Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 23 juni 2026, waarbij [de man] spreekaantekeningen heeft overgelegd met daaraan gehecht twee aanvullende producties.
Rechtbank Limburg
De vrouw en de man hadden een affectieve relatie en waren medehuurders van een woning. Na de verbroken relatie verzocht de vrouw de man om de huurovereenkomst over te nemen, wat werd geweigerd. De vrouw startte daarop een kort geding om het exclusieve gebruik van de woning te verkrijgen op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro.
De vrouw stelde dat zij een groter belang had bij het gebruik van de woning vanwege haar zorg voor haar minderjarige zoon en haar recente baan. De man betwistte dit en voerde aan dat hij de lasten kon blijven betalen en dat de vrouw onvoldoende inkomen had om de huur en bijkomende kosten te voldoen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de vrouw onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij de lasten kon dragen en dat de belangenafweging daarom in het voordeel van de man uitviel. Ook de belangen van de minderjarige zoon konden in dit kort geding geen doorslag geven omdat zijn verblijf bij de vader een feitelijke situatie was en toekomstige omstandigheden niet meewegen.
De vordering tot exclusief gebruik van de woning werd afgewezen, evenals de nevenvorderingen tot ontruiming en dwangsom. De vrouw werd veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is gewezen door rechter Dohmen en op 23 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vordering tot exclusief gebruik van de huurwoning wordt afgewezen wegens onvoldoende belang en onvoldoende draagkracht van de vrouw.