ECLI:NL:RBLIM:2026:5985

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
12198542 \ CV EXPL 26-2007
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 lid 7 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot exclusief gebruik huurwoning na beëindiging affectieve relatie

De vrouw en de man hadden een affectieve relatie en waren medehuurders van een woning. Na de verbroken relatie verzocht de vrouw de man om de huurovereenkomst over te nemen, wat werd geweigerd. De vrouw startte daarop een kort geding om het exclusieve gebruik van de woning te verkrijgen op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro.

De vrouw stelde dat zij een groter belang had bij het gebruik van de woning vanwege haar zorg voor haar minderjarige zoon en haar recente baan. De man betwistte dit en voerde aan dat hij de lasten kon blijven betalen en dat de vrouw onvoldoende inkomen had om de huur en bijkomende kosten te voldoen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de vrouw onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij de lasten kon dragen en dat de belangenafweging daarom in het voordeel van de man uitviel. Ook de belangen van de minderjarige zoon konden in dit kort geding geen doorslag geven omdat zijn verblijf bij de vader een feitelijke situatie was en toekomstige omstandigheden niet meewegen.

De vordering tot exclusief gebruik van de woning werd afgewezen, evenals de nevenvorderingen tot ontruiming en dwangsom. De vrouw werd veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is gewezen door rechter Dohmen en op 23 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vordering tot exclusief gebruik van de huurwoning wordt afgewezen wegens onvoldoende belang en onvoldoende draagkracht van de vrouw.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12198542 \ CV EXPL 26-2007
Vonnis in kort geding van 23 juni 2026
in de zaak van
[de vrouw],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
gemachtigde: mr. M.J.W. Janssen-van Rooij,
tegen
[de man],
te [plaats 1] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [de man] ,
gemachtigde: mr. I. Vorbach.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de brief met aangehecht vijf producties van [de man]
- de e-mail met bijgevoegd twee aanvullende producties van [de vrouw]
- de mondelinge behandeling van 23 juni 2026, waarbij [de man] spreekaantekeningen heeft overgelegd met daaraan gehecht twee aanvullende producties.

2.De feiten

2.1.
[de vrouw] en [de man] hebben een affectieve relatie gehad en samengewoond in de woning gelegen aan [adres] te [plaats 1] (hierna: de woning). De huurovereenkomst van de woning, gedateerd 27 januari 2023, staat op beide namen en is aangegaan voor onbepaalde tijd. De maandelijkse huur bedraagt thans € 902,65.
2.2.
[de vrouw] heeft een zoon uit een eerdere relatie, genaamd [de minderjarige] en geboren [geboortedag] 2018 (hierna: [de minderjarige] ). Tot september 2024 heeft [de minderjarige] bij zijn vader of grootouders aan vaders zijde in België gewoond. Daarna verbleef hij bij [de vrouw] en [de man] . Vanaf 22 april 2026 verblijft [de minderjarige] weer bij zijn vader en tante in België.
2.3.
De relatie tussen [de vrouw] en [de man] is medio december 2025 verbroken. [de vrouw] heeft kort daarna de woning verlaten. [de vrouw] verblijft bij derden, namelijk om toerbeurt bij haar moeder, bij haar vriend en schoonouders en bij een vriendin.
2.4.
Bij brief van 26 februari 2026 heeft [de vrouw] [de man] verzocht ermee in te stemmen dat zij de huurovereenkomst en daarmee de woning overneemt.
2.5.
Omdat [de man] afwijzend heeft gereageerd, is [de vrouw] dit kort geding gestart.

3.Het geschil

3.1.
[de vrouw] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. bepaalt dat [de vrouw] met uitsluiting van [de man] voorlopig gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning;
II. [de man] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de woning te verlaten, althans een termijn zoals de voorzieningenrechter juist acht;
III. [de man] veroordeelt om een dwangsom te betalen van € 250,00 per dag of een gedeelte daarvan dat hij niet aan de veroordelingen zoals onder I en II voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;
IV. [de man] veroordeelt in de kosten van deze procedure.
3.2.
[de vrouw] beroept zich op artikel 7:267 lid 7 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) en legt daaraan het volgende ten grondslag. Partijen zijn contractueel medehuurder, maar zij kunnen de woning na beëindiging van de affectieve relatie niet meer gezamenlijk bewonen. [de vrouw] stelt dat zij een groter belang heeft bij het voortgezet gebruik van de woning dan [de man] . Zij heeft sinds april 2026 een baan in loondienst. Samen met de huurtoeslag waar zij voor in aanmerking zal komen, is zij in staat de huur van de woning te voldoen. Daarnaast heeft [de vrouw] de zorg over haar minderjarige zoon [de minderjarige] . [de minderjarige] kan momenteel geen gebruik maken van leerlingenvervoer naar zijn school in [plaats 2] omdat hij niet meer in de woning (in de gemeente Helden) verblijft en [de vrouw] heeft geen eigen auto om hem zelf te brengen. Tot slot is de situatie waarbij [de vrouw] en [de minderjarige] wekelijks afwisselend op verschillende plekken verblijven niet langer houdbaar. Zij hebben allebei belang bij een bestendige thuissituatie.
3.3.
[de man] betwist dat [de vrouw] een groter belang heeft bij het voortgezet gebruik van de woning dan hijzelf. Hij voert aan te betwijfelen dat [de vrouw] in staat zal zijn om de aan de woning verbonden maandelijkse lasten zoals huur, gas, water, licht en verzekeringen te voldoen. Gedurende de samenwoning heeft [de man] altijd alle kosten betaald. [de vrouw] heeft daar slechts zeer summier aan bijgedragen. [de man] is wel in staat om zelfstandig de aan de aan de woning verbonden lasten te (blijven) voldoen. [de minderjarige] verblijft momenteel bij zijn vader en tante in België. Zijn belangen zijn weliswaar zwaarwegend, maar dit kort geding ziet niet op de vraag waar [de minderjarige] moet verblijven of welke woon- en opvoedsituatie het meest in zijn belang is. Het kort geding ziet op de vraag aan wie voorlopig het voortgezet gebruik van de woning kan worden toegekend tot er in een bodemprocedure een beslissing wordt genomen. De grenzen van dit kort geding worden overschreden als de gevorderde voorziening wordt toegewezen vooruitlopend op een mogelijke terugkeer van [de minderjarige] naar [de vrouw] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [de vrouw] daarbij een spoedeisend belang heeft.
4.2.
[de vrouw] stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering om – kort gezegd – voorlopig het gebruik van de woning met uitsluiting van [de man] voort te zetten. [de man] heeft daartegen verweer gevoerd.
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag of er een spoedeisend belang is hier in het midden kan blijven omdat de gevorderde voorziening ook om inhoudelijke redenen niet toewijsbaar is. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
4.4.
Op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro kunnen huurders en medehuurders vorderen dat de rechter zal bepalen dat één of meer van deze personen de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. De vordering wordt toegewezen als dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is. De bepaling wordt naar analogie toegepast als sprake is van contractuele medehuurders die niet gehuwd of geregistreerd partner zijn, zoals bij [de vrouw] en [de man] het geval is.
4.5.
In deze procedure geeft de voorzieningenrechter slechts een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. De beslissing van de voorzieningenrechter geldt tot het moment dat in de bodemprocedure uitspraak is gedaan (of partijen iets anders overeenkomen). Gelet hierop zijn slechts de op dit moment aanwezige omstandigheden van belang bij de vraag of voldoende aannemelijk is dat de gevorderde voorziening ook in een latere bodemprocedure zal worden toegewezen. Dat betekent dat uitsluitend toekomstige omstandigheden hier geen rol bij kunnen spelen.
4.6.
Ter beoordeling van de vraag aan wie het exclusief gebruiksrecht van de woning wordt toegewezen, dient op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro een belangenafweging plaats te vinden. Indien de belangen van [de vrouw] bij het voortgezet gebruik van de huurwoning met uitsluiting van [de man] zwaarder wegen dan de belangen van [de man] , kan de voorziening rekening houdend met het voorgaande worden toegewezen.
4.7.
Vaststaat dat [de man] de aan de woning verbonden (huur)lasten kan betalen. Dit heeft [de man] de afgelopen periode sinds het vertrek van [de vrouw] uit de woning gedaan en ook, als niet (voldoende) weersproken, gedurende de samenwoning met [de vrouw] . Dit is ook in lijn met de niet betwiste verklaring van [de man] over de hoogte van zijn inkomen (dat de kantonrechter ruimschoots voldoende acht om de vaste lasten te voldoen). Er is niet gesteld of gebleken dat [de man] de lasten niet of niet op tijd zou betalen.
4.8.
Bij dagvaarding heeft [de vrouw] gesteld dat zij sinds kort, aldus vanaf april 2026, een baan in loondienst heeft. Of dit een duurzame arbeidsrelatie is en of er daarmee sprake is van een structureel inkomen bij [de vrouw] , is nog niet bekend. [de vrouw] heeft geen stukken ter onderbouwing overgelegd, zoals een arbeidsovereenkomst. Hoewel dit bij dagvaarding heeft aangeboden, heeft zij ook geen (eerste) loonstrook meer overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [de vrouw] verklaard circa 8 tot 12 uur per week te werken tegen € 14,00 per uur. Uitgaande van de meest gunstige situatie dat dit een netto uurloon is, komt dit neer op een maandelijks inkomen van € 756,00 (12 uur x € 14,00 x 4,5 week). Ook als [de vrouw] aanspraak zou kunnen maken op huurtoeslag, hetgeen op dit moment nog een onzekere en toekomstige omstandigheid is, is nog steeds sprake van een zeer beperkt inkomen om de huur van € 902,65 (daarbij geen rekening houdend met de jaarlijkse huurverhoging vanaf 1 juli 2026 zoals [de man] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard) en alle bijkomende kosten zoals gas, water, licht, verzekeringen en kosten van levensonderhoud te kunnen voldoen. Daar komt nog bij dat er kennelijk ook een aanvraag tot onderbewindstelling is gedaan voor [de vrouw] , gelet op haar financiële situatie.
4.9.
Het voorgaande wijst er volgens de voorzieningenrechter op dat zeer aannemelijk is dat [de vrouw] niet in staat zal zijn om de aan de woning verbonden lasten te kunnen betalen. Dat leidt ertoe dat het niet in haar belang is om het (voorlopig) voortgezette gebruik van de woning aan haar toe te kennen, met alle financiële gevolgen van dien. Alleen al hierdoor is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangenafweging op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro in het voordeel van [de man] dient uit te vallen en de vordering moet worden afgewezen.
4.10.
Wellicht ten overvloede merkt de voorzieningenrechter het volgende op. Door beide partijen is ook gewezen op de belangen van de zoon van [de vrouw] , [de minderjarige] , om, kort gezegd, een bestendige en stabiele thuissituatie te hebben. De voorzieningenrechter onderschrijft dat deze belangen van [de minderjarige] zwaarwegend zijn, maar stelt daarnaast vast dat [de minderjarige] inmiddels al weer een hele poos bij zijn vader (en tante) in België woont en dat hij daar ook al een hele poos heeft gewoond voordat hij een tijd bij [de vrouw] verbleef. Hoewel het verblijf bij vader tegen de uitdrukkelijke wil is van [de vrouw] , volgt daaruit dat op dit moment niet de situatie aan de orde is zoals [de vrouw] die in de dagvaarding omschrijft. Ook merkt de kantonrechter op dat [de vrouw] (nog) geen procedure is gestart ter zake het (hoofd)verblijf van [de minderjarige] . Een verblijf van [de minderjarige] bij [de vrouw] is daarom een uitsluitend toekomstige omstandigheid. Dat maakt dat de belangen van [de minderjarige] binnen de grenzen van dit kort geding geen gewicht in de schaal kunnen leggen in het voordeel van [de vrouw] bij de vraag of zij een groter belang heeft bij het (voorlopig) voortzetten van het gebruik van de woning en of de voorziening moet worden toegewezen.
4.11.
Aangezien de vordering onder I. wordt afgewezen, volgen de nevenvorderingen onder II. (tot ontruiming) en III. (tot het opleggen van een dwangsom) datzelfde lot.
4.12.
[de vrouw] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de man] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.009,00
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals in het dictum vermeld.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [de vrouw] af,
5.2.
veroordeelt [de vrouw] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de vrouw] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [de vrouw] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de hierin uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.