ECLI:NL:RBLIM:2026:6125

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
11950261 \ CV EXPL 25-4512
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 BWArt. 6:83 BWArt. 6:119 BWArt. 6:265 BWArt. 6:271 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding overeenkomst renovatie daken wegens tekortschieten en verzuim

Partijen sloten een overeenkomst voor de renovatie van de daken van twee panden. Eiser betaalde in oktober 2024 een aanbetaling van € 15.000,00 aan gedaagde. Gedaagde is echter niet tot uitvoering van de werkzaamheden overgegaan. Eiser stelde gedaagde bij aangetekende brief in april 2025 formeel in gebreke en gaf een redelijke termijn tot 12 mei 2025 om alsnog na te komen.

Gedaagde reageerde niet adequaat en voerde onvoorziene omstandigheden aan zoals slecht weer, ziekte en defecte apparatuur, maar deze omstandigheden rechtvaardigen volgens de kantonrechter geen uitstel van nakoming. Na het verstrijken van de termijn ontbond eiser de overeenkomst en vorderde terugbetaling van de aanbetaling.

De kantonrechter oordeelt dat gedaagde tekortgeschoten is in de nakoming en in verzuim is geraakt. De ontbinding is rechtsgeldig en de ongedaanmakingsverplichting houdt in dat gedaagde de aanbetaling moet terugbetalen. Daarnaast worden wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De overeenkomst is rechtsgeldig ontbonden wegens tekortschieten en verzuim, en gedaagde is veroordeeld tot terugbetaling van de aanbetaling met rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11950261 \ CV EXPL 25-4512
Vonnis van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10
- de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een overeenkomst gesloten voor de renovatie van de daken van de panden [adres 1] en [adres 2] .
2.2.
[eiser] heeft op 18 oktober 2024 en 19 oktober 2024 € 10.000,00 respectievelijk
€ 5.000,00 contant betaald aan [gedaagde] .
2.3.
In het kader van de tussen partijen gemaakte afspraken verwijst [eiser] naar productie 1 van de dagvaarding. Daarin staat voor zover relevant:
2.4.
Partijen hebben diverse malen contact gehad over het uitvoeren van de werkzaamheden.
2.5.
Bij aangetekende brief van 12 april 2025 heeft [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld.
Daarin staat voor zover van belang: [1]
“(…) Tot op heden bent u uw verplichtingen ten aanzien van renovatie van de daken van de panden [adres 1] en [adres 2] niet nagekomen. Deze brief kwalificeert als een formele ingebrekestelling.
(…) Onder de Overeenkomst heeft u zich verplicht tot afspraken die nog altijd niet worden nagekomen. Dhr. [gedaagde] schiet daarmee tekort in de nakoming van de overeenkomst. Aangezien er over deze periode sinds 18 oktober 2024 niet uitsluitend sprake kan zijn van overmacht, dat is althans niet gesteld, is dit dhr. [gedaagde] toerekenbaar.
(…) [eiser] , is bereid dhr. [gedaagde] nog één laatste mogelijkheid te bieden om deze verplichtingen alsnog na te komen. Deze brief geldt daarom als een formele ingebrekestelling.
In dat licht verzoekt, en voor zover nodig sommeert, (…) [gedaagde] om uiterlijk op 12 mei 2025 vóór 09.00 uur de voornoemde verplichtingen alsnog na te komen.
Indien dhr. [gedaagde] ook na het verstrijken van deze redelijke termijn in gebreke blijft deze verplichtingen na te komen is dhr. [gedaagde] juridisch gezegd in verzuim. Met alle gevolgen vandien, waaronder begrepen maar niet beperkt tot, de mogelijkheid voor dhr. [eiser] tot het verkrijgen van schadevergoeding van alle geleden en nog te lijden schade door de wanprestatie van dhr. [gedaagde] , welke vooralsnog worden begroot op tenminste € 15.000,- (zijnde de aanbetaling die dhr. [eiser] op 18 en 19 oktober 2024 heeft betaald aan dhr. [gedaagde] ) en de mogelijkheid tot ontbinding van de overeenkomst.
Ik vertrouw er echter op dat het zover niet zal hoeven te komen en dat dhr. [gedaagde] alsnog en tijdig tot volledige en deugdelijke nakoming van de Overeenkomst over zal gaan. (…)”
2.6.
[eiser] stelt deze ingebrekestellingsbrief op 16 april 2025 persoonlijk bij [gedaagde] in de brievenbus te hebben gedaan.
2.7.
Bij aangetekende brief van 12 mei 2025 heeft [eiser] de overeenkomst ontbonden en [gedaagde] verzocht de aanbetaling van € 15.000,00 terug te betalen. [2]
2.8.
Bij brief van 4 juni 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] gesommeerd tot betaling van € 15.000,00 en voor zover nog nodig of vereist in gebreke gesteld vanwege de ernstige toerekenbare tekortkoming in de deugdelijke nakoming van de overeenkomst, en alsdan aanspraak gemaakt op buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. [3]
2.9.
Bij brief van 2 juli 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] nog eenmaal in de gelegenheid gesteld over te gaan tot betaling van € 15.000,00 en aangekondigd dat [gedaagde] in rechte zal worden betrokken indien hij niet tot betaling overgaat. [4]
2.10.
Bij e-mailbericht van 3 juli 2025 reageert [gedaagde] dat het weer niet heeft meegewerkt (sneeuw, regen, vorst), hij ziek is geworden, een kraan kapot is gegaan en [eiser] zelf ook meermaals zou hebben afgezegd. [gedaagde] geeft aan dat het dak alsnog gemaakt kan worden. [5]
2.11.
Bij aangetekende brief van 11 augustus 2025 bericht de gemachtigde van [eiser] aan [gedaagde] : [6]
“(…) Cliënt heeft u meermaals in de gelegenheid gesteld om tot herstel over te gaan. (…) Uiteraard kunt u eens ziek zijn, er kan een kraan weleens defect zijn, dat maakt echter niet dat u in het geheel de werkzaamheden niet hoeft uit te voeren.
(…) cliënt heeft de overeenkomst ontbonden en voor cliënt is het niet meer wenselijk dat u de werkzaamheden alsnog uitvoert nu deze reeds – nu dat noodzakelijk was – door een derde zijn uitgevoerd. (…)
Namens cliënt verzoek ik u (…) tot terugbetaling van (…) € 15.000,- (…) Blijft u daartoe wederom in gebreke dan rest cliënt niets anders dan een gerechtelijke procedure te starten. (…)”
2.12.
Vervolgens heeft [eiser] onderhavige procedure gestart.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van:
  • € 15.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
  • € 925,00 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten,
  • de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Hoedanigheid partijen
4.1.
[gedaagde] heeft niet betwist dat hij als zelfstandig ondernemer en aldus in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft gehandeld. [gedaagde] dient dan ook aangemerkt te worden als een handelspartij.
4.2.
Uit het gestelde onder randnummer 6 van de conclusie van repliek, dat [eiser] eigenaar is van de panden gelegen aan [adres 1] en [adres 2] en dat hij het pand gelegen aan [adres 1] verhuurt, leidt de kantonrechter af dat [eiser] als consument moet worden aangemerkt.
Ontbinding van een overeenkomst
4.3.
Beoordeeld dient te worden of [eiser] de overeenkomst tussen partijen terecht heeft ontbonden. Op grond van de wet kan een partij een overeenkomst ontbinden, indien de andere partij tekortschiet in de nakoming van de verbintenissen die voor haar uit de overeenkomst voortvloeien. Als nakoming van de verbintenissen nog mogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas op het moment dat de tekortschietende partij in verzuim is. De geringe aard of geringe betekenis van de tekortkoming kan in de weg staan aan ontbinding, namelijk als de gevolgen van de ontbinding niet gerechtvaardigd zijn.
4.4.
Uit dit wettelijk kader volgen de volgende te doorlopen stappen: (1) welke afspraken hebben partijen gemaakt, (2) is [gedaagde] tekort geschoten in de nakoming van die afspraken, (3) is er sprake van verzuim (4) en zo ja, rechtvaardigt de tekortkoming ontbinding van de overeenkomst.
De inhoud van de overeenkomst
4.5.
Beide partijen zijn het erover eens dat zij met elkaar een overeenkomst hebben gesloten. [gedaagde] stelt dat er een mondelinge overeenkomst is gesloten, terwijl [eiser] verwijst naar een schriftelijke ondertekende overeenkomst.
4.6.
[eiser] heeft concreet aangegeven welke afspraken volgens hem tussen partijen zijn gemaakt en verwijst daarvoor naar de als productie 1 bij dagvaarding en hiervoor onder randnummer 2.3. weergegeven overeenkomst. [gedaagde] stelt dit contract nooit te hebben gezien en enkel een handtekening te hebben gezet voor een kwitantie, maar heeft niet betwist dat de daarin opgenomen afspraken tussen partijen (mondeling) zijn gemaakt. [gedaagde] heeft de door [eiser] gestelde afspraken niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de inhoud van de overeenkomst zoals door [eiser] gesteld en hiervoor onder randnummer 2.3. weergegeven.
Tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst
4.7.
[gedaagde] erkent dat hij de werkzaamheden (nog) niet heeft uitgevoerd en stelt dat hem een gerechtvaardigd beroep toekomt op onvoorziene omstandigheden. Een beroep op onvoorziene omstandigheden kan slagen indien er sprake is van een omstandigheid die niet voorzien en van dien aard is dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten, tenzij de onvoorziene omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept. De kantonrechter is echter van oordeel dat dit beroep niet slaagt. Het kan zo zijn dat [gedaagde] als gevolg van een val een periode ziek is geweest, er een kraan defect is geweest en de weersomstandigheden niet steeds meewerkten, maar die omstandigheden rechtvaardigen niet dat er geen aanvang is gemaakt met de werkzaamheden. [gedaagde] heeft niet op de ingebrekestelling gereageerd en is daarvoor ook meermaals in de gelegenheid gesteld tot het uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden maar heeft geen actie ondernomen.
Uit deze gedragingen heeft [eiser] mogen afleiden dat [gedaagde] niet zou overgaan tot het uitvoeren van de werkzaamheden en derhalve zou tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst.
Verzuim
4.8.
Voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer de schuldenaar in verzuim is (artikel 6:265 lid 2 BW Pro). Artikel 6:82 lid 1 BW Pro bepaalt dat verzuim intreedt wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld en de nakoming binnen deze termijn uitblijft. Artikel 6:83 onder Pro c BW bepaalt dat het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.
4.9.
[gedaagde] is wat betreft die voormelde tekortkoming in verzuim komen te verkeren, in ieder geval uiterlijk na het ongebruikt laten verstrijken van de in de (hiervoor bij 2.5. genoemde) ingebrekestelling gestelde termijn, die naar het oordeel van de kantonrechter een redelijke termijn is en die afliep op 12 mei 2025.
Ontbinding van de overeenkomst
4.10.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst en dat hij in verzuim is geraakt. Niet gesteld of gebleken is dat de tekortkoming de ontbinding in de gegeven omstandigheden niet rechtvaardigt. Aan alle vereisten van ontbinding ex artikel 6:265 BW Pro is voldaan. [eiser] heeft de overeenkomst dan ook rechtsgeldig buitengerechtelijk ontbonden.
Ongedaanmakingsverbintenissen
4.11.
De ontbinding van de overeenkomst bevrijdt partijen van de daardoor getroffen verbintenissen. Voor zover hieraan al is voldaan, ontstaat een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW Pro). Als de aard van de prestatie uitsluit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ten belope van de waarde op het tijdstip van de ontvangst (artikel 6:272 lid 1 BW Pro). Heeft de prestatie niet aan de verbintenis beantwoord, dan wordt deze vergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op het tijdstip van de ontvangst werkelijk heeft gehad (artikel 6:272 lid 2 BW Pro).
4.12.
Het vorenstaande betekent dat [gedaagde] de door [eiser] gedane aanbetaling van in totaal € 15.000,00 dient terug te betalen. Dat [gedaagde] dit bedrag niet kan betalen, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt en niet aan toewijzing van de vordering in de weg staat. Het gevorderde bedrag van € 15.000,00 zal dan ook worden toegewezen.
Wettelijke rente
4.13.
De gevorderde wettelijke rente, die door het enkele betalingsverzuim verschuldigd wordt, ligt ook voor toewijzing gereed.
Buitengerechtelijke kosten
4.14.
[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
[eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten van € 925,00 komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
Proceskosten
4.15.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.886,14
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 15.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 925,00 aan vergoeding buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.886,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.Productie 2 dagvaarding
2.Productie 4 dagvaarding
3.Productie 5 dagvaarding
4.Productie 6 dagvaarding
5.Productie 7 dagvaarding
6.Productie 8 dagvaarding