ECLI:NL:RBLIM:2026:6327

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
03.263588.24
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36f SrArt. 45 SrArt. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag met koksmes na conflict in Venray

Op 17 augustus 2024 ontstond een conflict in Venray waarbij de vrouw van de verdachte werd mishandeld door een groep mannen. De verdachte haalde een koksmes uit zijn restaurant en sloeg daarmee op het hoofd van het slachtoffer, wat resulteerde in een snijwond en schedelbreuk. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer en verwierp het beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer.

De rechtbank oordeelde dat het geweld disproportioneel was en dat de verdachte niet in een noodweersituatie verkeerde toen hij het mes gebruikte. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 4.385,-, bestaande uit materiële en immateriële schade.

Het in beslag genomen mes werd verbeurd verklaard en de mobiele telefoon werd teruggegeven aan de rechthebbende. De rechtbank legde tevens een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalde dat de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij wordt veroordeeld.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag met gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.263588.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 30 juni 2026
in de strafzaak tegen
[naam verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens verdachte] ,
wonende te [adres verdachte] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. N. Claassen, advocaat kantoorhoudende te Rotterdam.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 16 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Hij is ter terechtzitting verschenen, evenals zijn advocaat mr. M. Aynan. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
op 17 augustus 2024 te Venray heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven door met een koksmes op diens hoofd te slaan (
primair), dan wel hem zodoende zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (
subsidiair).

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, omdat de verdachte, door met een koksmes op het hoofd van [slachtoffer] te slaan, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij hem zou doden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde, omdat er teveel onduidelijkheid bestaat over de aard en de intensiteit van het handelen en over het gebruikte object om te kunnen stellen dat er sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood. Verder worden in het forensisch rapport geen uitspraken gedaan over de kans op overlijden, terwijl uit vaste rechtspraak volgt dat niet iedere steekverwonding een aanmerkelijke kans op de dood oplevert.
De raadsman heeft partiële vrijspraak bepleit van het slaan en steken. De verdachte heeft gezwaaid met het mes om [slachtoffer] af te schrikken, hetgeen (een keer) snijden met het koksmes oplevert.
Voor de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
De bewijsmiddelen:
Verbalisantenrelateerden – zakelijk weergegeven – onder meer als volgt: [2]
Op 17 augustus 2024 om 03.58 uur kregen wij een melding van het Operationeel Centrum om te gaan naar de [straatnaam 1] te Venray. Daar zou een vechtpartij plaatsvinden. Kort hierna hoorden wij van het Operationeel Centrum dat er twee melders een mes hadden gezien. Melders zouden dit mes omschrijven als een groot, breed, slagersmes van ongeveer 20 centimeter.
Omstreeks 04.05 uur waren wij ter plaatse. Wij zagen een groep van zo'n zeven mannen staan ter hoogte van de kruising [straatnaam 1] / [straatnaam 2] . Wij zagen dat de mannen naar een man wezen die een flinke snee op zijn linker voorhoofd had. Wij zagen dat de man veel bloed in zijn gezicht had. Wij vroegen de man met de snee wat er was gebeurd. Wij hoorden dat de man zei dat hij met een machete op zijn hoofd was geslagen. Wij zagen dat de snede in het voorhoofd van de man ongeveer 10 centimeter lang was en ongeveer twee centimeter breed was. De man en tevens slachtoffer overhandigde mij, [naam verbalisant] , een geldig Nederlands identiteitsbewijs. Ik zag dat het ging om [slachtoffer] , [geboortegegevens slachtoffer] .
Wij vroegen nogmaals aan [slachtoffer] wat er was gebeurd. Wij hoorden dat
hij zei: "Ik ben gestoken door de eigenaar van het Surinaams restaurant." Wij zagen dat hij in de richting wees van de [straatnaam 1] waar het Surinaamse restaurant zat.
[naam verdachte] is de eigenaar van het Surinaams restaurant.
[slachtoffer] heeft
aangiftegedaan en heeft – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende verklaard: [3]
Ik zag dat de eigenaar van de Surinaamse eetwinkel terug kwam gelopen. Ik stond toen nog met iemand te praten. Ik zag dat de eigenaar van de Surinaamse
eetwinkel op de kruising stond van de [straatnaam 1] - [straatnaam 2] - [straatnaam 3] . Ik ging vervolgens verder met praten. Opeens voelde ik een hevige pijn in mijn gezicht. Ik viel op de grond en het was even zwart voor mijn ogen. Ik viel op mijn knieën. Ik keek op om te kijken wie dat deed. Ik zag een metalen voorwerp. Ik zag dat de eigenaar van de Surinaamse restaurant nog een keer uithaalde. Ik ben in het ziekenhuis geweest tot 17 augustus 12.30 uur ongeveer.
Het metalen voorwerp was een hakmes. Je weet wel z'n ding waarmee je vlees hakt.
In het ziekenhuis zeiden ze tegen mij dat mijn schedel was geraakt. Mijn huid is
eigenlijk opengebarsten. Ik heb 9 hechtingen.
Uit de
letselrapportage Forensische GeneeskundeGGD Zuid-Limburg naar aanleiding van het letselonderzoek bij [slachtoffer] volgt – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende: [4]
A. Op de linkerzijde van het voorhoofd is een scherp begrensde, streepvormige, rood tot bruine huidbeschadiging zichtbaar van circa 10 cm lang. De huidbeschadiging loopt van de haargrens tot aan de linker wenkbrauw en er zijn 9 zwarte hechtdraden zichtbaar. De huidbeschadiging is bij de wenkbrauw oppervlakkig en deels
onderbroken.
B. Op de linkerzijde van het voorhoofd is een scherp begrensde, wijkende huidbeschadiging met in de diepte bloed zichtbaar. De diepte van de wond reikt tot in het onderhuidse weefsel.
Conclusie
Het is sprake van een snijwond op het linker voorhoofd met hieronder een schedelbreuk en tekenen van een hersenschudding.
Een verbalisant heeft
de camerabeelden van het naburige restaurant [naam restaurant]bekeken en heeft daarover – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende gerelateerd: [5]
Op 17 augustus 2024 werden er beelden vastgelegd door de beveiligingscamera’s van restaurant [naam restaurant] , [straatnaam 1] 11 te Venray. Ik zag om 03:53:01 uur de verdachte terugrennen naar het restaurant. Ik zag dat hij enkele seconden binnen was. Ik zag om 03:53:19 uur, dat de verdachte weer naar buiten rende. Ik zag dat hij iets in zijn rechterhand vasthield. Ik zag dat dit voorwerp zilverkleurig was. Ik zag dat hij dit voorwerp in zijn rechterhand vasthield. Ik zag dat de verdachte met het voorwerp in zijn rechterhand terug rende in de richting waar de ruzie gaande was. Ik zag dat de verdachte al rennend het voorwerp, op de rug, in zijn broeksband/riem, deed.
Getuige [naam getuige]heeft – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende verklaard: [6]
Ik liep toevallig over de [straatnaam 1] in de richting van de kruising met [straatnaam 2] / [straatnaam 3] te Venray. Ik zag ongeveer 10 à 12 personen bij elkaar staan. Ik hoorde dat er met elkaar gesproken werd. De zwarte jongens wilden met de vrouw vechten van eigenaar van het Surinaamse restaurant. Ik zag dat de eigenaar van het Surinaamse restaurant ook bij die groep kwam staan en hij wilde de zaak rustig houden. Ik hoorde dat zijn vrouw kwaad reageerde naar andere personen. Er werd door die zwarte jongens met de vrouw van het restaurant gevochten. Die vrouw werd door die zwarte jongens geslagen. De Surinaamse man was daarbij en ik zag dat hij terugliep naar de zaak. Ik zag dat hij vrij snel daarna terugkwam uit die zaak. Ik zag dat hij een soort vierkant mes, ongeveer 15 cm groot bij zich had. Ik zag dat hij die in zijn broek stopte. Ik zag dat hij naar de groep jongens ging en weer in gesprek ging. Ik hoorde dat die zwarte jongens riepen dat ze hem dood zouden maken en ik hoorde dat ze dat ook riepen tegen zijn vrouw. Ik zag dat de eigenaar van het restaurant samen met een van die zwarte jongens een stukje [straatnaam 2] inliep. Dat is maar enkele meters. Ik zag dat de Surinaamse man, de eigenaar van het restaurant, het slagersmes uit zijn broek tevoorschijn haalde en een slag maakte op het voorhoofd van die zwarte jongen.
De verdachteverklaarde ter terechtzitting – zakelijk weergegeven en voor zover relevant – het volgende:
Ik herken mezelf op de beelden uit het dossier. Ik heb een oud koksmes uit de keuken gepakt en ben daarmee terug naar buiten gelopen naar de vechtpartij.
De bewijsoverweging:
De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af.
De vrouw van de verdachte (hierna: de vrouw) is in de bewuste nacht in conflict gekomen met een groep zwarte jongens. Dat conflict is uitgemond in een gevecht, waarbij de vrouw door jongens uit die groep is geslagen. De verdachte probeerde een en ander te sussen, maar toen dat niet lukte, is hij naar zijn restaurant gelopen en heeft daar een koksmes gehaald. Dit mes heeft hij in zijn broeksband gedaan en hij is naar de groep jongens teruggegaan. Na met hen in gesprek te zijn gegaan, is hij met één van hen – het latere slachtoffer - enkele meters [straatnaam 2] ingelopen. Daar heeft hij het mes uit zijn broeksband gepakt en daarmee op het hoofd van het slachtoffer geslagen. Het slachtoffer heeft daardoor een snijwond op het voorhoofd en een schedelbreuk opgelopen.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het door de verdachte toegepaste geweld is te kwalificeren als een poging tot doodslag. De rechtbank stelt daarbij allereerst vast dat er geen aanwijzingen bestaan dat de verdachte van meet af aan uit is geweest op de dood van het slachtoffer. Van vol opzet is dan ook geen sprake. Wel acht de rechtbank bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad. Het slaan met de scherpe zijde van een koksmes op het hoofd van een persoon levert naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op de dood van die persoon op. De verdachte heeft ook met kracht geslagen, nu het slachtoffer een schedelbreuk heeft opgelopen. De gedragingen van de verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook willens en wetens heeft aanvaard. Dat de verdachte enkel zwaaiende bewegingen met het mes heeft gemaakt (om belagers op afstand te houden) zoals de verdacht en zijn raadsman hebben betoogd, volgt de rechtbank niet. De getuige [naam getuige] – een toevallige (en daarmee onafhankelijke) voorbijganger – heeft immers verklaard dat de verdachte een slag maakte op het voorhoofd van het slachtoffer, hetgeen iets anders is dan “in het wilde weg” zwaaien.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte gepoogd heeft het slachtoffer van het leven te beroven.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
op 17 augustus 2024 te Venray ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met een hakmes heeft geslagen op het hoofd van [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het beroep op noodweer:
Het standpunt van de verdediging:
De raadsman heeft een beroep op noodweer gedaan. De handelingen van de verdachte zijn gerechtvaardigd ter verdediging van zichzelf dan wel ter verdediging van zijn vrouw. Aannemelijk is dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf en dat van zijn vrouw, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De verdachte moet daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Uit de getuigenverklaringen komt immers het beeld naar voren dat de vrouw van verdachte belaagd en mishandeld werd. Op de camerabeelden is te zien dat het geweld tegen haar ook verder ging toen zij op de grond lag. Een vriendin is de verdachte gaan halen. Hij is vervolgens naar zijn vrouw gerend, maar kon haar niet ontzetten. Daarom ging hij terug naar zijn restaurant en pakte een mes om de aanvallers te kunnen afschrikken. Daarbij is de aangever geraakt. Van belang is dat de verdachte heeft gezien dat aangever (ook) een mes had. Onder deze omstandigheden is de wijze waarop de verdacht zich heeft verdedigd terecht. Het onttrekkingsvereiste kan de verdachte niet worden tegengeworpen, omdat er op dat moment nog steeds een noodzaak was om zichzelf en zijn vrouw te verdedigen. Het zwaaien met het mes (mes als doel afschrikking) was bovendien zonder meer proportioneel, omdat zijn vrouw door meerdere mannen werd aangevallen en de verdachte en zijn vrouw met de dood werden bedreigd.
Het standpunt van de officier van justitie:
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweer faalt, nu er geen sprake was van een ogenblikkelijke aanranding van het lijf van de verdachte noch dat van zijn vrouw. Het ging namelijk om een scheldpartij, die uitgroeide tot een vechtpartij op het moment dat de verdachte met zijn vrienden erbij werden gehaald. Het volgt niet uit het dossier dat de vrouw van de verdachte is geschopt. Mocht de rechtbank hier anders over denken, dan kan een beroep op noodweer niet slagen, omdat verdachte zich niet proportioneel heeft verdedigd door het gebruik van een koksmes.
Het oordeel van de rechtbank:
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat een groep jongens zijn vrouw mishandelde en dat hij op enig moment iets in zijn restaurant is gaan halen om de groep af te schrikken. Toen hij was teruggelopen naar de groep werd hij ingesloten en heeft hij uit verdediging het mes gepakt en afwerend om zich heen gezwaaid, waarbij hij (kennelijk) het slachtoffer heeft geraakt.
De rechtbank volgt de verdachte deels in zijn verklaring. Uit het dossier is immers aannemelijk geworden dat zijn vrouw in conflict is geraakt met een groep jongens en dat zij op enig moment door een of meer van hen is mishandeld. Ook is aannemelijk dat de verdachte eerst heeft geprobeerd dit conflict te sussen en dat hij pas daarna naar zijn restaurant is gegaan om daar iets te halen om zijn woorden kracht bij te zetten. De rechtbank volgt echter niet dat de verdachte dit ‘iets’ - dat een koksmes bleek te zijn - louter heeft meegenomen om de groep af te schrikken. Als dit het voornemen was, ligt het immers niet voor de hand om het mes onzichtbaar (in de broeksband aan de achterzijde van het lichaam) bij zich te dragen. Dan heeft het immers geen effect. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat de jongens die bij het conflict aanwezig waren ook met messen hebben gedreigd, laat staan deze hebben gebruikt. Dat de dreiging richting de vrouw van de verdachte op dat moment groot was, valt ook moeilijk te rijmen met het gegeven dat getuige [naam getuige] heeft gezien dat de verdachte met één jongen uit de groep enkele meters verderop is gaan staan. Op die manier kan de verdachte haar immers niet ontzetten of verdedigen. Voor zover de waarnemingen van de verdediging op de beelden op juistheid berusten – de rechtbank vindt de beelden op dit punt niet duidelijk – zou bovendien de vrouw met de knot – kennelijk de vrouw van de verdachte – opdat moment niet meer op de grond hebben gelegen, hetgeen strijdig is met de verklaring van de verdachte. Tot slot is van belang dat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat hij door een groep in het nauw werd gedreven en dat hij daarom zich moest verdedigen, door de rechtbank niet wordt geloofd, nu getuige [naam getuige] heeft gezien dat de verdachte met (slechts) één persoon zich van de groep afzonderde.
Kortom: de rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat er (nog) sprake was van een noodweersituatie op het moment dat hij het slachtoffer met een mes op diens voorhoofd sloeg. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het bewezenverklaarde:
Dit levert het volgende strafbare feit op: poging tot doodslag.

5.De strafbaarheid van de verdachte

Het beroep op noodweerexces:
De verdediging heeft tevens een beroep gedaan op noodweerexces. De rechtbank verwerpt dit verweer eveneens.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen acht de rechtbank aannemelijk dat de vrouw van de verdachte door jongens uit de groep werd mishandeld. Die situatie bestond evenwel niet meer toen de verdachte het geweld tegen het slachtoffer uitoefende. Aldus faalt het beroep op noodweerexces, voor zover dit betrekking heeft op de proportionaliteit en/of subsidiariteit van het handelen van de verdachte. In een dergelijke situatie kan wel sprake zijn van zogenoemd extensief noodweerexces, namelijk indien de gedraging te lang wordt voortgezet en dit het onmiddellijke gevolg is van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de wederrechtelijke aanranding. De rechtbank acht echter hetgeen de verdediging aan het beroep op extensief noodweerexces ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden, reeds omdat de lezing van de verdachte op dit punt wezenlijk afwijkt van hetgeen getuige [naam getuige] heeft verklaard.
Het beroep op putatief noodweer:
De verdediging heeft ook een beroep gedaan op putatief noodweer(exces). De verdediging voert hiertoe aan dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald over het bestaan van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding en dat hij daardoor redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigen. Hij heeft zich - verontschuldigbaar - het dreigende gevaar ingebeeld, dan wel de aard van de dreiging verkeerd beoordeeld. In zijn beleving werden immers ook messen gebruikt aan de kant van de aangever en daarbij is dreigend uitgesproken dat zij de verdachte en zijn vrouw zouden doodmaken.
Ook dit verweer wordt verworpen. Kort en goed: hetgeen de verdachte verklaart over de situatie op het moment waarop hij met het mes sloeg, vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en dan met name in hetgeen getuige [naam getuige] heeft verklaard. Verder verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hierboven heeft overwogen ten aanzien van noodweer(exces).
De strafbaarheid:
De verdachte is (derhalve) strafbaar, omdat (ook anderszins) geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de duur van het voorarrest niet overschrijdt, eventueel in combinatie met een taakstraf, of nog een voorwaardelijk strafdeel, het meest passend is. De reclassering is vol lof over de verdachte en acht geen herhalings-gevaar meer aanwezig, waardoor verdere begeleiding van de verdachte niet nodig is. De oplegging van een gevangenisstraf zou ervoor zorgen dat de verdachte weer volkomen terug is bij af.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich in de nacht van 17 augustus 2024 schuldig gemaakt aan een poging doodslag van [slachtoffer] door met een koksmes op zijn hoofd te slaan. Door zo te handelen als hierboven omschreven heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de toelichting bij de civiele vordering van de benadeelde blijkt dat het slachtoffer nog steeds last ondervindt van het handelen van de verdachte omdat hij dagelijks aan het voorval wordt herinnerd door het blijvende litteken in op zijn voorhoofd. Voorts heeft de verdachte door zijn handelen bijgedragen aan in de samenleving heersende gevoelens van angst en onveiligheid, temeer nu de feiten zijn gepleegd op de openbare weg, voor een café in de aanwezigheid van omstanders.
De rechtbank heeft het beroep op noodweer afgewezen maar houdt bij de straftoemeting rekening met de omstandigheden waarbinnen het feit is gepleegd. De vrouw van de verdachte was in conflict gekomen met een groep jongens – waaronder het slachtoffer – en is door een of meer van hen mishandeld. De verdachte heeft vervolgens wederrechtelijk en verwijtbaar gereageerd, maar hij heeft niet zonder enige aanleiding het forse geweld gebruikt. De verdachte is blijkens zijn strafblad sinds lange tijd niet meer veroordeeld voor een geweldsfeit. De verdere persoonlijke omstandigheden van de verdachte blijken uit de verklaring ter terechtzitting van reclasseringsmedewerker die de verdachte heeft begeleid tijdens zijn schorsing en de eigen verklaring van de verdachte. De reclassering heeft gesteld dat de verdachte zijn leven momenteel goed op orde heeft en dat hij gemotiveerd heeft meegewerkt aan behandeling voor zijn verslaving tijdens de schorsing. Het recidiverisico dat van de verdachte uitgaat, wordt ingeschat als laag en de reclassering adviseert aan de verdachte een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering ziet geen meerwaarde of noodzaak om met interventies of toezicht het gedrag van verdachte te proberen te veranderen.
De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie, gelet op de ernst van de feiten, in haar eis de enig passende strafmodaliteit heeft gekozen, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Wel zal de rechtbank een gevangenisstraf van kortere duur opleggen dan door de officier van justitie is gerekwireerd, omdat zij de gevorderde straf, gelet op de bijzondere omstandigheden die tot het feit hebben geleid en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, te hoog vindt. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf, zoals door de raadsman is bepleit, doet aan de andere kant onvoldoende recht aan de ernst van het feit.
Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 2 jaren. De tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht.
De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat er, gezien het lage recidiverisico en het feit dat de verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden heeft gehouden, geen argumenten zijn om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen in afwachting van een eventueel hoger beroep. Het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis blijft dan ook van kracht.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert (na mondelinge aanvulling ter terechtzitting) schadevergoeding tot een totaal bedrag van € 16.483,20. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
inkomstenderving: € 1.073,-;
eigen bijdrage zorgverzekering: € 385,-;
reiskosten: € 25,20;
immateriële schade: € 15.000,-.
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering tot schadevergoeding, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij een veroordeling met een straf tot gevolg, het gevorderde bedrag aan immateriële schade te worden gematigd. Uit het dossier en de toelichting bij de vordering volgt niet duidelijk dat er sprake is van permanent letsel. Verder is het gevorderde bedrag niet in overeenstemming met de aangehaalde vergelijkbare rechtspraak. Daarnaast is er aan de kant van de benadeelde sprake van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van Pro het Burgerlijk Wetboek, zodat een substantieel deel (70%) van de schade op grond hiervan voor rekening van de benadeelde dient te komen en te blijven. Voorts is de gestelde psychische schade niet afdoende onderbouwd met stukken van bijvoorbeeld een behandelend psycholoog of psychiater.
De benadeelde dient wat betreft de materiële schade niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, want deze schadeposten zijn niet onderbouwd, met uitzondering van de eigen bijdrage voor de gemaakte ziektekosten.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de materiële schade:
De eigen bijdrage (post b) is voldoende geconcretiseerd en onderbouwd, bovendien niet betwist, waardoor deze voor toewijzing in aanmerking komt, nu mede gelet op gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek ook voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd.
De overige schadeposten (a en c) zijn thans onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd, waardoor deze niet voor toewijzing in aanmerking komen. De rechtbank zal de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in het overgebleven deel van de vordering, omdat het een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren wanneer de benadeelde nogmaals in de gelegenheid wordt gesteld om de vordering toe te lichten. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ten aanzien van de immateriële schade:
De immateriële schade (post d) komt voor vergoeding in aanmerking, aangezien de benadeelde ander nadeel heeft ondergaan dan vermogensschade, namelijk lichamelijk- en psychisch letsel (artikel 6:106, lid 1, sub b, van het Burgerlijk Wetboek). Er is evident sprake van lichamelijk letsel en aantasting in de persoon. De hoogte van het gevorderde bedrag komt de rechtbank echter niet redelijk voor, gelet op de bedragen die in soortgelijke gevallen zijn toegewezen. De rechtbank zal de immateriële schade derhalve naar billijkheid vaststellen op € 4.000,-. De rechtbank zal het overige gedeelte van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren.
De totale schade:
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dientengevolge toewijzen tot een totaal bedrag van € 4.385,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2024 tot de volledige voldoening. De verdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.Het beslag

De rechtbank zal, conform de vordering van de officier van justitie, gelasten dat het in beslag genomen mes verbeurd wordt verklaard, omdat het bewezenverklaarde feit met betrekking tot dit voorwerp is begaan. De in beslag genomen mobiele telefoon dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende.

9.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 jaren;
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
  • wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, [slachtoffer] , toe en veroordeelt de veroordeelde tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 4.385,- bestaande uit € 385,- materiële schade en € 4.000,- immateriële schade;
  • vermeerdert het toegewezen bedrag met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat de benadeelde partij is voor het overige deel van de vordering niet- ontvankelijk is en dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
  • veroordeelt de veroordeelde tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
  • legt aan de veroordeelde op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van € 4.385,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 43 dagen;
  • bepaalt dat de toepassing van deze gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
  • bepaalt dat indien en voor zover de veroordeelde aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;

Beslag

  • verklaart verbeurd het in beslag genomen mes (Omschrijving: PL2300-2024132941-G1730784);
  • gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan de veroordeelde: gsm (Omschrijving: PL2300-2024132941-G1730785, Apple).
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.E. Kessels, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.J.H. van den Hombergh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M.A. Curfs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 30 juni 2026.
Buiten staat
Mr. H.M.J. Quaedvlieg is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Venray
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer]
opzettelijk
van het leven te beroven,
met een hakmes, althans een scherp voorwerp, heeft geslagen, gesneden en/of gestoken op en/of in het hoofd en/of gezicht van die [slachtoffer] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 augustus 2024 te Venray
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten hoofdletsel, heeft toegebracht door met een
hakmes, althans een scherp voorwerp, op en/of in het hoofd en/of gezicht te slaan,
snijden en/of steken.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2024132941, gesloten d.d. 2 oktober 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 357.
2.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2024, pg. 27-28.
3.Het proces-verbaal van aangifte d.d. 18 augustus 2024, pg. 155-157.
4.Een geschrift, inhoudende de geneeskundige verklaring van GGD Zuid-Limburg van [naam forensisch arts] , forensisch arts, met de daarbij als bijlage gevoegde foto’s d.d. 9 oktober 2024, pg. 424-456.
5.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 september 2024, pg. 130-143.
6.Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 20 augustus 2024, pg. 222.