ECLI:NL:RBLIM:2026:6342

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
C/03/345718 / FA RK 25-2071
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van Swaaij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:157 BWArt. 1:158 BWArt. 21 Rv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging partneralimentatie op grond van overeenkomst over ingangsdatum en duur

De rechtbank Limburg heeft op 23 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak over de beëindiging van partneralimentatie tussen een man en een vrouw na hun echtscheiding in 2021.

De man verzocht de rechtbank om de onderhoudsverplichting jegens de vrouw te beëindigen per 1 maart 2026, omdat partijen tijdens de echtscheidingsprocedure een overeenkomst hadden gesloten dat de partnerbijdrage acht jaar zou duren vanaf 1 maart 2018. De vrouw betwistte het bestaan van deze bindende afspraak.

De rechtbank oordeelde dat uit correspondentie, eerdere beschikkingen en rechtsoverwegingen ondubbelzinnig blijkt dat partijen overeenstemming hadden bereikt over de ingangsdatum en duur van de alimentatieverplichting. De rechtbank beëindigde de partneralimentatie per 1 maart 2026 en bepaalde dat de vrouw de onverschuldigd betaalde bedragen na die datum aan de man moet terugbetalen.

Daarnaast veroordeelde de rechtbank de vrouw tot betaling van de proceskosten omdat zij zonder concrete onderbouwing de overeenkomst bleef betwisten en onterecht aanspraak maakte op betaling, waardoor de man nodeloze kosten heeft moeten maken.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de partneralimentatie per 1 maart 2026, veroordeelt de vrouw tot terugbetaling van onverschuldigde betalingen en tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
C/03/345718 / FA RK 25-2071Zaaknummer : C/03/345718 / FA RK 25-2071
Beschikking van 23 juni 2026 betreffende alimentatie
in de zaak van:
[de man],
wonend in [plaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. C.C.B. Breij, kantoorhoudend in Schinnen , gemeente Beekdaelen ,
tegen:
[de vrouw],
wonend in [plaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp, kantoorhoudend in Valkenburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Het procesverloop blijkt uit het volgende:
- het verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 19 september 2025;
- het F9 formulier met bijlage van de man, binnengekomen bij de rechtbank op 9 oktober 2025;
- het verweerschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 18 november 2025;
- het F9 formulier met bijlage van de vrouw, binnengekomen bij de rechtbank op
2 februari 2026;
- de mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 21 april 2026 en waarbij zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de pleitaantekeningen van de vrouw, ter zitting overgelegd.
1.2.
Na aanhouding ter zitting hebben partijen nog de navolgende stukken aan de rechtbank doen toekomen;
- het F9 formulier met bijlage van de vrouw, binnengekomen bij de rechtbank op
8 mei 2026;
- de brief van de man, binnengekomen bij de rechtbank op 11 mei 2026.

2.De vaststaande feiten

2.1
Deze rechtbank heeft op 6 augustus 2021 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die uitspraak is op 11 oktober 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2
Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk is geboren de thans nog minderjarige:
- [minderjarige] , op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] .
2.3
Bij voornoemde echtscheidingsbeschikking van 6 augustus 2021 heeft deze rechtbank aan de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, verder te noemen de kinderbijdrage, opgelegd van € 700,00 per maand.
Ingevolge wettelijke indexering bedraagt die bijdrage nu € 873,00 per maand.
2.4
Daarnaast heeft de rechtbank aan de man een uitkering tot levensonderhoud, verder te noemen partnerbijdrage, opgelegd van € 2.408,00 per maand. Ingevolge wettelijke indexering bedraagt die bijdrage nu € 3.002,00 per maand.

3.Het verzoek en het verweer

3.1
Het verzoekschrift houdt in dat de rechtbank voor zover mogelijk , uitvoerbaar bij voorraad, bepaalt dat:
  • de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw conform artikel 1:158 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) eindigt per 1 maart 2026, althans een zodanige einddatum vast te stellen als de rechtbank in goede justitie juist acht;
  • de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2
De man stelt dat partijen gedurende de echtscheidingsprocedure afspraken hebben gemaakt over de hoogte en de duur van de partnerbijdrage. Volgens de man hebben partijen afgesproken dat hij met ingang van 1 maart 2018 gedurende 8 jaar gehouden is om een partnerbijdrage aan de vrouw te voldoen. Hij verwijst daartoe naar de door hem overgelegde gevoerde correspondentie tussen de advocaten, de beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van 16 november 2020 (zaaknummer C/03/265257 / FA RK 19-2150) en de echtscheidingsbeschikking van 6 augustus 2021 (zaaknummer C/03/265278 / FA RK 19-2156). Uit de overwegingen in deze beschikkingen blijkt ondubbelzinnig dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de duur van de partnerbijdrage. De duur en de ingangsdatum zijn niet in het dictum opgenomen omdat daartoe door geen van beide partijen een verzoek is gedaan. Dit doet er volgens de man echter niet aan af dat partijen deze afspraak hebben gemaakt. De man heeft voorts verzocht om de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure omdat zij ondanks de afspraken tussen partijen er nog steeds, geheel onterecht, vanuit blijft gaan dat er geen overeenstemming zou over de duur van de partnerbijdrage zodat de man opnieuw gedwongen is om een gerechtelijke procedure te starten.
3.3
De vrouw concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de man onder veroordeling van de man in de proceskosten, subsidiair onder compensatie van de proceskosten.
3.4.
De vrouw betwist dat er een bindende afspraak is gemaakt over de looptijd van
8 jaar vanaf 1 maart 2018. Zowel uit de beschikkingen van de rechtbank als uit de correspondentie tussen partijen kan niet worden afgeleid dat er een overeenkomst tot stand is gekomen als bedoeld in artikel 1:158 BW Pro.
3.5.
Op de door partijen betrokken stellingen zal de rechtbank hierna, voor zover van belang, ingaan.
4 De beoordeling
4.1.
De beslissing op de verzoeken van partijen is ter zitting op verzoek van partijen aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen om in nader overleg tot overeenstemming te komen. De rechtbank heeft partijen daarnaast in de gelegenheid gesteld om het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de echtscheidingsprocedure alsnog in het geding te brengen. Partijen hebben de rechtbank vervolgens schriftelijk laten weten niet tot overeenstemming te zijn gekomen en hebben de rechtbank verzocht om een beschikking af te geven. Daarbij heeft de man ermee ingestemd dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 juli 2021 in voormelde echtscheidingsprocedure wordt opgevraagd en alsnog in het geding gebracht. De vrouw heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:158 BW Pro kunnen partijen vóór of na de beschikking tot echtscheiding bij overeenkomst bepalen of, en zo ja, tot welk bedrag, na de echtscheiding de één tegenover de ander tot een uitkering tot diens levensonderhoud zal zijn gehouden. Indien in de overeenkomst geen termijn is opgenomen, is artikel 1:157 BW Pro, eerste tot en met vijfde lid en zevende lid van overeenkomstige toepassing.
4.3.
Partijen verschillen van mening of er gedurende de echtscheidingsprocedure een overeenkomst tot stand is gekomen over de ingangsdatum en de limitering van de duur van de partnerbijdrage.
4.4.
De man verwijst ter onderbouwing van zijn stellingen dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen naar voormelde beschikkingen voorlopige voorzieningen van 16 november 2020 en de echtscheidingsbeschikking van 6 augustus 2021.
4.5.
Rechtsoverweging 2.8. van de beschikking voorlopige voorzieningen luidt:
“2.8. Na enig debat ter zitting hebben partijen met betrekking tot de partneralimentatie overeenstemming bereikt in de zin dat de man met ingang van 27 oktober 2020 € 2.408,00 bruto per maand aan de vrouw zal betalen en waarbij partijen het er over eens zijn dat deze betalingen vallen onder de tussen partijen afgesproken termijn van acht jaar dat de man de partneralimentatie zal betalen.”
4.6.
Rechtsoverwegingen 2.5.10. tot en met 2.5.15. van de echtscheidingsbeschikking luiden:

2.5.10 Op de zitting voorlopige voorzieningen van 27 oktober 2020 hebben partijen overeenstemming bereikt over een voorlopige partnerbijdrage van € 2.408,- bruto per maand. In onderling overleg waren partijen daarvoor al overeengekomen dat de man met ingang van 1 maart 2018 gedurende acht jaar een onderhoudsbijdrage verschuldigd was. Ook in deze procedure hebben partijen gesteld dat dit nog steeds de geldende afspraak is. Zij verschilden en verschillen echter van mening over de hoogte van de door de man te betalen bijdrage. Uit de overgelegde correspondentie volgt dat bij de gemaakte afspraken eerder sprake was van een aanvullende behoefte van netto € 1.500,- en bruto € 2.408,-, maar dat in een later stadium weer discussie is ontstaan.
2.5.11.
De vrouw stelt dat zij onvoldoende gegevens van de man heeft gekregen om definitief iets te kunnen zeggen over haar behoefte en zijn draagkracht. De vrouw wenst, na aanvulling van haar standpunt op de zitting, dat er een partnerbijdrage van in ieder geval (ongeveer) € 3.000,- bruto per maand wordt vastgesteld, zodat zij (naar eigen zeggen) een netto bedrag van € 1.500,- overhoudt. De vrouw stelt dat zij gezien haar inkomen in de hoogste belastingschijf (van circa 50 %) terecht komt.
2.5.12.
De man stelt dat hij onvoldoende gegevens van de vrouw heeft gekregen om definitief iets te kunnen zeggen over haar aanvullende behoefte. Subsidiair dient te worden aangesloten bij de bijdrage die in onderling overleg eerder was vastgesteld, hoewel de man opmerkt dat de vrouw inmiddels een hoger eigen inkomen heeft.
2.5.13.
Hoewel de rechtbank onvoldoende stukken (tijdig) heeft ontvangen om een beslissing te kunnen nemen over precieze draagkracht en behoefte, is het gelet op het verschil in financiële positie tussen partijen wel duidelijk dat de vrouw behoefte zal hebben aan een aanvullende partnerbijdrage. Beide partijen lijken daarbij te kunnen leven met een aanvulling van het inkomen van de vrouw met ongeveer € 1.500,- netto per maand, maar vooral van mening te verschillen over de vraag welk bruto bedrag verschuldigd zou zijn om tot die uitkomst te komen.
2.5.14.
De vrouw stelt daarbij vooral dat indien zij in een hogere belastingschijf zou vallen, de ontvangen partnerbijdrage extra belast is en zij dus een hogere bijdrage nodig heeft. Daarbij lijkt de vrouw te miskennen dat voor zover zij al in een hogere belastingschijf zou vallen, alleen dat deel dat boven de € 68.508,- zou vallen in de hogere schijf zou vallen. Het leeuwendeel van de bijdrage blijft ook dan belast tegen het lagere tarief. Dat de eerder overeengekomen bruto bijdrage van € 2.408,- tot een, gelet op een netto aanvullende behoefte van € 1.500,-, onaanvaardbaar resultaat zou leiden, is de rechtbank niet gebleken.
2.5.15.
Gelet hierop en nu daarnaast ook niet is gebleken dat de tussen partijen overeengekomen voorlopige partnerbijdrage niet voldoet aan de wettelijke maatstaven, zal de rechtbank conform de voorlopig overeengekomen partnerbijdrage beslissen. Daarbij merkt de rechtbank op dat partijen hebben gesteld dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw geldt voor de duur van acht jaar, te rekenen vanaf 1 maart 2018. Nu geen daartoe strekkend verzoek is ingediend, kan de rechtbank deze termijn niet in het dictum opnemen.”
4.7.
De vrouw verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat partijen nooit een dergelijke afspraak hebben gemaakt naar de door haar overgelegde correspondentie tussen partijen van vóór de echtscheidingsbeschikking. De rechtbank is echter van oordeel dat uit deze correspondentie enkel blijkt dat er gedurende de echtscheidingsprocedure overleg heeft plaatsgevonden tussen partijen over de hoogte van het bruto equivalent van het netto bedrag aan partnerbijdrage van € 1.500,-. Dit ligt ook in lijn met de tekst van het e-mailbericht van mr. Kreutzkamp van 22 januari 2020 (productie 7 van het verzoekschrift voorlopige voorzieningen; bijlage 4 bij verzoekschrift):
“Ten aanzien van de alimentatieafspraak was ik even abuis. Inderdaad is afgesproken een bedrag van € 1.500,- netto bijdrage per maand gedurende 8 jaren vanaf 1 maart 2018.”
De rechtbank is van oordeel dat het bestaan van de overeenkomst over de ingangsdatum en duur van de alimentatieverplichting reeds hieruit ondubbelzinnig blijkt.
4.8.
De vrouw heeft daarnaast gesteld dat de door de man gestelde afspraak niet is opgenomen in het dictum van de echtscheidingsbeschikking. Dit is echter geen (wettelijk) vereiste voor de totstandkoming van een overeenkomst. De man heeft bovendien bij de mondelinge behandeling toegelicht waarom dit niet is gebeurd. Volgens hem bleek bij de mondelinge behandeling in de echtscheidingsprocedure dat niet (vooraf en schriftelijk) was verzocht om vastlegging van de tussen partijen gemaakte afspraak en dat de rechtbank om die reden bij de mondelinge behandeling is gevraagd de afspraak in ieder geval in de rechtsoverwegingen op te nemen, hetgeen ook is gebeurd. Ook uit die rechtsoverweging blijkt het bestaan van de overeenkomst.
4.9.
De vrouw heeft desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat partijen bij de mondelinge behandeling in de echtscheidingsprocedure enkel hebben gezegd dat er onderhandelingen over de ingangsdatum en duur van de alimentatie zijn geweest, maar niet dat hierover overeenstemming was bereikt. Behalve dat uit het hiervoor aangehaalde e-mailbericht en de hierboven aangehaalde rechtsoverweging in de echtscheidingsbeschikking juist het tegendeel blijkt, heeft de vrouw deze stelling niet verder onderbouwd of toegelicht, bijvoorbeeld door het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de echtscheidingsprocedure over te leggen. Zij heeft in haar brief van 8 mei 2026 juist expliciet geen toestemming verleend (aan de man) om het proces-verbaal van die mondelinge behandeling alsnog in het geding te brengen. De rechtbank is van oordeel dat het, gezien het feit dat juist alles wijst op het bestaan van de overeenkomst, juist op de weg van de vrouw had gelegen om haar stellingen nader toe te lichten en te onderbouwen. Gelet op artikel 21 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.
4.10.
Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat partijen tijdens de echtscheidingsprocedure overeenstemming hebben bereikt over de ingangsdatum (1 maart 2018) en de duur (acht jaar) van de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw. De rechtbank zal dan ook overeenkomstig het daartoe strekkend verzoek van de man de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw per 1 maart 2026 beëindigen.
4.11.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat de vrouw van hem nog steeds betaling van de partnerbijdrage verlangt, ondanks dat de datum van 1 maart 2026 inmiddels is gepasseerd en de kwestie nu ter beoordeling aan de rechtbank voorligt. De vrouw heeft bij gelegenheid daarvan ook aangegeven aanspraak te blijven maken op betaling. Nu de datum waarop de alimentatieverplichting is geëindigd inmiddels is gepasseerd, dient de rechtbank ambtshalve te beoordelen of de vrouw de nadien aan haar betaalde bedragen aan de man dient terug te betalen.
Volgens vaste rechtspraak geldt dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt (of in dit geval: beëindigt) met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, aan de hand van hetgeen in de procedure is gebleken dient te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval van de vrouw in redelijkheid kan worden verlangd de met ingang van 1 maart 2026 ontvangen bijdragen terug te betalen. De vrouw heeft, terwijl er een overeenkomst over de ingangsdatum en de duur van de partnerbijdrage voorlag, desondanks aanspraak gemaakt op betaling van termijnen die gelegen zijn na de datum waarop de onderhoudsverplichting van de man eindigt. Dit is bij de mondelinge behandeling ook aan de orde gekomen en de vrouw heeft daarbij haar standpunt herhaald. De vrouw behoorde er rekening mee te houden dat het verzoek van de man tot beëindiging van de onderhoudsverplichting per 1 maart 2026 zou worden toegewezen. Nu niet gesteld of gebleken is dat de vrouw niet in staat is om het door de man onverschuldigd betaalde terug te betalen en de rechtbank evenmin is gebleken dat zulks niet van haar gevergd kan worden, acht de rechtbank geen termen aanwezig om van voormeld uitgangspunt af te wijken. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de vrouw de door de man met ingang van 1 maart 2026 tot heden betaalde partneralimentatie aan de man dient terug te betalen.
4.12.
De man verzoekt de vrouw te veroordelen in de proceskosten omdat zij hem, ondanks de overeenstemming tussen partijen, de onderliggende correspondentie tussen partijen en voornoemde beschikkingen van deze rechtbank, heeft gedwongen tot het starten van een gerechtelijke procedure met alle kosten van dien.
4.13.
De rechtbank ziet in de proceshouding van de vrouw aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat proceskosten in een procedure van familierechtelijke aard tussen partijen worden gecompenseerd. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw aan de zijde van de man nodeloze proceskosten heeft veroorzaakt door zonder enige concrete onderbouwing de uit de correspondentie en de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank overduidelijk blijkende overeenkomst tussen partijen te (blijven) betwisten en (ten onrechte) aanspraak te blijven maken op betaling van de alimentatie. Voor de rechtbank weegt zwaar dat de vrouw expliciet bezwaar heeft gemaakt tegen het alsnog in het geding brengen van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de echtscheidingsprocedure en daarmee heeft geprobeerd het onderzoek naar de feiten te bemoeilijken. Uit de opstelling van de vrouw blijkt dat de man geen enkele andere keuze had dan naleving van de overeenkomst van partijen door middel van deze procedure af te dwingen. De rechtbank zal voor de vaststelling van hetgeen de vrouw ter zake aan de man verschuldigd is, aansluiten bij het toepasselijk liquidatietarief (2 punten) en dit vermeerderen met hetgeen door de man aan griffierecht is betaald. Dit is respectievelijk (2 x 653=) € 1.306,- en € 331,-. De rechtbank zal de vrouw dan ook veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 1.637,- ter zake van veroordeling in de proceskosten.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
beëindigt de verplichting van de man tot verstrekking van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 maart 2026;
5.2
bepaalt dat de vrouw de door de man in de periode vanaf 1 maart 2026 tot heden aan haar betaalde partneralimentatie aan de man dient terug te betalen;
5.3.
veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van de proceskosten, aan de zijde van de man gevallen en vastgesteld op € 1.637,-;
5.4.
verklaart deze beschikking ten aanzien van de onder 5.2. en 5.3. vermelde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Swaaij, rechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 23 juni 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.