ECLI:NL:RBLIM:2026:6577

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2615347:R-RK en NL:TZ:2615362:R-RK
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 lid 4 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen beslag en openbare verkoop woning in insolventieprocedure

Verzoekers hebben bij de rechtbank Limburg een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro, gericht op het verbod voor verweerster om het beslag op hun loon en de openbare verkoop van hun woning voort te zetten.

Tijdens de zitting op 23 juni 2026 zijn partijen verschenen en heeft verweerster een verweerschrift ingediend. Verzoekers hebben toegelicht dat zij na de verkoop van hun bedrijf en andere activa onvoldoende middelen hebben om aan hun verplichtingen te voldoen, terwijl verweerster stelt dat er geen sprake is van een deugdelijk minnelijk traject en dat verzoekers niet te goeder trouw zijn geweest in het nakomen van hun betalingsverplichtingen.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek moet worden afgewezen omdat het onaannemelijk is dat de schuldsaneringsverzoeken zullen slagen, mede vanwege het ontbreken van een minnelijk traject en het niet gebruiken van verkoopopbrengsten voor aflossing. Daarnaast weegt het zwaarwegende belang van verweerster, die anders financieel nadeel zou lijden, zwaarder dan het belang van verzoekers om de woning te behouden.

De verzoeken tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden aangehouden in afwachting van een reactie van verzoekers. De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af en houdt de toelatingsverzoeken aan.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af en houdt de toelatingsverzoeken tot schuldsanering aan.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Team Insolventie
Zittingsplaats Maastricht
Rekestnummers: NL:TZ:2615347:R-RK en NL:TZ:2615362:R-RK
Uitspraak van 26 juni 2026
in de zaak van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum 1] 1979 te [geboorteplaats 1]
en
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum 2] 1977 te [geboorteplaats 2] ,
beiden wonende te [adres 1] , [woonplaats] ,
hierna te noemen verzoekers
tegen
[verweerster],
gevestigd te [adres 2] , [vestigingsplaats] ,
gemachtigde: mr. D.E.M. Ghijsen,
hierna te noemen verweerster,
tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro (Fw).
Samenvatting
Er is verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank wijst de verzoeken af.

1.De procedure

1.1.
Verzoekers hebben bij verzoek ingekomen op 16 juni 2026 verzocht om de vaststelling van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287 lid 4 Fw Pro en vervolgens de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken.
1.2.
Ter zitting van 23 juni 2026 zijn verschenen:
- verzoekers;
- [naam 1] , namens Kredietbank Limburg;
- [naam 2] namens verweerster, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. D.E.M. Ghijsen;
- [naam 3] namens de beschermingsbewindvoerder.
1.3.
Verweerster heeft ter zitting een verweerschrift overgelegd.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
2.1.
De rechtbank is verzocht om verweerster gedurende een termijn van zes maanden te verbieden om het beslag op het loon en de openbare verkoop van de woning van verzoekers, met het adres [adres 1] , [woonplaats] , voort te zetten.
2.2.
Ter zitting is hier naar aanleiding van het verweer nog aan toegevoegd dat de opbrengst van de verkoop van het bedrijf ca. € 120.000,- is geweest en dat daarvan in eerste instantie € 80.000,- en later nog eens € 27.000,- naar de belastingdienst zijn gegaan. Van het restant is een auto voor verzoekster gekocht voor € 9.000,-. De rest is gebruikt om van te leven. De privéonttrekkingen hebben daar ook betrekking op. Na de opheffing van het bedrijf is verzoeker per 1 april 2023 als ZZP’er gaan werken onder hetzelfde KvK-nummer.
2.3.
Verzoeker heeft als ZZP’er nimmer fulltime gewerkt. In de periode dat verzoeker nog door het Leger des Heils werd ingehuurd (tot begin dit jaar) kwam hij samen met de uren voor Zo Wonen gemiddeld op 25-30 uur per week. Per 7 mei 2026 is verzoeker vervolgens via uitzendbureau Job Place gaan werken, maar dit was maar van korte duur. Deze week heeft verzoeker een dag meegelopen bij Jeugdzorg en dat gaat hij nog twee dagen doen. De vooruitzichten voor verzoeker zijn goed: hij kan er een opleiding volgen en het is het werkgebied waarin verzoeker graag zou willen werken. Verzoeker ontkent dat er sprake is van een alcoholverslaving. Hij zou niet bij Jeugdzorg kunnen werken als hij verslaafd is. In de periode dat verzoeker thuis zat, maakte hij hoogstens 1-1,5 fles wijn per dag open, maar dan is er geen sprake van een verslaving, aldus verzoeker.
Inmiddels is er nog maar één auto. De motor en scooter die op naam van verzoeker staan, zijn van familieleden.
2.4.
Verzoekster werkt 24 tot 28 uur per week bij Vivantes en heeft daarnaast nog een eigen nagelstudio waar zij gemiddeld 17 klanten per maand ontvangt. Zelf heeft zij berekend dat zij 13 uur per week werkzaam is in haar nagelstudio. Per klant is verzoekster ca. 2 uur bezig. Als de rechter haar voorhoudt dat zij volgens een berekening gemiddeld 7,75 uur per week besteedt aan klanten, geeft verzoekster aan dat zij toch wel 13 uur per week zit. Van haar inkomen kan verzoekster ondanks het beslag toch alle vaste lasten betalen. Er blijft echter niet veel geld over.

3.Het verweer

3.1.
Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek dient te worden afgewezen.
3.2.
Hiertoe is door verweerster aangevoerd dat de ontstaansgeschiedenis van de vordering van verweerster anders is dan wordt vermeld in het verzoek. De vordering van verweerster is oorspronkelijk ontstaan bij [naam BV] . Doordat verzoeker niet reageerde op betalingsverzoeken is er op 11 oktober 2024 een notariële akte opgemaakt. Het was dus niet allemaal zo vrijblijvend als verzoekers aangeven in het verzoek. Ook daarna heeft verzoeker opnieuw niet voldaan aan de in de notariële akte opgenomen betalings-regeling. Ook op andere momenten toen verzoeker de beschikking moet hebben gehad over financiële middelen, zoals na de verkoop van het bedrijf omstreeks april 2023 met een opbrengst van vermoedelijk tussen de € 100.000,- en € 150.000,- of na de verkoop van 1200 banden die bij [naam BV] zijn afgenomen en waarvan mag worden aangenomen dat die zijn doorverkocht, is er niets terugbetaald van de vordering.
3.3.
Met betrekking tot het juridisch kader wordt aangevoerd dat:
  • er geen deugdelijk minnelijk traject is doorlopen nu alleen aan verweerster een aanbod van € 25.000,- is gedaan zonder dat er een berekening van de afloscapaciteit is gemaakt en er geen pro-rato aanbod aan alle schuldeisers is gedaan;
  • het onaannemelijk is dat verzoekers toegelaten zullen gaan worden tot de Wsnp, aangezien de goede trouw ontbreekt. Vóór de verkoop van zijn onderneming heeft verzoeker zeer veelvuldig en omvangrijke bestellingen geplaatst zonder daarvoor te betalen. Het ging om ca. 1200 banden. De geschatte omzet van de verkoop van deze banden van ca. € 300.000,- is niet gebruikt om de vordering (deels) af te lossen. Ook de opbrengst van de verkoop van het bedrijf is niet gebruikt voor betaling van de vordering;
  • het niet aannemelijk is dat verzoekers de Wsnp-verplichtingen gaan nakomen. De continuïteit van het inkomen van verzoeker is niet onderbouwd, stukken worden niet op tijd aangeleverd en verzoeker kampt met een alcoholprobleem. De verklaring van verzoekster dat de alcoholverslaving onder controle zou zijn nu verzoeker weer werkt, is geen verklaring van een hulpverlener zoals vereist in de Wsnp;
  • er geen serieuze intentie is om tot een minnelijke regeling te komen.
3.4.
Daar komt bij dat het belang van verweerster zwaarwegend is. Verweerster wordt geconfronteerd met een schuldenaar die zijn verplichtingen gedurende meerdere jaren niet nakomt (de vordering is ontstaan in 2022-2023), waardoor er hoge kosten zijn gemaakt nu de hele executieprocedure is doorlopen, meerdere beslagen zijn gelegd en de veiling is georganiseerd. Als er een Wsnp wordt ingesteld vervalt het beslag van verweerster van rechtswege en wordt haar vordering concurrent en zal verweerster slechts een fractie van haar vordering ontvangen, terwijl de woning de enige substantiële verhaalsmogelijkheid is en overwaarde aanwezig is. Daarnaast is het zeer aannemelijk dat de woning alsnog in het Wsnp-traject verkocht moet worden.
3.5.
Verder wordt er nog melding gemaakt dat er naast twee auto’s ook nog een motor en een scooter in bezit zijn van verzoekers. Tevens wordt er gewezen op de privéonttrekkingen die er blijkens de jaarcijfers hebben plaatsgevonden. In de periode 2023 t/m 2025 betreft het ruim € 169.000,-.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank wijst de verzoeken af, omdat het heel onaannemelijk is dat de schuldsaneringsverzoeken gaan slagen. Er heeft geen minnelijk traject plaatsgevonden en schulden lijken niet te goeder trouw onbetaald te zijn gelaten. Dit blijkt onder andere doordat van een deel van de verkoopopbrengst van het bedrijf een auto is gekocht, terwijl de enkele reisafstand naar het werk van verzoekster slechts 7 km bedraagt, er al langere tijd niet fulltime is gewerkt door beiden. Dit terwijl er geen beperkingen zijn. Ook zijn er ca 1200 banden verkocht, maar hiermee is niet een deel van de vordering van verweerster betaald. Daarnaast is het de vraag of verzoekers klaar zijn voor een Wsnp, aangezien het aanleveren van een ID-bewijs bij de beschermingsbewindvoerder nu al niet is gelukt, waardoor de beschermingsbewindvoerder haar werkzaamheden niet kan starten.
4.2.
Verder is het niet mogelijk om de woning te behouden. Ook in de schuldsanerings-regeling dient de woning te worden verkocht. Het kan immers niet zo zijn dat een schuldenaar na het verkrijgen van de schone lei nog een zo waardevol vermogensbestand-deel heeft met een overwaarde van vermoedelijk ca. € 150.000,-.
4.3.
Daar komt nog bij dat verweerster een zwaarwegend belang heeft. Bij een Wsnp moet de opbrengst van de woning worden gedeeld met de andere schuldeisers, maar nu mag verweerster de gehele opbrengst zelf houden. Het belang van verzoekers is om de woning te behouden, maar dat mag dus ook in de Wsnp niet. Bij verweerster zou het niet doorzetten van de veiling te veel financieel nadeel opleveren. Het belang van verweerster weegt daarom zwaarder dan dat van verzoekers.
4.4.
Met betrekking tot het beslag op het inkomen ziet de rechtbank ook niet dat de belangen van verzoekers zwaarder wegen. Helemaal nu verzoekers hun vaste lasten van het overgebleven inkomen kunnen betalen.
4.5.
Verzoekers wordt verzocht om uiterlijk 10 juli 2026 aan te geven of zij hun verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling nog ter zitting behandeld willen hebben of dat zij deze verzoeken intrekken. In afwachting van dit bericht worden de verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling aangehouden.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af;
5.2.
houdt de verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling aan in afwachting van de reactie van verzoekers uiterlijk 10 juli 2026.
Dit is de beslissing van mr. G.M. Drenth, rechter, in samenwerking met N.W.M. Clement, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.
Hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan verzoek(st)er en door de in de procedure verschenen belanghebbenden hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden bij het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen, te rekenen van de dag van de uitspraak en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden