houdt in dat de kinderen in de even jaren week 1, week 4 en week 5 bij de man zijn en week 2, week 3 en week 6 bij de vrouw. In de oneven jaren wordt dit gewisseld.
Tijdens de herfstvakantie zijn de kinderen in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw.
In de voorjaarsvakantie zijn de kinderen in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man.
De man heeft de kinderen in de even jaren tijdens de eerste week van de meivakantie en de vrouw in de tweede week. In de oneven jaren wordt dit gewisseld.
In de even jaren zijn de kinderen tijdens het begin van de Kerstvakantie tot en met Tweede Kerstdag in de middag bij de man en vervolgens vanaf de middag Tweede Kerstdag tot en met [geboortedag 2] in de middag bij de vrouw. Vanaf [geboortedag 2] de middag gaan ze naar de man, waarbij ze uiterlijk de zondag voordat school weer begint om 18.00 uur weer bij de vrouw zijn. In de oneven jaren wordt dit gewisseld. Aldus zijn de kinderen in de even jaren tijdens de Kerstdagen bij de man en tijdens Oud en Nieuw bij de vrouw en in de oneven jaren tijdens de Kerstdagen bij de vrouw en tijdens Oud en Nieuw bij de man.
In de even jaren zijn de kinderen op Eerste Paasdag bij de man en op Tweede Paasdag bij de vrouw. In de oneven jaren wisselt dit.
Tijdens Pinksteren (de zondag en maandag) zijn de kinderen in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man.
Met Hemelvaartsdag zijn de kinderen in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man.
Koningsdag wordt gevierd bij de ouder waar de kinderen, vanwege de meivakantie, verblijven.
Vaderdag is elk jaar bij de man en Moederdag is elk jaar bij de vrouw.
De verjaardagen van de ouders, verjaardagen van familieleden en Sinterklaas regelen de ouders in onderling overleg, waarbij rekening wordt gehouden met het naar school gaan van de kinderen en de verjaardag van de vrouw ( [geboortedag 3] ) en eventueel ‘gemiste’ dagen worden gecompenseerd.
Kinderalimentatie
De vrouw
3.9.
De vrouw verzoekt vast te stellen dat de man een bedrag van € 735,- per kind per maand aan kinderalimentatie aan haar betaalt vanaf 1 april 2024.
3.10.
De vrouw stelt de behoefte van de kinderen op € 1.700,- per maand.
Volgens de vrouw was het netto besteedbaar gezinsinkomen ten minste € 6.500,- per maand. Partijen hadden een luxeleven en de levensstandaard die zij genoten komt niet overeen met het inkomen dat de man stelt te hebben.
Door de man zijn weliswaar jaarstukken ingediend, maar deze jaarstukken kloppen niet. In het kader van de voorlopige voorzieningen heeft de man jaarstukken over 2022 en 2023 overgelegd. In het kader van deze procedure zijn die twee jaarstukken samengevoegd tot één stuk. Lopende activa komen niet overeen en de rekening-courant is nu aanzienlijk hoger. Dan zijn er aangiftes IB 2022 en 2023 overgelegd, maar die kunnen de prullenbak in, omdat de jaarstukken niet kloppen. Bovendien zijn er geen aanslagen overgelegd, zodat de aangifte ook niet gecontroleerd kan worden.
De nu overgelegde jaarstukken 2025 zijn een basis voor een berekening, maar rekening moet worden gehouden met het feit dat de man een rekening-courant faciliteit heeft. Hij laat niet zien hier op af te lossen, dus het zijn structurele inkomsten. De man legt ter zitting een e-mail van zijn accountant over, maar dat neemt niet weg dat de rekening-courant al drie jaar loopt.
Bovendien heeft de man niet al zijn inkomstenbronnen inzichtelijk gemaakt. De man verhult optredens en/of activiteiten en geeft geen inzage of uitleg over de omvang van zijn totale – inclusief contante en/of zwarte – inkomsten. Gelet op het tarief van de man, de boekingsprijs voor een half uur en de door de vrouw nagelopen optredens van de man, zouden zijn inkomsten heel wat hoger moeten liggen dan dat de jaarcijfers laten zien. De man legt geen facturen over; hij laat niets zien.
Daarnaast heeft de man, naast zijn eenmanszaak, ook nog een andere onderneming en zijn er nog inkomsten uit [bedrijf] . De man heeft dit laatste erkend, hij heeft een succesvol Nederlands nummer geschreven, maar stelt deze rechten te hebben verkocht. De vrouw betwist dat de man enkel de rechten heeft voor een succesvol Nederlands nummer. Ter zitting legt de man weliswaar stukken over met betrekking tot de overdracht van de muziekrechten, maar deze zijn niet ondertekend. Bovendien is onduidelijk of die inkomsten bruto of netto zijn.
De man stelt nu een netto besteedbaar inkomen te hebben van € 3.962,-, maar dan rijst de vraag hoe hij zijn lasten betaalt. De huur van de woning is € 1.700,-, er is een leaseauto van € 1.500,- en de man betaalt een kinderbijdrage van € 550,-. Hoe betaalt de man zijn overige lasten dan?
Als de vrouw alles bij elkaar optelt komt zij tot een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 9.000,- per maand. Dit dient de basis te zijn voor zowel de berekening van de behoefte van de kinderen als van de draagkracht van de man.
De vrouw vindt niet dat de man nog in de gelegenheid moet worden gesteld om nadere stukken in te dienen. De man komt met allerlei verhalen, maar feitelijk geeft hij gewoon geen inzage.
De man
3.11.
De man concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vrouw.
De man stelt de behoefte van de kinderen, geïndexeerd naar 2026, op € 973,- per maand.
De man haalt het door de vrouw gestelde inkomen bij lange na niet vanwege Corona en negatieve publiciteit. Daarnaast betaalt de man ook nog een bedrag van € 200,- per maand voor zijn zoon [kind] .
De man betwist contante en/of zwarte inkomsten te hebben; alles loopt via een boekingskantoor. De man ziet geen reden om alle facturen te overleggen; dat zegt ook niets over zwarte inkomsten die er niet zijn. De man heeft in alle eerlijkheid en openheid de stukken overgelegd die recht doen aan de situatie. De man rekent ook niet met een vast uurtarief. Het boekingskantoor factureert de optredens van de man en zij schrijven ook kosten af. De richtprijs is € 3.500,-, maar de man mag blij zijn als hij € 2.000,- ontvangt. Hij heeft gemiddeld 60 optredens per jaar, terwijl collega’s veel meer optredens hebben. Als alle facturen worden opgeteld dan heb je de omzet.
De man is bereid om de grootboeken te overleggen.
De man heeft ook nog contact gehad met zijn accountant en die heeft uitgelegd hoe het zit met de rekening-courant.
De man heeft niet alleen de muziekrechten van één succesvol Nederlands nummer verkocht, maar de hele catalogus. Hij heeft daarmee schulden afgelost. Het inkomen [bedrijf] was
€ 1.408,- per jaar. De vrouw rekent de man een stuk rijker dan dat hij is.
Door de vrouw wordt ook niet gerekend met kosten, terwijl die er wel zijn. Het jaar 2023 was dramatisch; de cijfers over 2025 laten wel een stijgende lijn zien.
De man zou graag een woning hebben met een lagere huur. Hij heeft de vrouw juist geholpen door weg te gaan uit de woning in [plaats 4] , zodat de vrouw ook van dat huurcontract af was. De man kan geen woning kopen, omdat hij geen financiering krijgt.
Overigens stelt de man dat de vrouw ook een hogere verdiencapaciteit heeft. De man had kunnen stellen dat de vrouw ook zwarte inkomsten heeft, maar dat doet hij niet. Er is nu uitgegaan van de cijfers die de vrouw zelf heeft opgesteld. Van de vrouw is er ook geen jaarrekening 2025 en daarnaast is onduidelijk wat zij aan kindgebonden budget ontvangt.
De rechtbank
3.12.
De rechtbank merkt als eerste op dat de man de rechtbank volstrekt onvoldoende heeft geïnformeerd. Het had op de weg van de man gelegen om, nu hij zelfstandige is, de jaarstukken van de afgelopen vijf jaren over te leggen, alsmede de aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting. Daarnaast had hij BTW aangiftes en grootboekrekeningen kunnen overleggen. De rechtbank heeft grote vraagtekens bij de opgestelde jaarstukken. De jaarstukken kloppen niet en sluiten niet op elkaar aan. Als productie 39 heeft de man nog het financieel rapport 2025 overgelegd. In dat rapport staan ook de cijfers per 31 december 2024. Die cijfers komen niet overeen met de cijfers per 31 december 2024 die staan vermeld in het financieel rapport 2024 (productie 17 van de man). Vervolgens staat in de winst en verliesrekening 2025 het vergelijkingsjaar 2023 genoemd. Zou dit een typefout zijn en 2024 moeten zijn (hetgeen overigens dan wel heel slordig is van de accountant/boekhouder), dan komen wederom de cijfers niet overeen met het jaar 2024. In 2024 zou er, blijkens het rapport 2025, een totaal van operationele kosten zijn van € 66.013,- en een resultaat voor belastingen van € 19.757,-. In het rapport van 2024 staan echter operationele kosten van € 55.713,- en een resultaat voor belastingen van € 30.057,-.
De man heeft wel een aantal btw-aangiftes overgelegd, maar geen aanslagen van de Belastingdienst.
De door de man overgelegde toelichting over zijn rekening-courant faciliteit acht de rechtbank ook onvoldoende. Op zichzelf is het juist dat bedragen die zijn opgenomen moeten worden terugbetaald, maar een verklaring waarom de rekening-courant sinds 2023 jaarlijks met ongeveer € 50.000,- stijgt ontbreekt. Er wordt gesteld dat diverse kosten wellicht uit de rekening-courant gehaald kunnen worden, maar enige specificatie ontbreekt en het geeft nog geen verklaring waarom de rekening-courant nu jaarlijks zoveel stijgt. De vraag rijst bovendien of dit ook voor 2024 dan nog moet gebeuren? Die rekening-courant sluit namelijk wel aan in de jaarrapporten. Het lijkt niet logisch dat, in 2026, de rekening-courant voor 2024 nog gecorrigeerd moet worden.
Daarnaast is er onduidelijkheid over de inkomsten uit muziekrechten. De man heeft gesteld dat niet alleen de rechten voor één succesvol Nederlands nummer zijn verkocht, maar al zijn muziekrechten. De man heeft gesteld dat dit bedrag is aangewend voor de aflossing van een schuld (bij zijn ex-schoonvader, de opa van zijn andere zoon [kind] ). De man heeft ter zitting de overeenkomsten overgelegd. Echter, de overeenkomst van de verkoop van de muziekrechten is enkel door de man ondertekend. Bovendien zijn de bijlages die horen bij die overeenkomst niet overgelegd. Uit bijlage 1 zou moeten blijken waarvan de man auteursrechthebbende is, maar die bijlage ontbreekt. Niet is vast te stellen of de man al zijn muziekrechten heeft verkocht. Daarbij wordt gesproken over alle werken van de man die zijn ontstaan voor 22 september. Een jaartal ontbreekt echter. Zou dit 2022 zijn geweest (onderaan de overeenkomst staat getekend op november 2022) dan is het vreemd dat een dergelijk bedrag niet in de jaarcijfers of de aangifte IB terugkomt. De vaststellingsovereenkomst voor het aflossen van de schuld is niet ondertekend. Daarbij zou de man voor de verkoop van de muziekrechten € 190.000,- ontvangen en bedraagt de aflossing van de schuld € 115.000,-. Hier komen nog wat extra kosten bij, maar dan nog wordt niet gekomen aan een bedrag van € 190.000,-. De vraag rijst dan wat er met de rest van het geld is gebeurd.
Dat de man, wegens verkoop van (een deel van) de muziekrechten, niet meer hetzelfde bedrag ontvangt als in het verleden wil de rechtbank wel aannemen, maar dat hij helemaal niets meer zou ontvangen is niet duidelijk geworden. De man stelt nu een veel lager bedrag van [bedrijf] te ontvangen, maar ook dit blijkt niet uit de jaarcijfers.
Kortom, er bestaat te veel onduidelijkheid over de inkomsten (en uitgaven) van de man. De vrouw heeft uitvoerig en gedocumenteerd betoogd dat de man ook zwarte inkomsten heeft (gehad). De man betwist zwarte inkomsten te hebben en is bereid om de grootboeken te overleggen, maar de rechtbank vindt dit te laat. Ook in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure is bovenstaande al aan de orde geweest. Dat de financiële rapporten zijn opgesteld aan de hand van de facturen neemt de rechtbank graag aan, maar daarmee is niet de vraag beantwoord of daarmee alle inkomsten van de man zijn verantwoord en hoe alles wordt betaald. Met de vrouw is de rechtbank van oordeel dat het vreemd is, dat de man eerder niet € 200,- per maand meer aan kinderbijdrage kon voldoen, maar wel € 600,- per maand aan hogere huur kan betalen.
Het had toch echt op de weg van de man gelegen om een beter inzicht te verschaffen in zijn inkomsten en uitgaven De man stelt dat alles blijkt uit de facturen, maar legt die vervolgens niet over. Weliswaar zegt het overleggen van alle facturen niets over eventuele zwarte inkomsten, maar het zou wel meer duidelijkheid hebben gegeven.
De rechtbank kan, gelet op bovenstaande, niet anders dan een schatting maken en zal dit ook doen voor zowel de berekening van de behoefte van de kinderen als de draagkracht van de man.
Ingangsdatum
De vrouw heeft verzocht om 1 april 2024 als ingangsdatum te hanteren. De rechtbank acht dit, gelet op de bereikte overeenstemming in de voorlopige voorzieningen procedure, niet redelijk. Niet gesteld noch gebleken is dat de man de toen afgesproken kinderbijdrage van
€ 275,- per kind per maand niet (meer) voldoet. Dat partijen verschillen van mening over de inkomsten van de man moge duidelijk zijn, maar dat wordt beoordeeld in het kader van deze procedure. De rechtbank acht het daarom redelijk om uit te gaan van de datum van deze beschikking.
BehoefteUitgangspunt voor het bepalen van de behoefte is het jaar waarin partijen nog het (nagenoeg) gehele jaar hebben samengeleefd. Partijen zijn in maart 2024 uit elkaar gegaan en in beginsel zou, voor de berekening van de behoefte, het jaar 2023 als uitgangspunt genomen moeten worden. De rechtbank ziet echter aanleiding om van het jaar 2024 uit te gaan. Enerzijds gaan partijen hier zelf ook van uit en anderzijds is [minderjarige 2] op [geboortedag 2] 2024 geboren.
De rechtbank heeft zoals hiervoor overwogen geen volledig beeld van de inkomsten van de man kunnen krijgen. Blijkens het jaarrapport 2024 heeft de man een winst uit onderneming van € 30.057,- per jaar. De man heeft echter nagelaten zijn daadwerkelijke inkomsten inzichtelijk te maken, zoals bijvoorbeeld de ontvangsten vanuit [bedrijf] . Ook vindt de rechtbank het aannemelijk dat de man ook zwarte inkomsten heeft gehad, gelet op hetgeen de vrouw hierover onderbouwd heeft gesteld en gezien het uitgavenpatroon zoals door de vrouw omschreven. Anderzijds vindt de rechtbank het ook aannemelijk dat de man last heeft gehad van de nasleep van Corona en dat de negatieve publiciteit rond zijn relatieperikelen hem geen goed hebben gedaan. De rechtbank schat dat de man in 2024 een winst uit onderneming van € 85.000,- heeft genoten.
De rechtbank volgt de vrouw niet in haar behoefteberekening. Zij heeft het enkel over netto-inkomsten. Om daar enkel van uit te gaan is niet reëel; de man zal immers ook belasting moeten betalen over zijn winst uit onderneming en zijn onttrekkingen.
De rechtbank komt dan tot een netto besteedbaar inkomen van € 4.747,- per maand.
Aan de zijde van de vrouw houdt de rechtbank rekening met een winst uit onderneming van € 12.555,- per jaar. Dit blijkt uit haar overgelegde aangifte IB 2024 (productie 47). Haar netto besteedbaar inkomen komt dan op € 998,- per maand.
Gelet op die cijfers, zouden partijen nog in aanmerking zijn gekomen voor een kindgebondenbudget van € 150,- per maand.
Daarnaast is onbetwist dat de man een bijdrage betaalt voor [kind] (zijn zoon uit een eerdere relatie) van € 200,- per maand.
Dat alles in samenhang bezien komt de rechtbank tot een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 5.695,- per maand. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen komt dan op € 1.388,- per maand. Geïndexeerd naar 2026, gelet op de ingangsdatum, bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.546,- per maand, oftewel € 773,- per kind per maand.
De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
De draagkracht
Nu de man zijn inkomsten niet inzichtelijk heeft gemaakt, zal de rechtbank de vrouw volgen in haar berekening van de inkomsten, te weten € 4.412,16 netto opnames uit de eenmanszaak, € 2.596,58 zwarte inkomsten en € 2.000,- netto per maand aan inkomsten uit muziekrechten, in totaal € 9.008,74 per maand, op jaarbasis € 108.104,88 (afgerond
€ 108.105,-), met dien verstande dat de rechtbank er wel vanuit gaat dat de man hierover belasting dient af te dragen. De rechtbank komt dan tot een netto besteedbaar inkomen van
€ 5.665,-per maand. In beginsel komt de rechtbank op een draagkracht van € 1.820,- per maand. Onbetwist is echter dat de man ook € 200,- per maand betaalt voor [kind] . De rechtbank houdt daarom rekening met een draagkracht bij de man van € 1.620,- per maand.
Aan de kant van de vrouw houdt de rechtbank rekening met een winst uit onderneming van € 27.147,-. Door de man is dit zo becijferd en de vrouw heeft dit niet betwist. Rekening houdende met een door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop, becijfert de rechtbank bij de vrouw een draagkracht van € 455,- per maand.
Als vervolgens rekening wordt gehouden met een zorgkorting van 25% becijfert de rechtbank een door de man te betalen kinderbijdrage van € 410,- per kind per maand.
De rechtbank verwijst ook daarvoor naar de aangehechte berekening.
Huurrecht echtelijke woning
3.13.
De vrouw had aanvankelijk verzocht te bepalen dat de man voortaan huurder zou zijn van de echtelijke woning gelegen te [plaats 4] .
Ter zitting heeft de vrouw dit verzoek ingetrokken.
De man had aanvankelijk verzocht te bepalen dat hij voortaan huurder zou zijn van de echtelijke woning gelegen te [plaats 4] .
Gebleken is dat de man inmiddels is verhuisd naar [woonplaats 2] . Hoewel hij zijn verzoek niet heeft ingetrokken, gaat de rechtbank er van uit dat de man zijn verzoek niet langer handhaaft. De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.
Afwikkeling van het huwelijksvermogen
3.14.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man, op grond van artikel 1.3 van de partnerschapsvoorwaarden, de inboedel ( die niet onder beroeps-of bedrijfsvermogen valt van de man) af te geven op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 25.000,-.
Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij niet de volledige inboedel heeft gekregen en dat er nog altijd spullen bij de man zijn. De vrouw heeft in mei 2024 foto’s gemaakt. Van de buurvrouw destijds heeft zij vernomen dat de man ging verhuizen. Zij heeft vervolgens nog wel spullen opgehaald, maar er ontbraken ook zaken zoals een tweepersoonsbed, een vaas van de oma en een Chanel zonnebril.
3.15.
De man concludeert tot afwijzing van het verzoek. De man heeft de vrouw meermaals uitgenodigd om hem te laten weten wat zij nog wil hebben. De man is eerlijk geweest over de verhuizing en heeft de vrouw gevraagd een lijstje te maken. Hij heeft vervolgens een hele lijst ontvangen en heel veel spullen laten staan. De man heeft alleen meegenomen wat van hem was. In het huis zijn toen nog veel spullen achtergebleven en de vrouw heeft die toen ook opgehaald. Bij de oplevering van die woning stonden er wel nog spullen en de man is er vanuit gegaan dat de vrouw die niet wilde. De man zou niet weten wat hij heeft meegenomen; hij is met een heel team bezig geweest om de woning netjes te maken.
3.16.
De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw af, omdat dit onvoldoende concreet is. Pas ter zitting is de vrouw gekomen met specifieke spullen die zij nog wil hebben. De man op zijn beurt heeft betwist die specifieke spullen nog te hebben. Nu niet is na te gaan of die specifieke zaken er waren en hoe alles is verlopen – de vrouw heeft immers wel spullen opgehaald – valt niet na te gaan of die zaken er waren/ hadden moeten zijn.
Voor zover de man er nog achter komt dat hij die specifieke zaken wel nog in zijn bezit heeft, wordt een dringend beroep op hem gedaan om die aan de vrouw terug te geven.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.17.
Partijen verzoeken de rechtbank de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De rechtbank wijst dit verzoek toe, behalve voor de ontbinding van het geregistreerd partnerschap. De ontbinding van het geregistreerd partnerschap kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het geregistreerd partnerschap pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Proceskosten
3.18.
De rechtbank bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt zoals dit gebruikelijk is in familiezaken.

4.De beslissing

4.1.
spreekt de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit tussen partijen, aangegaan op [datum] 2022 in Sittard -Geleen;
4.2.
bepaalt dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw hebben;
4.3.
bepaalt dat de kinderen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zijn:
- in de ene week van donderdag 13.30 uur tot vrijdag 19.00 uur, met als wissellocatie [plaats 3] en in de andere week van donderdag 13.30 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de wissellocatie op de donderdag in [plaats 3] zal zijn en op zondag in [plaats 2] :
stelt de verdeling van de vakanties en feestdagen als volgt vast:
- de zomervakantie 2026 is een 2-2-1-1 regeling, vanaf de zomervakantie 2027 verblijven de kinderen in de even jaren week 1, week 4 en week 5 bij de man en week 2, week 3 en week 6 bij de vrouw. In de oneven jaren wordt dit gewisseld;
- tijdens de herfstvakantie zijn de kinderen in de even jaren bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw:
- in de voorjaarsvakantie zijn de kinderen in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
- in de meivakantie heeft de man de kinderen in de even jaren tijdens de eerste week en de vrouw in de tweede week. In de oneven jaren wordt dit gewisseld;
- in de even jaren zijn de kinderen tijdens het begin van de Kerstvakantie tot en met Tweede Kerstdag in de middag bij de man en vervolgens vanaf de middag Tweede Kerstdag tot en met [geboortedag 2] in de middag bij de vrouw. Vanaf [geboortedag 2] de middag gaan ze naar de man, waarbij ze uiterlijk de zondag voordat school weer begint om 18.00 uur weer bij de vrouw zijn. In de oneven jaren wordt dit gewisseld. Aldus zijn de kinderen in de even jaren tijdens de Kerstdagen bij de man en tijdens Oud en Nieuw bij de vrouw en in de oneven jaren tijdens de Kerstdagen bij de vrouw en tijdens Oud en Nieuw bij de man;
- in de even jaren zijn de kinderen op Eerste Paasdag bij de man en op Tweede Paasdag bij de vrouw. In de oneven jaren wisselt dit;
- tijdens Pinksteren (de zondag en maandag) zijn de kinderen in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man;
- met Hemelvaartsdag zijn de kinderen in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man;
- Koningsdag wordt gevierd bij de ouder waar de kinderen, vanwege de meivakantie, verblijven:
- Vaderdag is elk jaar bij de man en Moederdag is elk jaar bij de vrouw;
- de verjaardagen van de ouders, verjaardagen van familieleden en Sinterklaas regelen de ouders in onderling overleg, waarbij rekening wordt gehouden met het naar school gaan van de kinderen en de verjaardag van de vrouw en eventueel ‘gemiste’ dagen worden gecompenseerd;
4.4.
bepaalt dat de man vanaf 2 juli 2026 een bedrag van € 410,- per kind per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de vrouw;
4.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve over de ontbinding van het geregistreerd partnerschap;
4.6.
bepaalt dat elke partij de eigen kosten van deze procedure draagt;
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Raab, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van Reijnders-Verlinden, griffier op 2 juli 2026.
Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.