Uitspraak
Rechtbank Limburg
1.Het verloop van de procedure
2.De vaststaande feiten
3.Het verzoek en het verweer
- de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw conform artikel 1:158 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) eindigt per 1 maart 2026, althans een zodanige einddatum vast te stellen als de rechtbank in goede justitie juist acht;
- de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.
2.5.10 Op de zitting voorlopige voorzieningen van 27 oktober 2020 hebben partijen overeenstemming bereikt over een voorlopige partnerbijdrage van € 2.408,- bruto per maand. In onderling overleg waren partijen daarvoor al overeengekomen dat de man met ingang van 1 maart 2018 gedurende acht jaar een onderhoudsbijdrage verschuldigd was. Ook in deze procedure hebben partijen gesteld dat dit nog steeds de geldende afspraak is. Zij verschilden en verschillen echter van mening over de hoogte van de door de man te betalen bijdrage. Uit de overgelegde correspondentie volgt dat bij de gemaakte afspraken eerder sprake was van een aanvullende behoefte van netto € 1.500,- en bruto € 2.408,-, maar dat in een later stadium weer discussie is ontstaan.