Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
4.De beslissing
spreektde verdachte
vrijvan het ten laste gelegde feit.
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg behandelde op 16 juni 2026 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van het verrichten van seksuele handelingen met een minderjarige prostitué op 24 september 2024. Het slachtoffer was een meisje tussen de zestien en achttien jaar dat tegen betaling seksuele handelingen verrichtte. De zaak kwam voort uit chatberichten tussen verdachte en een pooier die seksafspraken regelde.
Tijdens de zitting werden standpunten van de officier van justitie en de verdediging besproken, waarbij beiden van mening waren dat het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kon worden. Het dossier bevatte chatberichten en verklaringen van verdachte, maar geen directe verklaring van het slachtoffer over het gebruik van haar telefoon of de seksuele handelingen.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende vaststond dat het slachtoffer daadwerkelijk de persoon was met wie verdachte op de betreffende datum seks had. De verdachte ontkende stellig het slachtoffer te herkennen. Gezien het gebrek aan bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.
De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van drie rechters op 30 juni 2026 in Maastricht. De vrijspraak betreft onder meer het betasten, likken, kussen en het verrichten van penetratie met het slachtoffer.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat hij seksuele handelingen verrichtte met het minderjarige slachtoffer.