ECLI:NL:RBLIM:2026:5888

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
11761408 CV EXPL 25-2699
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Schreurs-van de Langemheen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BWArt. 150 RvArt. 6:10 BWArt. 6:101 BWArt. 3.16 Arbeidsomstandighedenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkgever en inlener niet aansprakelijk voor bedrijfsongeval werknemer bij val van podium

Werknemer trad op 14 juni 2024 in dienst bij werkgever en werkte op 1 juli 2024 via werkgever bij inlener aan een project in de Ziggo Dome. Tijdens werkzaamheden viel werknemer van een podium van circa 1,60 meter hoog, waarbij hij zijn rechterpols brak.

Werknemer vorderde aansprakelijkheid van werkgever en inlener voor de schade, stellende dat zij tekortgeschoten zijn in hun zorgplicht. Werkgever en inlener voerden verweer en stelden dat zij alle redelijkerwijs noodzakelijke veiligheidsmaatregelen hadden getroffen, waaronder het verstrekken van beschermende kleding en het houden van een toolboxmeeting. Volgens hen was het valgevaar onder de 2,5 meter en was het niet gebruikelijk of praktisch om hekken te plaatsen aan de podiumzijde waar werknemer viel.

De kantonrechter oordeelde dat de werkgever en inlener hun zorgplicht niet hebben geschonden. Het valgevaar was bekend, maar de kans op ernstig letsel was gering en de getroffen maatregelen waren passend. Werknemer had onvoldoende gemotiveerd betwist dat het plaatsen van hekken aan die zijde niet gebruikelijk of werkbaar was. Ook werd van werknemer enige oplettendheid verwacht. De vorderingen werden afgewezen en werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Werkgever en inlener zijn niet aansprakelijk voor het bedrijfsongeval waarbij werknemer van het podium viel; vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummers: 11761408 \ CV EXPL 25-2699 (hoofdzaak)
11986016 \ CV EXPL 25-4896 (vrijwaring)
11985709 \ CV EXPL 25-4895 (vrijwaring)
Vonnis in hoofdzaak en vrijwaringen van 15 juli 2026
in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer 11761408 \ CV EXPL 25-2699 van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. E.H.J.M. Dohmen,
tegen

1.PRO FM EVENTS B.V. M.H.O.D.N. [werkgever] ,

te [plaats 2] ,
gemachtigde: mr. R.J. Schellevis,
2.
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V. M.H.O.D.N. AVÉRO ACHMEA N.V.,
te Apeldoorn,
gemachtigde: mr. R.J. Schellevis,
3.
[inlener] B.V.,
te [plaats 3] ,
gemachtigde: mr. W.S. Oostveen-Kouwenhoven,
4.
MS AMLIN INSURANCE SE,
te Amstelveen,
gemachtigde: mr. W.S. Oostveen-Kouwenhoven,
en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer 11986016 \ CV EXPL 25-4896 van

1.PRO FM EVENTS B.V. M.H.O.D.N. [werkgever] ,

te [plaats 2] ,
gemachtigde: mr. R.J. Schellevis,
2.
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V. M.H.O.D.N. AVÉRO ACHMEA N.V.,
te Apeldoorn,
gemachtigde: mr. R.J. Schellevis,
tegen
[inlener] B.V.,
te [plaats 3] ,
gemachtigde: mr. W.S. Oostveen-Kouwenhoven,
en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer 11985709 \ CV EXPL 25-4895 van

1.[inlener] B.V.,

te [plaats 3] ,
gemachtigde: mr. W.S. Oostveen-Kouwenhoven,
2.
MS AMLIN INSURANCE SE,
te Amstelveen,
gemachtigde: mr. W.S. Oostveen-Kouwenhoven,
tegen
PRO FM EVENTS B.V. M.H.O.D.N. [werkgever] ,
te [plaats 2] ,
gemachtigde: mr. R.J. Schellevis.
Partijen zullen hierna ook [werknemer] , [werkgever] (c.s.) en [inlener] (c.s.) genoemd worden.

1.De procedure in de hoofdzaak

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 29 oktober 2025
- de conclusie van antwoord van [werkgever] c.s.
- de conclusie van antwoord van [inlener] c.s.
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek van [werkgever] c.s.
- de conclusie van dupliek van [inlener] c.s..
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De procedure in vrijwaringszaak 25-4896 ( [werkgever] c.s./ [inlener] )

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De procedure in vrijwaringszaak 25-4895 ( [inlener] c.s./ [werkgever] )

3.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek.
3.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

4.De feiten

4.1.
[werknemer] is per 14 juni 2024 op basis van een oproepcontract voor de duur van 12 maanden in dienst getreden bij [werkgever] . Zijn functie omvatte alle voorkomende werkzaamheden bij de op- en afbouw van een evenement.
2.2.
Op 1 juli 2024 was [werknemer] via [werkgever] werkzaam bij [inlener] . [inlener] had die dag voor een project in de Ziggo Dome een werkploeg van [werkgever] ingehuurd.
2.3.
Tijdens de werkzaamheden in de Ziggo Dome is [werknemer] van een podium gevallen, waarbij hij zijn rechterpols heeft gebroken.

5.Het geschil

in de hoofdzaak
5.1.
[werknemer] vordert - samengevat - te verklaren voor recht dat [werkgever] en [inlener] hoofdelijk dan wel (een van hen) afzonderlijk aansprakelijk zijn voor de door [werknemer] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het arbeidsongeval met veroordeling van [werkgever] en/of [inlener] althans diens aansprakelijkheidsverzekeraar(s) tot betaling van een voorschot op de schade ad € 10.000,00 en op de buitengerechtelijke advocaatkosten ad € 5.000,00 met veroordeling van [werkgever] en/of [inlener] althans diens aansprakelijkheidsverzekeraar(s) in de proceskosten en de nakosten.
5.2.
[werkgever] c.s. en [inlener] c.s. voeren verweer.
5.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak 25-4896 ( [werkgever] c.s./ [inlener] )
5.4.
[werkgever] c.s. vordert – samengevat – [inlener] te veroordelen om [werkgever] c.s. te vrijwaren voor al hetgeen waartoe [werkgever] c.s. in de hoofdzaak jegens [werknemer] mochten worden veroordeeld, met veroordeling van [inlener] in de proceskosten van de vrijwaringsprocedure en de hoofdzaak en in de nakosten.
5.5.
[inlener] voert verweer.
5.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak 25-4895 ( [inlener] c.s./ [werkgever] )
5.7.
[inlener] c.s. vordert – samengevat – [werkgever] te veroordelen om [inlener] c.s. te vrijwaren voor alles waartoe [inlener] c.s. in de hoofdzaak jegens [werknemer] mochten worden veroordeeld, althans in de mate waarin de schade op grond van artikel 6:10 juncto Pro artikel 6:101 BW Pro aan [werkgever] kan worden toegerekend, met veroordeling van [werkgever] in de proceskosten van de vrijwaringsprocedure en de hoofdzaak en in de nakosten.
5.8.
[werkgever] voert verweer.
5.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

6.De beoordeling

in de hoofdzaak
6.1.
De kantonrechter stelt voorop dat een werkgever op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW Pro gehouden is die maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Artikel 7:658 BW Pro houdt in beginsel een ruime zorgplicht voor de werkgever in. Niet snel kan worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en bijgevolg niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Anderzijds beoogt artikel 7:658 BW Pro geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke (veiligheids-)maatregelen van de werkgever mogen worden verwacht en verlangd, en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren en waarschuwen voor gevaar, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 heeft Pro in de eerste plaats betrekking op de werkplek (c.q. arbeidsplaats) waar de werknemer zijn werkzaamheden verricht(te). De enkele omstandigheid dat een algemeen bekend risico van schade zich verwezenlijkt, of de enkele mogelijkheid van ernstige schade (op de werkplek/arbeidsplaats) schept voor de werkgever – of de inlener – nog niet de verplichting maatregelen te nemen om die schade te voorkomen; welke verplichtingen in een concreet geval op de werkgever rust(t)en, moet worden beoordeeld met inachtneming van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval.
6.2.
De werknemer dient in een geval als het onderhavige – overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro – te stellen en bij (gemotiveerde) betwisting door de werkgever te bewijzen dat hij schade heeft geleden tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden. Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW Pro kan, indien vaststaat dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, de werkgever zich van aansprakelijkheid daarvoor bevrijden door te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de in lid 1 van dat artikel bedoelde verplichtingen is nagekomen. Indien de werkgever ter onderbouwing van dit verweer voldoende concrete feitelijke gegevens aanvoert, zal van de werknemer mogen worden verlangd dat hij zijn betwisting van dat verweer voldoende concreet motiveert. Naar de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro behoeft de werknemer, als wederpartij van de werkgever die de bewijslast voor zijn verweer draagt, in beginsel niet de door hem ter betwisting van het verweer van de werkgever gestelde feiten te bewijzen; in het licht van de stellingen van de werkgever en de vaststaande feiten mag evenwel van de werknemer een nadere motivering worden verlangd van zijn betwisting van het verweer van de werkgever.
6.3.
Op grond van artikel 7:658 lid 4 BW Pro kan een uitzendkracht of een ingeleende arbeidskracht zowel de formele werkgever als de inlener aansprakelijk stellen omdat de vrijheid van degene die een bedrijf uitoefent om te kiezen voor het laten verrichten van werk door eigen werknemers of door anderen niet van invloed behoort te zijn op de rechtspositie van degene die het werk verrichten.
6.4.
[werknemer] hoeft op grond van het hiervoor weergegeven juridisch kader en volgens vaste jurisprudentie niet precies aan te tonen wat de toedracht of oorzaak van het ongeval was. Voldoende is dat vast staat dat hij tijdens zijn werkzaamheden van het podium is gevallen en daarbij schade heeft opgelopen. Uit het beeldmateriaal dat zich in het dossier bevindt en de (nadere) stellingen van partijen volgt dat het podium van ongeveer 1,60 meter hoog waarop [werknemer] aan het werk was, aan een zijde niet was voorzien van een hekwerk. Op het podium stond een materiaalkast op wielen. Op de camerabeelden is te zien dat [werknemer] om de materiaalkast heen loopt en dat hij tussen de materiaalkast en de rand van het podium gaat staan, met zijn rug naar de rand van het podium. Vervolgens zet hij een stap naar achteren en valt hij van het podium.
6.5.
[werkgever] c.s. en [inlener] c.s. stellen zich op het standpunt dat zij die maatregelen hebben genomen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat door haar werknemers, waaronder ook [werknemer] , schade wordt geleden.
[werkgever] c.s. en [inlener] c.s. verwijzen naar artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit waarin is bepaald dat bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat zo mogelijk veiligheidsvoorzieningen worden aangebracht. Van valgevaar is volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit in elk geval sprake (…) als het gevaar bestaat om 2,5 meter of meer te vallen. Nu er voor [werknemer] geen gevaar bestond om 2,5 meter of meer te vallen, hoefden er volgens [werkgever] c.s. en [inlener] c.s. geen voorzieningen te worden getroffen.
Voorts heeft [werknemer] kennis genomen van de bedrijfsregels van [werkgever] waarin duidelijk is aangegeven dat de veiligheid van de werknemer te allen tijde boven alles gaat. Aan [werknemer] zijn een helm en werkschoenen verstrekt die [werknemer] ook droeg ten tijde van het ongeval. Daarnaast heeft de crewboss van [inlener] voorafgaand aan de werkzaamheden een zogenaamde toolboxmeeting gehouden waarbij onder meer de instructie is gegeven dat [werknemer] en zijn collega’s moesten opletten waar ze lopen. Voor de toolboxmeeting heeft de betreffende crewboss nog een last minute risicoanalyse (een korte veiligheidscheck) gedaan waarbij geen bijzonderheden zijn opgevallen.
Tot slot stellen [werkgever] c.s. en [inlener] c.s. dat zij niet gehouden waren om extra veiligheidsmaatregelen te treffen omdat de kans dat dit ongeval zich zou voordoen niet groot was, evenals de kans dat daardoor ernstig letsel zou ontstaan. Het was geen reële optie om (ook) de kant van het podium waar [werknemer] is gevallen af te zetten met hekken. Dit was niet gebruikelijk en voorts niet praktisch/mogelijk omdat aan die zijde de spullen door middel van heftrucks op het podium worden gezet. Er is dan ook sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden en niet valt in te zien hoe nadere instructies het voorval hadden kunnen voorkomen. Daarbij merken [werkgever] c.s. en [inlener] c.s. nog op dat de zaal waarin werd gewerkt goed verlicht was en dat de vloer van het podium droog was. Tot slot gold geen bijzondere waarschuwingslicht omdat het een feit van algemene bekendheid is dat je kunt vallen als je dichtbij de rand van een podium staat.
6.6.
[werknemer] stelt in zijn reactie op het verweer dat op grond van artikel 3.16 juncto artikel 7.23 van het Arbeidsomstandighedenbesluit ook bij een hoogteverschil van minder dan 2,5 meter valgevaar kan bestaan. Dat standpunt kan de kantonrechter gelet op de formulering van artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit wel volgen. De vraag is echter of dat maakt dat de werkgever gehouden was om aan alle zijden van het podium hekken te plaatsen zoals [werknemer] stelt. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. [werkgever] c.s. en [inlener] c.s. hebben daarover gemotiveerd gesteld dat het niet gebruikelijk is om aan de voorzijde van een podium een hek te plaatsen. Dat is ook de zijde van waar het publiek naar een optreden of voorstelling kijkt en waar licht- en stoomapparatuur wordt geplaatst. Ook is het niet mogelijk c.q. niet werkbaar om daar een hekwerk te plaatsen (tijdens de opbouw) omdat de materialen die nodig zijn op het podium daar aan die zijde met heftrucks op worden gezet. [werknemer] heeft zijn betwisting van dat verweer onvoldoende gemotiveerd. [werknemer] heeft betoogd dat de materialen die op het podium moeten worden gehesen met behulp van heftrucks over de hekwerken kunnen worden gehesen. Echter, zoals door [inlener] c.s. is uiteengezet, is heffen niet hetzelfde als hijsen. Heftrucks kunnen lading heffen en dan op hoogte plaatsen. Het is voor een heftruck niet mogelijk om over een hekwerk heen te heffen en dan de lading te laten zakken.
6.7.
Voorts stelt [werknemer] dat de materiaalkasten naar het midden van het podium verplaatst hadden kunnen worden zodat het valgevaar aan de rand was weggenomen. De kantonrechter kan dit betoog van [werknemer] niet volgen nu hij bij dagvaarding zelf heeft gesteld dat het juist zijn taak was om de materiaalkast naar het midden van het podium te verplaatsen en dat hij bij het uitvoeren van die taak van het podium is gevallen. Om diezelfde reden had ook een hekwerk met een opening om de materialen op het podium te plaatsen – zoals [werknemer] subsidiair heeft betoogd – het ongeval niet kunnen voorkomen. Terecht hebben [werkgever] c.s. en [inlener] c.s. aangevoerd dat van [werknemer] enige oplettendheid mocht worden verwacht terwijl hij rondliep op het podium. [werknemer] is van het podium gevallen doordat hij zonder te kijken een stap naar achteren zette terwijl hij zich aan de rand van het podium bevond. Van de werkgever kan niet worden gevergd er te allen tijde op toe te zien dat medewerkers niet zonder te kijken een stap naar achteren zetten.
6.8.
Op grond van al het voorgaande komt de kantonrechter tot de conclusie dat [werkgever] en [inlener] hebben voldaan aan de op hen rustende zorgplicht en dus niet aansprakelijk zijn voor de door [werknemer] geleden en eventueel nog te lijden schade als gevolg van het arbeidsongeval. Op de stellingen van partijen ten aanzien van de schade zal de kantonrechter daarom niet ingaan.
6.9.
[werknemer] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werkgever] c.s. worden begroot op:
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.008,00
De proceskosten van [inlener] c.s. worden begroot op:
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.008,00
in de vrijwaringszaken
6.10.
De afwijzing van de vorderingen in de hoofdzaak leidt tot afwijzing van de vorderingen in de vrijwaringszaken. Er is immers niets waartoe [werkgever] c.s. of [inlener] c.s. in de hoofdzaak wordt veroordeeld.
6.11.
De eisers in vrijwaring zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld in beide vrijwaringszaken.
6.12.
Bij het vaststellen van de kosten in de vrijwaring zal de kantonrechter uitgaande van de onderlinge samenhang tussen de hoofdzaak en elk van de vrijwaringszaken, de kosten voor salaris van de advocaat vermenigvuldigen met de factor 0,5.
6.13.
De kosten aan de zijde van [werkgever] c.s. en [inlener] c.s. worden voor ieder als eiser in vrijwaring begroot op:
- salaris gemachtigde
432,00
(2 punten × 0,5 × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
576,00

7.De beslissing

De kantonrechter
in de hoofdzaak
7.1.
wijst de vorderingen af,
7.2.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van [werkgever] c.s. van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
7.3.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van [inlener] c.s. van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
7.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer 11986016 \ CV EXPL 25-4896
7.5.
wijst de vorderingen af,
7.6.
veroordeelt [werkgever] c.s. in de proceskosten van [inlener] van € 576,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
7.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer 11985709 \ CV EXPL 25-4895
7.8.
wijst de vorderingen af,
7.9.
veroordeelt [inlener] c.s. in de proceskosten van [werkgever] van € 576,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [inlener] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
7.10.
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Schreurs-van de Langemheen en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.