ECLI:NL:RBLIM:2026:5980

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
C/03/321785 / FA RK 23-3334
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • dr. Van Binnebeke
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 RvArt. 31 Verdrag van Istanbul
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige zorg- en opvoedingstakenregeling bij ernstig verstoorde ouderrelatie

De rechtbank Limburg behandelde een zaak over de zorg- en opvoedingstaken van een minderjarige waarbij de ouders een ernstig verstoorde relatie hebben. De moeder verzocht om eenhoofdig gezag en beperkte zorgregeling vanwege een strafrechtelijke veroordeling van de vader en zorgen over zijn gedrag. De vader wenste een uitbreiding van zijn zorgrol en handhaving van het gezamenlijk gezag.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het gezamenlijk gezag te handhaven en stelde een zorgregeling voor met geleidelijke opbouw en begeleiding door een gezinsvoogd. De rechtbank constateerde dat het contact tussen vader en kind positief verloopt, maar dat de communicatie tussen ouders ernstig verstoord is en spanningen regelmatig escaleren.

Gezien de veiligheidszorgen, de strafrechtelijke voorgeschiedenis van de vader en het Verdrag van Istanbul, achtte de rechtbank het noodzakelijk de ondertoezichtstelling voort te zetten. De voorlopige zorgregeling wordt vastgesteld conform het advies van de raad, met uitvoering onder regie van de gezinsvoogd. Definitieve beslissingen over gezag en verdere zorguitbreiding worden aangehouden voor negen maanden.

Uitkomst: De rechtbank stelt een voorlopige zorgregeling vast conform het raadsadvies en houdt de beslissing over het gezag aan voor negen maanden.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 15 juni 2026
Zaaknummer: C/03/321785 / FA RK 23-3334
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de volgende beschikking gegeven in de zaak van:
[de vader],wonend in [plaats 1] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. F.F.A.D.C. Tjalma, kantoorhoudend te Gulpen, gemeente Gulpen-Wittem,
en:
[de moeder],wonend op een bij de rechtbank bekend geheim adres in het arrondissement Limburg,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. R. Engwegen, kantoorhoudend te Echt, gemeente Echt-Susteren,
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bij deze zaak betrokken: de
Raad voor de Kinderbescherming, Regio Limburg, locatie Maastricht, verder te noemen: de raad.
Wederom gezien de stukken, waaronder ook de door deze rechtbank gegeven en op
20 maart 2024, 3 december 2024 en 16 mei 2025 uitgesproken beschikkingen.

1.Het verder verloop van de procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
- een e-mailbericht met bijlage van het [hulpverlening], ontvangen op 15 juli 2025;
- een brief van de raad met bijlagen, ontvangen op 23 juli 2025;
- het rapport van de raad, ontvangen op 28 april 2026;
- het F4-formulier van de vader, ontvangen op 12 mei 2026;
- het F4-formulier van de moeder, ontvangen op 13 mei 2026;
- een e-mailbericht van de vader, ontvangen op 22 mei 2026;
- een e-mailbericht met bijlage van de moeder, ontvangen op 22 mei 2026;
- twee e-mailberichten met bijlagen van de vader, ontvangen op 26 mei 2026;
- een e-mailbericht met bijlagen van de moeder, ontvangen op 29 mei 2026.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren is voortgezet op 1 juni 2026. Verschenen zijn:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad.

2.De verdere beoordeling

Inleiding
2.1.
De rechtbank verwijst allereerst naar de beschikkingen van 20 maart 2024, 3 december 2024 en 16 mei 2025 en het daarin geschetste wettelijke kader.
2.2.
In de beschikking van 3 december 2024 heeft de rechtbank meest recent al nader beslist ten aanzien van de in deze procedure voorliggende (zelfstandige) verzoeken van de ouders met betrekking tot – kort gezegd – het gezag, de zorg- c.q. omgangsregeling en de informatie- en consultatieregeling.
Advies van de raad
2.3.
De raad adviseert het verzoek van moeder, om het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te wijzigen naar eenhoofdig gezag bij de moeder, af te wijzen.
2.4.
De raad adviseert verder hoe de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige] eruit zou moeten zien, namelijk:
tijdens de tussenliggende periode, op het moment dat [minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat, startend met een opbouwregeling
in samenspraak met de gezinsvoogd;
- verblijft [minderjarige] bij de vader, eenmaal in de veertien dagen, in de oneven weken van
vrijdag 12.00 uur tot zondag 17.00 uur;
- verblijft [minderjarige] bij de vader op woensdag, in de even weken van 12.30 uur tot
donderdag 09.00 uur;
waarbij de overdracht tussen de ouders zal plaatsvinden bij het [hulpverlening] in [plaats 2].
Vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat:
- verblijft [minderjarige] bij de vader, eenmaal in de veertien dagen, in de oneven weken van
vrijdag 12.00 uur tot maandag 08.30 uur, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag van
school haalt en maandag naar school brengt;
- verblijft [minderjarige] bij de vader op woensdag, in de even weken van 12.30 uur tot
donderdag 08.30 uur, waarbij de vader [minderjarige] op woensdag van school haalt en op
donderdag naar school brengt.
Tijdens de zomervakantie van 2026:
  • verblijft [minderjarige] in de tweede week van de zomervakantie een gehele week aangesloten bij de vader (maandag 09.00 uur tot zondag 19.00 uur).
  • verblijft [minderjarige] in week vijf van de zomervakantie eveneens een gehele week bij de vader (maandag 09.00 uur tot zondag 19.00 uur);
waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terug naar de moeder zal brengen.
Reactie partijen naar aanleiding van het raadsadvies
2.5.
De moeder kan zich niet verenigen met het advies van de raad ten aanzien van de zorgregeling en het gezag. Zij heeft daartoe, onder verwijzing naar haar brief van 29 mei 2026, aangevoerd dat de vader strafrechtelijk is veroordeeld wegens belaging, dat onvoldoende is gebleken dat hij de door het gerechtshof noodzakelijk geachte hulpverlening heeft gevolgd en dat zijn communicatie en gedrag volgens haar nog steeds aanleiding geven tot zorgen. De moeder wijst er daarbij op dat de begeleiding door het [hulpverlening] recent is beëindigd en dat ook de begeleide wisselmomenten moeizaam verlopen. Volgens de moeder is onvoldoende rekening gehouden met de praktische uitvoerbaarheid van de door de raad geadviseerde regeling, nu begeleide overdrachten op diverse momenten niet mogelijk zijn en zij partijen niet in staat acht zelfstandig uitvoering te geven aan de wisselmomenten. Onder verwijzing naar het Verdrag van Istanbul stelt zij dat bij de vaststelling en uitvoering van een zorgregeling voldoende waarborgen moeten worden geboden voor haar veiligheid en die van [minderjarige] . De raad heeft naar mening van de moeder in het advies onvoldoende rekening hiermee gehouden.
Ten aanzien van het gezag stelt de moeder dat de communicatie tussen partijen ernstig verstoord is en dat eerdere hulpverleningstrajecten niet tot verbetering hebben geleid. Zij verzoekt daarom de beslissing omtrent het gezag aan te houden in afwachting van hulpverlening vanuit een gedwongen kader. Voorts acht de moeder de door de raad geadviseerde uitbreiding van de zorgregeling te snel en onvoldoende afgestemd op de leeftijd, ontwikkeling en behoeften van [minderjarige] . Volgens haar dient eerst sprake te zijn van een stabiele situatie alvorens verdere uitbreiding van de zorgregeling kan plaatsvinden.
2.6.
De vader heeft zich gedeeltelijk met het raadsadvies kunnen verenigen. Hij kan zich vinden in het advies om het gezamenlijk gezag in stand te laten. De vader acht de door de raad geadviseerde zorgregeling echter onvoldoende. Volgens hem ontbreekt een duidelijke en volledige opbouw naar een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Hij stelt dat geen sprake is van contra-indicaties die een grotere rol van hem als ouder in de weg staan en dat hij voldoende beschikbaar is om voor [minderjarige] te zorgen. Daarnaast heeft de vader aangevoerd dat het raadsrapport niet alle door de rechtbank gestelde onderzoeksvragen beantwoordt. In het bijzonder ontbreekt volgens hem een advies over de invulling van de zorgregeling tijdens vakanties, feestdagen en verjaardagen, alsmede over de wijze waarop uitvoering dient te worden gegeven aan de informatie- en consultatieplicht tussen de ouders. Dit leidt tot onduidelijkheid over de toekomstige invulling van de zorgregeling.
Gewijzigd verzoek van de vader
2.7.
De vader heeft zijn verzoek gewijzigd en verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. te bepalen dat [minderjarige] aan het adres van de moeder wordt ingeschreven;
b. te bepalen dat [minderjarige] zo spoedig mogelijk, gedurende een periode van twee maanden, eenmaal per veertien dagen in de oneven weken van vrijdag 12.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijft, alsmede op woensdag in de even weken van 12.30 uur tot donderdag 09.00 uur bij de vader verblijft;
c. na ommekomst van de onder b. genoemde periode van twee maanden, dan wel zoveel eerder als [minderjarige] naar de basisschool gaat, gedurende een periode van twee maanden te bepalen dat:
- [minderjarige] eenmaal per veertien dagen in de oneven weken van vrijdag 12.00 uur tot
maandag 08.30 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag van school haalt en op maandag naar school brengt;
- [minderjarige] op woensdag in de even weken van 12.30 uur tot donderdag 08.30 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [minderjarige] op woensdag van school haalt en op donderdag naar school brengt;
d. na ommekomst van de onder c genoemde periode van twee maanden, gedurende een periode van twee maanden te bepalen dat:
  • [minderjarige] eenmaal per veertien dagen in de oneven weken van donderdag uit school tot dinsdag 08.30 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [minderjarige] op donderdag van school haalt en op dinsdag naar school brengt;
  • [minderjarige] op woensdag in de even weken van 12.30 uur tot donderdag 08.30 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader [minderjarige] op woensdag van school haalt en op donderdag naar school brengt;
e. na ommekomst van de onder d genoemde periode van twee maanden te bepalen dat [minderjarige] in de oneven weken van vrijdag uit school tot vrijdag 12.00 uur, dan wel indien er school is tot vrijdag 08.30 uur, in de daaropvolgende week bij de vader verblijft, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag van school haalt en hem in de daaropvolgende week op vrijdag naar school brengt;
f. te bepalen dat [minderjarige] gedurende de zomervakantie van 2026 de tweede week en de vijfde week van zijn schoolvakantie aaneengesloten bij de vader verblijft van maandag 09.00 uur tot zondag 19.00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder;
g. te bepalen dat [minderjarige] vanaf de zomervakantie van 2026 gedurende de helft van de daaropvolgende schoolvakanties bij de vader verblijft, te weten:
  • gedurende de herfstvakantie volgens het onder e genoemde standaardweekschema;
  • gedurende de kerstvakantie volgens het onder e genoemde standaardweekschema, met inachtneming van het hierna onder h bepaalde;
  • gedurende de carnavalsvakantie volgens het onder e genoemde standaardweekschema;
  • gedurende de meivakantie volgens het onder e genoemde standaardweekschema;
  • gedurende de zomervakantie in de oneven jaren in week 1, week 4 en week 5 en in de even jaren in week 2, week 3 en week 6;
h. met inachtneming van het bepaalde onder g ten aanzien van het verblijf van [minderjarige] gedurende de kerstvakantie te bepalen dat:
  • [minderjarige] in de oneven jaren gedurende kerstavond en de aansluitende kerstdagen bij de vader verblijft en gedurende oudejaarsdag, nieuwjaarsdag en Pasen bij de moeder verblijft;
  • [minderjarige] in de even jaren gedurende oudejaarsdag, nieuwjaarsdag en Pasen bij de vader verblijft en gedurende kerstavond en de aansluitende kerstdagen bij de moeder verblijft;
i. te bepalen dat [minderjarige] op Vaderdag bij de vader verblijft;
j. te bepalen dat [minderjarige] in de even jaren op zijn verjaardag bij de vader verblijft;
k. de moeder te veroordelen de vader te informeren en te consulteren omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige] ;
l. de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure.
Standpunten ter zitting
2.8.
Ter zitting heeft de raad het advies gehandhaafd. De raad heeft benadrukt dat sprake is van een langdurige en ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Hoewel het contact tussen de vader en [minderjarige] positief verloopt, acht de raad de situatie tussen de ouders nog steeds heel kwetsbaar. De raad heeft gewezen op recente gebeurtenissen rondom de uitvoering van de contactregeling bij het [hulpverlening], die volgens de raad illustreren dat de spanningen tussen de ouders nog steeds hoog zijn. De raad heeft benadrukt dat verdere beslissingen over de vormgeving en uitbreiding van het contact tussen de vader en [minderjarige] binnen het kader van de ondertoezichtstelling en onder regie van de GI dienen plaats te vinden. Volgens de raad is het van belang dat eerst wordt gewerkt aan verbetering van de samenwerking tussen de ouders. De raad heeft verder toegelicht dat op dit moment nog onvoldoende aanleiding bestaat om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Volgens de raad is de situatie echter kwetsbaar. Daarbij heeft de raad gewezen op het recente incident bij het [hulpverlening], waarbij de vader volgens de raad grensoverschrijdend heeft gehandeld. De raad heeft benadrukt dat dit gedrag zorgelijk is en laat zien dat de vader nog onvoldoende oog heeft voor de gevolgen van zijn handelen voor de samenwerking tussen de ouders en de uitvoering van de contactregeling. Volgens de raad bevestigt dit incident de noodzaak van een ondertoezichtstelling. Indien geen verbetering optreedt en dergelijke incidenten zich blijven voordoen, kan dit naar mening van de raad op termijn gevolgen hebben voor de mogelijkheid het gezamenlijk gezag in stand te laten.
2.9.
De moeder heeft ter zitting benadrukt dat zij het belangrijk vindt dat [minderjarige] contact heeft met de vader en dat zij niet tegen uitbreiding van het contact is. Volgens haar dient een verdere uitbreiding echter plaats te vinden binnen een voldoende veilig kader. De moeder heeft aangevoerd dat de strafrechtelijke veroordeling van de vader wegens belaging en de gebeurtenissen die daaraan ten grondslag liggen nog steeds doorwerken in de verhouding tussen partijen. Volgens haar heeft de vader onvoldoende inzicht getoond in de impact van zijn handelen en blijft zijn wijze van communiceren aanleiding geven tot zorgen. In dat verband heeft de moeder gewezen op recente communicatie tussen partijen en de gebeurtenissen rondom de uitvoering van de contactregeling bij het [hulpverlening]. Volgens de moeder zijn er op dit moment onvoldoende waarborgen aanwezig om reeds uitvoering te geven aan de door de raad geadviseerde uitbreiding van de zorgregeling. Onder verwijzing naar het Verdrag van Istanbul heeft de moeder benadrukt dat bij beslissingen over gezag en zorgregeling voldoende rekening moet worden gehouden met de veiligheidsbelangen van haar en [minderjarige] . Zij is van mening dat zowel de raad als de rechtbank hier oog voor dient te hebben. Tot slot heeft de moeder de rechtbank verzocht de verdere ontwikkelingen binnen de ondertoezichtstelling gedurende een periode van negen maanden af te wachten alvorens definitief te beslissen over het gezag en de zorgregeling.
2.10.
De vader heeft ter zitting aangevoerd dat het contact tussen hem en [minderjarige] goed verloopt en dat hij graag een grotere rol in zijn leven wil vervullen. Volgens hem bestaan geen contra-indicaties voor verdere uitbreiding van de zorgregeling. De vader heeft benadrukt dat hij hulpverlening heeft aanvaard, aan zichzelf heeft gewerkt en openstaat voor verdere begeleiding. Daarbij heeft hij toegelicht dat hij diverse gesprekken heeft gevoerd in het kader van hulpverlening en dat een afrondend gesprek gepland staat. Volgens de vader wordt onvoldoende gewicht toegekend aan de positieve ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden.
Verder heeft de vader aangevoerd dat hij nog steeds wordt geconfronteerd met gebeurtenissen uit het verleden, terwijl het contact- en locatieverbod inmiddels is opgeheven. Volgens hem wordt onvoldoende onderkend welke impact het beperkte contact met [minderjarige] en de langdurige procedures op hem hebben gehad. De vader heeft verklaard dat hij deze periode als traumatisch heeft ervaren. Tevens heeft hij erkend dat zijn communicatie in het verleden niet altijd op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, maar gesteld dat hij hierin stappen heeft gezet en zich ervan bewust is dat verbetering noodzakelijk blijft. Volgens de vader wordt hij nog te veel beoordeeld op gebeurtenissen uit het verleden en is er onvoldoende oog voor zijn huidige functioneren als ouder. De vader verzoekt de rechtbank een concreet perspectief te bieden op verdere uitbreiding van de zorgregeling, zoals door hem ook is verzocht, en het gezamenlijk gezag in stand te laten.
Inhoudelijk oordeel
2.11
De rechtbank stelt voorop dat [minderjarige] er belang bij heeft dat hij een betekenisvolle relatie kan onderhouden met beide ouders. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht blijkt dat het contact tussen de vader en [minderjarige] positief verloopt. De rechtbank acht het daarom van belang dat dit contact wordt voortgezet en, indien de omstandigheden dit toelaten, verder wordt uitgebreid.
2.12.
Tegelijkertijd constateert de rechtbank dat de verhouding tussen de ouders al geruime tijd ernstig verstoord is. Ondanks de inzet van verschillende vormen van hulpverlening lukt het de ouders onvoldoende om op een constructieve wijze met elkaar samen te werken in het belang van [minderjarige] . De communicatie tussen partijen verloopt moeizaam en de rechtbank constateert dat gebeurtenissen uit het verleden nog steeds doorwerken in de wijze waarop partijen met elkaar omgaan. Ook recente gebeurtenissen rondom de uitvoering van de contactregeling, zoals door de raad ter zitting is benoemd, laten zien dat de situatie kwetsbaar blijft en dat spanningen nog altijd kunnen escaleren.
2.13.
De rechtbank onderkent dat tussen partijen een belaste voorgeschiedenis bestaat. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de vader strafrechtelijk is veroordeeld wegens belaging van de moeder. Anders dan de vader heeft betoogd, kan aan deze voorgeschiedenis niet zonder meer worden voorbijgegaan. De rechtbank begrijpt dat deze gebeurtenissen nog steeds doorwerken in de verhouding tussen partijen en in het vertrouwen dat de moeder in de vader heeft. Daarbij betrekt de rechtbank tevens de uitgangspunten van artikel 31 van Pro het Verdrag van Istanbul, waarin is neergelegd dat bij beslissingen over gezag en omgang rekening dient te worden gehouden met geweldsincidenten en de veiligheid van betrokkenen.
2.14.
De rechtbank acht in dat verband zorgelijk dat ook recente gebeurtenissen rondom de uitvoering van de contactregeling bij het [hulpverlening] hebben laten zien dat de spanningen nog steeds kunnen oplopen. Daarbij weegt mee dat dit incident heeft plaatsgevonden nadat de vader naar eigen zeggen hulpverlening heeft aanvaard en diverse trajecten heeft doorlopen. Dit roept vragen op over de mate waarin de vader het geleerde duurzaam in de praktijk weet te brengen. De rechtbank acht het van belang dat de vader blijft werken aan inzicht in zijn handelen, de gevolgen daarvan voor de moeder en de wijze waarop dit doorwerkt in het ouderschap van partijen.
2.15.
Voor zover de vader heeft aangevoerd dat de langdurige procedures en het beperkte contact met [minderjarige] voor hem traumatisch zijn geweest, begrijpt de rechtbank dat deze situatie voor hem zeer belastend is geweest. Dat neemt echter niet weg dat het in de eerste plaats aan de vader is om dergelijke ervaringen op een passende wijze te verwerken. Het is van belang dat gevoelens van verdriet, frustratie of onmacht niet hun weerslag krijgen op de communicatie tussen partijen, de uitvoering van de zorgregeling of de positie van [minderjarige] . [minderjarige] dient zoveel mogelijk buiten de strijd tussen zijn ouders te worden gehouden.
2.16.
Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het van belang dat voldoende waarborgen bestaan voor de veiligheid en stabiliteit van zowel [minderjarige] als de moeder. De rechtbank ziet in de gelijktijdig uitgesproken ondertoezichtstelling een noodzakelijk kader om die veiligheid te bewaken. De GI kan toezicht houden op de uitvoering van de zorgregeling, ondersteuning bieden aan partijen, de samenwerking bevorderen en ingrijpen wanneer spanningen opnieuw escaleren. De rechtbank acht het daarom aangewezen eerst de resultaten van de ondertoezichtstelling af te wachten alvorens definitief te beslissen over het gezag en de verdere uitbreiding van de zorgregeling. De raad heeft immers ter zitting ook opgemerkt dat de uitoefening van het gezamenlijk gezag mogelijk problemen kan gaan opleveren als de situatie tussen partijen en de houding van de vader onveranderd blijven.
2.17.
In afwachting van de resultaten van de ondertoezichtstelling acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] aangewezen een voorlopige zorgregeling vast te stellen overeenkomstig het advies van de raad, met dien verstande dat de GI zo nodig nadere afspraken kan maken over de opbouw, uitvoering en overdrachtsmomenten. Alle overige beslissingen zullen voor de duur van negen maanden worden aangehouden. Aan de GI wordt verzocht te zijner tijd nadere informatie te verstrekken over de alsdan actuele stand van zaken.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
bepaalt, in afwachting van een definitieve beslissing, dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en [minderjarige] voorlopig zal plaatsvinden overeenkomstig het advies van de raad zoals opgenomen in het rapport van 28 april 2026, en er als volgt zal uitzien:
tijdens de tussenliggende periode, op het moment dat [minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat, startend met een opbouwregeling in samenspraak met de gezinsvoogd;
- verblijft [minderjarige] bij de vader, eenmaal in de veertien dagen, in de oneven weken van
vrijdag 12.00 uur tot zondag 17.00 uur;
- verblijft [minderjarige] bij de vader op woensdag, in de even weken van 12.30 uur tot
donderdag 09.00 uur;
waarbij de overdracht tussen ouders zal plaatsvinden bij het [hulpverlening] in [plaats 2] dan wel op een andere locatie op aanwijzing van de gezinsvoogd;
vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat:
- verblijft [minderjarige] bij de vader, eenmaal in de veertien dagen, in de oneven weken van
vrijdag 12.00 uur tot maandag 08.30 uur;
waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag van school haalt en maandag naar school brengt;
- verblijft [minderjarige] bij de vader op woensdag, in de even weken van 12.30 uur tot
donderdag 08.30 uur;
waarbij de vader [minderjarige] op woensdag van school haalt en op donderdag naar school brengt;
tijdens de zomervakantie van 2026:
- verblijft [minderjarige] in de tweede week van de zomervakantie een gehele aaneengesloten week bij de vader (maandag 09.00 uur tot zondag 19.00 uur).
- verblijft [minderjarige] in de vijfde week van de zomervakantie een gehele aaneengesloten week bij de vader (maandag 09.00 uur tot zondag 19.00 uur;
waarbij moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terug naar de moeder zal
brengen;
3.2.
bepaalt dat de uitvoering van voornoemde regeling plaatsvindt onder begeleiding en regie van de GI, waarbij de GI zo nodig nadere afspraken kan maken over de opbouw, uitvoering en overdrachtsmomenten;
3.3.
houdt de beslissing op het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag aan;
3.4.
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor die mondelinge behandeling schriftelijk verslag uit te brengen over het verloop van de ondertoezichtstelling, de ontwikkeling van [minderjarige] , de samenwerking tussen de ouders en de uitvoering van de zorgregeling;
3.5.
houdt de beslissing op de overige verzoeken van partijen aan tot een nader te bepalen mondelinge behandeling ongeveer negen maanden na heden.
Deze beschikking is gegeven door mr. dr. Van Binnebeke, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 15 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.