Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[gedaagde partij 1] ,voormalig vennoot van de (ontbonden) vennootschap onder firma,[gedaagde partij 2] ,
[gedaagde partij 2],
1.Het verloop van de procedure
- de mondelinge behandeling van 9 juni 2026;
- de pleitnota van [eisende partij] ;
- de spreekaantekeningen van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] .
2.De feiten
afwikkeling van de onderneming en op terugbetaling aan de onderneming van onttrekkingen van [eisende partij] die volgens hen onrechtmatig waren. In die bodemprocedure hebben [eisende partij] en diens echtgenote in een incidentele conclusie gevorderd dat [gedaagde partij 1] wordt veroordeeld, dan wel wordt bevolen, bescheiden betreffende de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming betreffende de periode van 1 januari 2022 tot
5 augustus 2025 over te leggen. Bij vonnis in incident van 25 maart 2026 heeft de rechtbank de incidentele vordering afgewezen.
3.Het geschil
[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] in gebreke blijven daaraan te voldoen;
4.De beoordeling
Gewijzigde omstandigheden: misleiding
[gedaagde partij 1] gemotiveerd weerlegd dat hij de onderneming heeft gestaakt. Hij heeft met stukken onderbouwd dat hij de onderneming weer heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel [12] , [13] en [14] . Daarnaast is uit de door [gedaagde partij 1] overgelegde stukken gebleken dat hij de taxivergunning, die eerst was ingetrokken, heeft teruggevraagd en ook heeft teruggekregen. [15] Ten slotte blijkt uit de overgelegde stukken dat door de onderneming nog taxiritten worden uitgevoerd. [16] Dat alles wijst juist op een voortzetting van de onderneming. Dat dit gebeurt op een kleinere schaal (minder voertuigen, minder personeel) dan vóór 5 augustus 2025, is verklaarbaar. Het is aannemelijk, zoals [gedaagde partij 1] heeft toegelicht, dat de onderneming voertuigen heeft verkocht en personeel heeft ontslagen juist om de liquiditeitspositie van de onderneming te verbeteren en schulden af te lossen, om zodoende de onderneming voort te kunnen zetten. De voorzieningenrechter merkt nog op dat de toewijzing van de vordering van € 164.271,-- niet afhankelijk was van het antwoord op de vraag of de onderneming na 5 augustus 2025 zou worden voortgezet. Deze vordering is toegewezen, omdat is geoordeeld dat de schuldeisers van de onderneming moeten worden betaald.
Misbruik van bevoegdheid
[gedaagde partij 2] inhoudt. Hij vreest dat de waarschijnlijke opbrengst van een executoriale verkoop (volgens zijn inschatting € 332.500,00 à € 356.250,00) minder zal zijn dan de hypothecaire schuld (€ 356.654,78). De opbrengst bij executoriale verkoop zal dus alleen aan de hypotheekhouder toekomen. Daar komt nog bij dat hij slechts voor 50% eigenaar is van de woning. Zijn echtgenote is eigenaar van de overige 50%. Ten aanzien van die echtgenote heeft [gedaagde partij 1] volgens [eisende partij] geen voor executie vatbare titel. Dat alles maakt volgens [eisende partij] dat de voorgenomen executie disproportioneel is.