Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.ASN Bank N.V.,
2.ING België N.V.,
1.De procedure
2.De feiten
€ 54.766,- ter beschikking gesteld, zijnde 5% van de oorspronkelijke vordering van
€ 1.095.321,95.
3.Het verweer
- Het voorstel is gedaan door de broer (van verzoeker), daarmee is het verzoek niet ingediend door een erkende schuldhulpverlenende instantie. Daarbij komt dat de advocaat die aanvankelijk in dit traject betrokken was, rond november 2025 niet meer betrokken is geweest, waarna de broer zelf een voorstel heeft gedaan. Het minnelijk traject is daarmee niet op de juiste wijze doorlopen, hetgeen reeds een zelfstandige grond vormt voor afwijzing van het verzoek tot een dwangakkoord;
- Verzoeker voldoet op dit moment niet aan de inspanningsplicht, aangezien hij voor onbekende duur in detentie verblijft. Hierdoor kan aan een essentiële voorwaarde voor deelname aan een MSNP-traject niet worden voldaan;
- Er is niet het volledig beschikbare vermogen aangeboden. Er is nog een beleggingsportefeuille bij de ING zo blijkt uit de belastingaangifte over het jaar 2024 met een waarde van minimaal € 61.290,-. Dit is al hoger dan het gedane voorstel. Daarnaast is in het voorstel uitgegaan van de executiewaarde van de woning geraamd op € 370.000,-. Er dient echter te worden uitgegaan van de marktwaarde die op
4.De beoordeling
- is het schikkingsvoorstel door een onafhankelijke en deskundige partij getoetst (bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);
- is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd;
- is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;
- biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldenaar; biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser dan evenveel of meer zal ontvangen;
- is aannemelijk dat gedwongen medewerking aan een schuldregeling voor de schuldeiser concurrentieverstorend werkt;
- bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen; wat is de zwaarte van het financiële belang dat de schuldeiser heeft bij volledige nakoming;
- hoe groot is het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast;
- staat de weigerende schuldeiser alleen naast de overige met de schuldregeling instemmende schuldeisers;
- is er eerder een minnelijke of een gedwongen schuldregeling geweest die niet naar behoren is nagekomen?
Als de woning in een schuldsaneringsregeling verkocht zou moeten worden, wordt uitgegaan van de marktwaarde. Ook verweerster 1 geeft in haar verweer aan dat zij uitgaat van de marktwaarde. Er dient dan ook te worden uitgegaan van de marktwaarde. Op basis van het taxatierapport van 12 november 2024 bedroeg de marktwaarde € 450.000,-. In de periode daarna is de woningmarkt nog steeds in beweging en wordt er regelmatig zelfs overboden bij de verkoop van woningen. Uit de WOZ-waarde kan ook worden afgeleid dat de waarde van de woning inmiddels is gestegen. In 2024 bedroeg deze € 438.000,-, iets onder de marktwaarde van de woning zoals geschat in het taxatierapport. In 2025 is de WOZ-waarde verhoogd naar € 481.000,-. Ook uit het overzicht van Calcasa, dat verweerster met het verweerschrift heeft meegestuurd, blijkt dat de waarde van de woning inmiddels al hoger ligt dan genoemd in het taxatierapport. Op 20 mei 2026 is de waarde volgens Calcasa € 474.000,-. Uitgaande van deze waarde, die iets lager is dan de WOZ-waarde, zou er een overwaarde zijn van € 99.000,-. Daarnaast is er nog een beleggingsrekening verbonden aan de hypotheek waarvan het saldo op 1 januari 2025 reeds € 61.290,- bedroeg. De verwachting is dat dit saldo inmiddels is opgelopen. Voor nu wordt echter met dit bedrag gerekend, omdat niet bekend is hoeveel hoger het saldo zou kunnen zijn. Dit bedrag wordt bij de overwaarde geteld, waardoor de totale overwaarde van de woning op ruim € 160.000,- komt. Dit bedrag is meer dan het driedubbele van het door verzoekers aangeboden bedrag. Zelfs als daar nog de onderhoudskosten voor de reparatie van de dakconstructie af gaan, blijft er nog een bedrag over dat veel hoger is dan het gedane aanbod. Op welke wijze en waar verzoekers vervolgens een andere woning vinden is voor de rechtbank van ondergeschikt belang. De rechtbank kijkt naar de waarde die een vermogensbestanddeel, zoals in dit geval de woning, vertegenwoordigt en weegt vervolgens de belangen van verzoekers tegen die van de schuldeisers af. Het kan niet zo zijn dat verzoekers een vermogensbestanddeel kunnen behouden die zo’n grote waarde vertegenwoordigt, terwijl de schuldeisers maar een fractie van hun schulden betaald krijgen.