Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een kort geding tussen verhuurder en huurder over een huurachterstand en ontruiming van een woonruimte. De huurder, die met haar minderjarige kind in de woning woont, heeft sinds aanvang van de huurovereenkomst geen huur betaald en ook de borgsom niet voldaan. De verhuurder vordert ontruiming en betaling van de achterstallige huur en borg.
De huurder voert aan dat zij betalingsonmacht heeft vanwege een laag inkomen en een recent verkregen verblijfsstatus, en dat ontruiming tot dakloosheid en uitzetting zou leiden, wat een noodtoestand zou vormen. Zij beroept zich ook op artikel 3 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
De kantonrechter oordeelt dat de huurachterstand van zes maanden voldoende is voor ontbinding van de huurovereenkomst en toewijzing van ontruiming. Het belang van de huurder en haar kind weegt niet op tegen het belang van de verhuurder. De ontruimingstermijn wordt verlengd naar drie weken. De vordering tot betaling van de huurachterstand, borgsom en wettelijke rente wordt eveneens toegewezen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De kantonrechter wijst de vordering tot ontruiming en betaling van huurachterstand en borgsom toe en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.