Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict [plaats delict] Venlostaat – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: [9]
proces-verbaal uitslag vergelijkend sporenonderzoekstaat – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: [10]
getuigegehoord. Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: [13]
getuigegehoord. Hij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard: [14]
4.De kwalificatie
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Bovendien strandt een beroep op noodweer op de “eigen schuld”. De verdachte heeft immers de confrontatie gezocht of aanvaard waarbij hij een vuurwapen bij zich had. Daarnaast was het handelen van de verdachte niet proportioneel en subsidiair.
Er was sprake van een langlopend conflict tussen de verdachte en [getuige 3] over onder meer een ondeugdelijke wapen dat [getuige 3] aan de verdachte zou hebben verkocht. Beiden waren bevriend met getuige [getuige 6] , waarbij zij ook in elkaars vaarwater zaten. Ze kwamen elkaar tegen in een milieu waarover de verdachte weinig duidelijkheid wil geven. Op grond van het berichtenverkeer is duidelijk dat ze elkaar bleven opzoeken en uitdagen. Op 21 april 2025 hebben de verdachte en [getuige 3] telefonisch en via whatsapp contact gehad wat erin heeft geresulteerd dat zij hebben afgesproken bij de woning van de verdachte op de [plaats delict] in Venlo. Uit de inhoud van deze berichten leidt de rechtbank af dat [getuige 3] uit was op een confrontatie (Van de zijde van [getuige 3] kwam het bericht:
“Wie je wil bellen van Venlo of Blerick, bel wie je wil. Opkankeren met jou, ik ben nu hier”)en dat de verdachte deze confrontatie niet uit de weg ging
(“De achterdeur is open voor jullie”). Toen de verdachte samen met [medeverdachte] op de scooter via de [straat 1] de [plaats delict] inreed zag hij [getuige 3] en [slachtoffer] op de hoek bij de Voedselbank staan. De verdachte is toen samen met [medeverdachte] doorgereden naar de hoek van de parkeerplaats ( [plaats delict] , tussen Bureau Jeugdzorg en de apotheek [apotheek] ). De verdachte is dan in het bezit van zijn vuurwapen, dat geladen is, en dat zelfs doorgeladen en direct schietklaar is. Nadat [medeverdachte] enkele korte rondjes in de nabijheid van de verdachte heeft gereden, gebaart de verdachte dat hij weg moet rijden en vraagt hij [medeverdachte] , zo verklaart deze, om verderop te wachten op de verdachte. [medeverdachte] vertrekt dan in de richting van de kruising van de [straat 2] met de [straat 3] . De verdachte blijft, met zijn helm nog op, in de hoek op de stoep achter een boom staan. Vervolgens komen [getuige 3] en [slachtoffer] vanuit de richting van de Voedselbank in de richting van de verdachte lopen, waarbij [slachtoffer] voorop loopt met – op enig moment – een voorwerp in zijn rechterhand. Achteraf blijkt dit een mes te zijn. Op dat moment komt de verdachte achter de boom vandaan, zet een paar stappen in de richting van [slachtoffer] en [getuige 3] , pakt zijn vuurwapen, richt zijn arm(en) naar voren, komt tot stilstand, spreidt zijn benen en schiet op [slachtoffer] . [slachtoffer] maakt op het moment dat de verdachte schiet een opwaartse beweging met zijn rechterarm, loopt drie passen achteruit en valt op de grond waarbij het mes uit zijn rechterhand valt. De verdachte rent daarna weg in de richting van de kruising van de [straat 2] met de [straat 3] , waar [medeverdachte] kort daarvoor uit het zicht van de camera is verdwenen. De door de Forensische Opsporing gemeten afstand tussen de positie van de verdachte op het moment van schieten en de positie van [slachtoffer] bedroeg tussen de 12,25 en 15 meter. Niet exact duidelijk is of daarbij is uitgegaan van de plek waar het lichaam van [slachtoffer] is aangetroffen of de plek waarop [slachtoffer] zich bevond ten tijde van het schieten.
Zelfs als van het eerste wordt uitgegaan en rekening houdende met de drie achterwaartse passen, bevond [slachtoffer] zich ten tijde van het schieten op ruime afstand van de verdachte. Tijdens al het vorenstaande is, afgezien van de scooterrijder [medeverdachte] en een verderop voorbijrijdende fietser, tot op het moment waarop de verdachte schiet op [slachtoffer] niemand anders op de beelden te zien dan de verdachte, [slachtoffer] en [getuige 3] .
De wel door getuigen [getuige 1] en [getuige 2] genoemde derde persoon, die dus niet op de camerabeelden te zien is, loopt volgens die verklaringen in dezelfde richting als – en in het bijzijn van – [getuige 3] en [slachtoffer] .
De rechtbank acht evenmin aannemelijk geworden dat [slachtoffer] heeft geroepen dat ze op de verdachte zouden schieten. Dit vindt geen steun in het dossier. Integendeel. Getuige [getuige 2] verklaart juist dat [getuige 3] en de derde persoon – en niet [slachtoffer] – iets naar de verdachte riepen. Dit rijmt bovendien niet met de eerdere verklaring van de verdachte dat tegen hem zou zijn gezegd: “Als je wat hebt, schiet dan.” Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De straf
8.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
- [nabestaande 1] , de partner van het slachtoffer, vordert een schadevergoeding van
- [dochter 1] , de minderjarige dochter van het slachtoffer, vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordiger mevrouw [nabestaande 1] , vordert een schadevergoeding van € 22.700,00 bestaande uit € 20.000,00 wegens affectieschade en € 2.700,00 wegens gederfd levensonderhoud;
- [dochter 2] , de meerderjarige dochter van het slachtoffer, vordert een schadevergoeding van € 17.500,00 wegens affectieschade;
- [zoon] , de meerderjarige zoon van het slachtoffer, vordert een schadevergoeding van € 20.000,00 wegens affectieschade en € 17,80 wegens kosten uittreksel geboorteregister.
Affectieschade (partner en kinderen)Op grond van artikel 6:108 lid 3 BW Pro kunnen nabestaanden affectieschade vorderen in het geval het overlijden van het slachtoffer het gevolg is van een gebeurtenis waarvoor een ander, in dit geval de verdachte, aansprakelijk is.
De partner maakt aanspraak op vergoeding van affectieschade van € 20.000,00. Zij heeft gesteld dat zij de partner/levensgezel van [slachtoffer] is en dat zij tot zijn overlijden een duurzame gemeenschappelijke huishouding vormden (artikel 6:108 lid 4 onder Pro b BW).
Zij heeft in dat verband aangevoerd dat zij weliswaar formeel op een ander adres stonden ingeschreven, maar dat zij in de praktijk samenwoonden en op alle mogelijke manieren een gezamenlijke huishouding voerden. De verdediging heeft betwist dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De rechtbank zal de partner niet in de gelegenheid stellen om dit nader te onderbouwen, omdat dat dat een onevenredige belasting van het strafproces vormt. Wel stelt de rechtbank vast dat de partner en [slachtoffer] al jarenlang een affectieve relatie hadden en samen een dochter - [nabestaande 2] - hebben. Daarmee staat de partner in zo’n nauwe persoonlijke betrekking tot [slachtoffer] dat haar een beroep toekomt op de zogenaamde hardheidsclausule (artikel 6:108 lid Pro 4, aanhef en onder g BW). Gelet op het voorgaande zal de rechtbank overeenkomstig het Besluit vergoeding affectieschade een bedrag van € 17.500,00 aan de partner toewijzen en haar voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. Zij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
De kinderen van [slachtoffer] behoren tot de vaste kring van personen die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade (artikel 6:108 lid 4 aanhef Pro en onder d BW). De rechtbank zal daarbij uitgaan van de bedragen zoals vermeld in het Besluit vergoeding affectieschade. [dochter 1] is minderjarig, zodat de rechtbank een bedrag van
€ 20.000,00 zal toewijzen. [dochter 2] is meerderjarig en uitwonend, zodat de rechtbank een bedrag van € 17.500,00 zal toewijzen. [zoon] is meerderjarig. De rechtbank zal een bedrag van € 17.500,00 toewijzen, omdat de zoon tegenover de gemotiveerde betwisting van de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd dat hij thuiswonend is. Weliswaar staat vast dat de zoon stond ingeschreven op het adres van [slachtoffer] , maar onduidelijk is in hoeverre hij nog op dit adres woonde. [zoon] krijgt geen gelegenheid om het meerdere alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank zal [zoon] daarom voor wat betreft het meer gevorderde niet ontvankelijk verklaren in zijn vordering. Hij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Schokschade (partner)De rechtbank stelt voorop dat iemand die een ander (het primaire slachtoffer) door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt - afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden - ook onrechtmatig kan handelen jegens degene (het secundaire slachtoffer) bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt.
Het antwoord op de vraag óf jegens het secundaire slachtoffer onrechtmatig is gehandeld is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Gezichtspunten die daarbij een rol spelen zijn:
- de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad;
- de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met die onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan;
- en de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer.
Het recht op vergoeding van schokschade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot schade die volgt uit geestelijk letsel. Het moet gaan om geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig en in voldoende mate objectiveerbaar is. Bij samenloop van affectie- en schokschade moet de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding wegens schokschade rekening moet worden gehouden met de vergoeding wegens affectieschade.
€ 25,00 per maand. Zij verwijst in dit verband naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 juli 2025, ECLI:GHARL:2025:4282. De verdediging betwist deze post en stelt zich – onder verwijzing naar artikel 1:392 BW Pro - op het standpunt dat het slachtoffer niet verplicht is levensonderhoud aan de dochter te verstrekken, omdat dit van de partner kan worden verkregen.
ConclusieDe rechtbank zal de vorderingen van de benadeelde partijen als volgt toewijzen:
- de partner: € 31.066,26;
- de dochter [dochter 1] : € 21.350,00;
- de dochter [dochter 2] : € 17.500,00;
- de zoon [zoon] : € 17.517,80.
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
- wijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [nabestaande 1] van een bedrag van € 31.066,26, bestaande uit € 3.566,26 materiële schade en
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- wijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
- bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [dochter 1] van een bedrag van € 21.350,00, bestaande uit € 1.350,00 materiële schade en € 20.000,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- wijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [dochter 2] van een bedrag van €17.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- wijst ten aanzien van feit 1 de vordering van de benadeelde partij
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [zoon] van een bedrag van €17.517,80 bestaande uit € 17,80 materiële schade en € 17.500,00 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt
- bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
In de zaak met parketnummer 03.222572.24
- bepaalt dat de benadeelde partij
- veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.