ECLI:NL:RBLIM:2026:5751

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
11948034 \ CV EXPL 25-4490
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:75 BWArt. 6:76 BWArt. 6:96 BWArt. 6:98 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aannemer aansprakelijk voor bezwijken plafond door nalaten voorzorgsmaatregelen

Eiser, eigenaar van een woning, sloot met gedaagde een aannemingsovereenkomst voor werkzaamheden aan de zoldervloer. Tijdens en na de werkzaamheden bezweek het plafond in de woonkamer, wat aanzienlijke schade veroorzaakte. Eiser stelde gedaagde aansprakelijk wegens toerekenbare tekortkoming.

Deskundigenrapporten van Socotec en Sedgwick concludeerden dat het bezwijken van het plafond werd veroorzaakt doordat werknemers van gedaagde over de houten balken liepen waaraan het plafond met nagels was bevestigd. Door het doorbuigen van de balken werden nagels uitgedrukt, waardoor de draagkracht verminderde. Gedaagde had voorzorgsmaatregelen moeten nemen, zoals het aanbrengen van loopplanken, maar deed dit niet.

Gedaagde voerde verweer dat hij niet wist van de kwetsbaarheid van de constructie en dat het causale verband ontbrak, mede omdat het plafond pas zes weken na oplevering bezweek. De rechtbank verwierp dit verweer, oordeelde dat gedaagde tekortgeschoten is in zijn nevenverplichting en dat het causale verband tussen tekortkoming en schade is vastgesteld.

De rechtbank wees de vordering tot schadevergoeding van €7.912,02 toe, wees de vordering tot vergoeding van kosten ter vaststelling van schade af wegens onvoldoende onderbouwing, en kende buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente toe. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Aannemer is aansprakelijk en veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en bijkomende kosten wegens nalaten van voorzorgsmaatregelen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11948034 \ CV EXPL 25-4490
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: Klaverblad Rechtsbijstand Stichting,
tegen
[gedaagde partij] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 oktober 2025 met producties 1 tot en met 14
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 4
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van [eisende partij] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] is eigenaar van het perceel met woonhuis aan de [adres] (hierna: de woning).
2.2.
[eisende partij] en [gedaagde partij] hebben op 6 april 2024 een overeenkomst gesloten waarbij partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde partij] werkzaamheden aan de zolderverdieping van de woning zou uitvoeren. Die werkzaamheden bestonden uit het verwijderen van de bestaande vloer, het aanbrengen van isolatiemateriaal (steenwol) tussen de balken en het plaatsen van nieuwe vloerplaten.
2.3.
Op 8 april 2024 zijn de werkzaamheden aangevangen. Gedurende de werkzaamheden is schade ontstaan aan diverse plafonds op de begane grond. Deze schade is gemeld bij [gedaagde partij] . Op 22 april 2024 zijn de werkzaamheden afgerond.
2.4.
Op 3 juni 2024 omstreeks 12.00 uur is het plafond in de woonkamer bezweken en naar beneden gekomen.
2.5.
[eisende partij] heeft een constructeur, het Constructiehuis, opdracht gegeven de constructie na te rekenen. In het rapport van het Constructiehuis is onder andere het volgende opgenomen:
“pos.V1: b*h = 55*155 mm versterken met extra balken b*h = 55*155 tussen de bestaande balken te plaatsen.”
2.6.
[eisende partij] heeft [gedaagde partij] op 12 juli 2024 schriftelijk aansprakelijk gesteld voor de ontstane schade. De verzekeraar van [gedaagde partij] heeft bij brief van 15 oktober 2024 de aansprakelijkheid van de hand gewezen. [eisende partij] heeft [gedaagde partij] bij brief van 13 november 2024 opnieuw aansprakelijk gesteld.
2.7.
[eisende partij] heeft aan Socotec opdracht gegeven om nader onderzoek te verrichten naar de oorzaak van het schadevoorval. In het rapport van Socotec is onder meer het volgende opgenomen (waarbij [eisende partij] wordt aangemerkt als partij 1 en [gedaagde partij] als partij 2) [1] :
“(…)
De stucplaten zijn gemaakt van karton, versterkt met staaldraad. De enige fabrikant die deze platen heeft gemaakt is Knauf en de handelsnaam van de platen is Stucanet.
(…)
Partij 2 deelde ons tijdens een telefoongesprek kort na het bezoek mee dat het plafond kon bezwijken door het gewicht van meerdere stuclagenen doordat de nagels tijdens het belopen uit de balken zijn gedrukt. Partij 2 meent echter dat het bezwijken niet verwijtbaar is, omdat niet kon worden voorzien dat de platen aan de balken waren vernageld in plaats van geschroefd.
Uit de door partij 1 verstrekte foto’s blijkt dat de platen inderdaad met nagels aan de balken waren bevestigd en er meerdere lagen stuc op de platen waren aangebracht.
(…)
Ook volgens partij 1 liepen er medewerkers van partij 2 tijdens het aanleggen van de isolatieplaten over de balken. Uit de diverse door partij 1 verstrekte afbeeldingen blijkt dat aannemelijk is:er zijn kennelijk geen tijdelijke loopplanken gebruikt en er was geen andere mogelijkheid alle posities tussen de balken te bereiken om de isolatie aan te leggen.Bij het belopen van de balken buigen deze iets door. Daardoor werden de nagels van de platen er telkens een stukje uitgedrukt. De totale draagkracht van de bevestigingen van het plafond werd hierdoor verminderd.
(…)
Uit pagina 11 van de handleiding van de Stucanetplaten blijkt dat de platen op een houten balklaag met nagels bevestigd moeten worden. In tegenstelling tot het standpunt van partij 2 is het toepassen van nagels in plaats van schroeven dus een correcte uitvoering.
(…)
Wij achten het aannemelijk dat de schade, het bezwijken van het plafond, veroorzaakt is door een combinatie van factoren:
  • Het belopen van de balken door medewerkers van partij 2 tijdens de uitvoering van het werk waardoor de nagels van de plafondplaten uit de balken werden gedrukt en de draagkracht van de nagelbevestigingen dus verminderd werd;
  • Enige toename van gewicht op het plafond door het aanleggen van isolatieplaten op het plafond;
  • Het gewicht van de relatief dikke stuclaag op de stucplaten.
Hierbij merken wij op dat de invloed van toevoeging van gewicht door isolatie naar onze inschattingeen minder grotere rol heeft gespeeld dan het uit de balken drukken van nagels. Het gewicht van de relatief dikke stuclaag speelde pas een cruciale rol tijdens de verminderde draagkracht, omdat de bevestiging in staat was het plafond ruim 25 jaar zonder bezwijking te dragen.
Wij merken op dat uit een beoordeling van een door partij 1 ingeschakelde constructeur had kunnen blijken dat de balken bij de opleggingen niet gefixeerd waren.Het is echter niet aannemelijk dat dit een rol heeft gespeeld bij het bezwijken van het plafond. Indien de balken namelijk door gebrek aan bevestiging tijdens het belopen waren verschoven of gekanteld, dan zou dat direct een gevolg moeten hebben gehad en niet – zoals uit de aangeleverde informatie blijkt – pas een maand na afronding van het werk.
Het vooraf constructief verstevigen van de vloerhad onze inziens het bezwijken niet kunnen voorkomen.De oorzaak is dan ook niet gelegen in de draagkracht of stevigheid van de vloer, maar voornamelijk de verminderde hechting van de nagels van het plafond aan de vloerbalken.
Zoals uit het voorgaande blijkt ligt de oorzaak niet in de eigenschappen van de houten verdiepingsvloer maar in een als gevolg van het werk verminderde draagkracht van de bevestigingen van het plafond. Het voorafgaand inschakelen van een constructeur is niet gebruikelijk bij de aard van het overeengekomen werk. Dat zou anders zijn geweest als de constateringen na het openen van de vloer daar aanleiding voor hadden gegeven. De vloerconstructie zelf vertoonde echter (los van de mogelijk niet voldoende gefixeerde balken) geen afwijkingen die daartoe aanleiding gaven.
Ook de aard van de plafondconstructie was direct zichtbaar voor de medewerkers van partij 2 bij het verwijderen van de oorspronkelijke vloerplaten (afbeelding 6). Met de juiste kennis van zaken over dit systeem (vernageling van platen aan de balken conform de montage instructies) had de kwetsbaarheid en risico’s op schade bij het belopen van balken direct duidelijk moeten zijn. Hier had geen constructeur voor ingeschakeld hoeven worden. Partij 2 had dan de keuze het werk niet uit te voeren of maatregelen kunnen nemen schade te voorkomen, zoals het stutten van het plafond op de begane grondvloer of het aanleggen van tijdelijke loopplanken waarmee het gewicht van de lopende medewerkers was verdeeld over meerdere balken om zo de doorbuiging per balk te beperken. Dit had het uit de balken drukken van nagels kunnen beperken en in combinatie met stutwerk mogelijk zelfs kunnen voorkomen.
(…)
Naar aanleiding hiervan begroten wij de schade als gevolg van het bezweken plafond conform onderstaande specificatie op € 7.912,02 inclusief btw:
Scheurherstel in 6 ruimten € 1.635,00
Nieuw stuc plafond slaapkamer € 1.740,00
Opslagcontainer leveren/plaatsen € 609,72
Huurkosten container € 352,70
Bouwdrogers € 465,85
Stucloper € 34,99
Nieuw plafond, materialen € 659,86
Schilderwerk plafond, materialen € 213,90
88 uur arbeid 1 a € 25,00€ 2.200,00
Totaal herstel inclusief btw € 7.912,02
(…).”
2.8.
De verzekeraar van [gedaagde partij] heeft Sedgwick opdracht gegeven om een onderzoek uit te voeren naar de situatie en het voorval. In het rapport van Sedgwick is – voor zover relevant – het volgende opgenomen [2] :
“(…)
Bevindingen van de expert
Ter plaatse inspecteerden wij de draag- en plafondconstructie. Wij stelden vast dat de draagconstructie van de verdiepingsvloer van de woning bestaat uit een stalen hoofddraagconstructie bestaande uit H-profielen. Dwars daarop zijn houten draagbalken geplaatst.
De houten draagbalken zijn niet bevestigd aan de stalen ligger, maar liggen los in het staalprofiel.
Tijdens ons locatiebezoek had verzekerde haar werkzaamheden reeds afgerond. De houten balken worden derhalve op hun plaats gehouden door de op de balken aangebracht underlayment platen. In de situatie voor uitvoering van de werkzaamheden van verzekerde werden de platen op hun plaats gehouden door het plaatmateriaal dat destijds op de balken was vernageld.
Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden verwijderde verzekerde echter het oude plaatmateriaal om de vloer te richten en het isolatiemateriaal tussen de balken aan te kunnen brengen.Om zich over de verdieping te kunnen verplaatsen, begaf verzekerde zich op de houten draagbalken.
Het is zeer wel mogelijk dat daarbij extra spanning is komen te staan op de verbinding tussen het gipsen plafond en de houten draagconstructie. Immers, door het belopen van de balken konden kleine verschuivingen optreden.
Verzekerde wees ons op de bevestiging van het plafond aan de balken middels (korte) nagels. Hoewel die montagewijze heden ten dage niet meer gehanteerd zou worden,kwalificeren wij een dergelijke bevestiging niet als gebrekkig.
Wij constateerden ook dat het stucwerk op een aantal locaties dik (enkele centimeters) aanwezig was op het plafond.Gelet op het feit dat dat stucwerk niet recent werd aangebracht, achten wij dat evenmin van doorslaggevende invloed op de voorliggende gebeurtenis.
Alles overziend achten wij het aannemelijk dat de uitvoering van de werkzaamheden van verzekerde een rol speelde bij het bezwijken van het plafond. Gelet op het feit dat het voorval pas zes weken na oplevering van de werkzaamheden plaatsvond is het aannemelijk dat een andere oorzaak de spreekwoordelijke druppel was. Die oorzaak konden wij echter niet vaststellen.
(…)
Bij de huidige stand van zaken adviseren wij u het volgende bedrag als kosten/schade te reserveren:EUR 35.000,00
(…)”
2.9.
[eisende partij] heeft het rapport van Socotec op 4 maart 2025 aan [gedaagde partij] toegezonden en [gedaagde partij] opnieuw aansprakelijk gesteld op grond van de bevindingen uit de rapportage. [gedaagde partij] is daarbij gesommeerd om € 9.596,34 te betalen. [gedaagde partij] heeft niet betaald aan [eisende partij] .

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 9.596,34 aan hoofdsom (€ 7.912,02 aan schade door het bezwijken van het plafond en € 1.684,32 ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2024, althans vanaf 13 maart 2025 en € 932,43 aan buitengerechtelijke incassokosten [3] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarden. [eisende partij] vordert daarnaast de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eisende partij] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde partij] is op grond van artikel 6:74 BW Pro gehouden de door [eisende partij] geleden schade te vergoeden. [gedaagde partij] is namelijk toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst tussen partijen nu door de uitvoering van de werkzaamheden schade is ontstaan aan het plafond van [eisende partij] .
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde partij] voert het volgende aan. Volgens [gedaagde partij] is geen sprake van een tekortkoming aan zijn zijde in de nakoming van de overeenkomst. [gedaagde partij] wist niet en had ook niet kunnen weten dat de constructie van de vloer (in combinatie met het plafond) ongeschikt was om over te lopen. Uit het rapport van Sedgwick volgt dat de oorzaak van het bezwijken van het plafond ligt in de gebrekkige vloerconstructie omdat de houten balken niet geschikt zouden zijn voor het belopen. [gedaagde partij] stelt zich daarnaast op het standpunt dat het causaal verband tussen de werkzaamheden dan wel het lopen over de balken en het bezwijken van het plafond ontbreekt.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Schade bezwijken plafond
4.1.
Tussen partijen is een overeenkomst van aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 BW Pro tot stand gekomen. De overeengekomen werkzaamheden zijn opgeleverd. De vordering heeft niet te maken met enige gebreken in het opgeleverde werk zelf, maar met schade die tijdens de uitvoering van het werk (en daarna) ontstaan is. Het gaat in deze zaak dus niet om een vordering tot vervangende schadevergoeding, maar om een vordering tot gevolgschade. Gevolgschade is de schade die de schuldenaar door een tekortkoming van de schuldenaar lijdt, die hij niet zou hebben geleden indien aanstonds deugdelijk was gepresteerd. De schuldenaar schiet dan tekort in zijn (neven)verplichting om te voorkomen dat hij schade aan het vermogen van de schuldeiser toebrengt.
4.2.
Artikel 6:74 lid 1 BW Pro bepaalt dat iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht de schade die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.
4.3.
Ten aanzien van de vraag of sprake is van een tekortkoming wordt als volgt overwogen. De kantonrechter stelt voorop dat uit de rapporten van Socotec en Sedgwick [4] voldoende blijkt dat het plafond naar beneden is gekomen omdat (de werknemers van) [gedaagde partij] hebben gelopen over de balken waaraan het plafond aan de onderzijde (met nagels) was bevestigd. Door het belopen van de balken bogen die iets door, werden de nagels telkens een stukje uit de balk geduwd en werd de draagkracht van de nagelbevestiging verminderd. Volgens Socotec had [gedaagde partij] kunnen weten dat de plafondconstructie kwetsbaar was en had hij maatregelen moeten nemen, bijvoorbeeld door loopplanken over de balken te leggen, waardoor de druk beter verdeeld werd. De tekortkoming die aan [gedaagde partij] wordt verweten is dan ook dat hij geen voorzorgsmaatregelen heeft genomen door – bijvoorbeeld – loopplanken over de balken te leggen, maar over de balken zelf heeft gelopen.
4.4.
[gedaagde partij] heeft steeds wisselende stellingen ingenomen over de vraag of zijn werknemers direct over de balken hebben gelopen. Uiteindelijk heeft hij op de mondelinge behandeling erkend dat zijn werknemers over de balken zelf hebben gelopen en niet (altijd) gebruik hebben gemaakt van loopplanken. Hij stelt dat dit gebruikelijk is in de bouw. [gedaagde partij] ging ervan uit dat de zolder een verdiepingsvloer was en daarom ging [gedaagde partij] ervan uit dat over de balken gelopen mocht worden. Indien dat niet het geval was geweest, had [eisende partij] hem moeten waarschuwen. [gedaagde partij] heeft geen enkele waarschuwing gekregen. [gedaagde partij] stelt zich op het standpunt dat het volledig leggen van loopplanken geen verschil had gemaakt. Tijdens het belopen van de balken zou er nou eenmaal druk worden uitgeoefend op die balken, met of zonder loopplanken. Het leggen van loopplanken maakt volgens [gedaagde partij] alleen verschil bij een mechanische bevestiging.
4.5.
De kantonrechter volgt het standpunt van [gedaagde partij] niet. [gedaagde partij] had na het verwijderen van de vloerplaten op de bovenverdieping direct zicht op de bovenzijde van het plafond en had kunnen zien dat dit bestond uit Stucanetplaten die aan de onderzijde van de vloerbalken bevestigd waren en daarna waren gestuct. Hij heeft kennelijk geen onderzoek gedaan naar de wijze waarop deze platen aan de balken waren bevestigd. Als hij de montagehandleiding van Stucanet erop had nageslagen, had hij kunnen weten dat deze platen met nagels aan de balken waren bevestigd en dat deze constructie kwetsbaar was. Zoals ook in het rapport van Socotec is overwogen had deze kwetsbaarheid aan [gedaagde partij] direct duidelijk moeten zijn en had hij loopplanken moeten aanbrengen om het werk uit voeren en niet direct over de balken zelf moeten lopen of laten lopen. Immers, door het leggen van loopplanken wordt het gewicht van de werklieden over meerdere balken verdeeld en wordt de doorbuiging per balk beperkt [5] . Anders dan [gedaagde partij] kennelijk betoogt, lag de verantwoordelijkheid voor het nemen van voorzorgsmaatregelen zodat geen schade aan het plafond zou ontstaan bij hem, en (vanzelfsprekend) niet bij [eisende partij] , die immers geen deskundige is op het gebied van vloer-, balk- en plafondconstructies. Van [gedaagde partij] , die handelde als professionele aannemer, kan daarentegen die deskundigheid wel worden verwacht. De stelling van [gedaagde partij] dat het leggen van loopplanken alleen zou uitmaken bij een mechanische bevestiging is in zijn geheel niet onderbouwd, zodat de kantonrechter daaraan voorbij gaat.
4.6.
Zoals reeds is overwogen volgt uit de rapporten dat het bezwijken van het plafond een gevolg van het belopen van de houten balken op de zolder, waardoor ook druk is komen te staan op de nagels die bevestigd waren aan het plafond. Uit geen enkel rapport volgt dat het plafond niet correct was aangebracht en aldus gebrekkig was. Het gaat in deze ook niet om de vraag of de zolder gebruikt kon worden als verdiepingsvloer. [gedaagde partij] heeft de bestaande vloer op de zolder verwijderd en daarna is er over de losse balken gelopen, terwijl [gedaagde partij] ook makkelijk overal loopplanken had kunnen plaatsen. [gedaagde partij] is tekortgeschoten in zijn nevenverplichting om te voorkomen dat hij schade aan het vermogen van [eisende partij] zou toebrengen. [gedaagde partij] heeft niet zelf over de balken gelopen, maar op grond van artikel 6:76 BW Pro is [gedaagde partij] , nu hij bij de uitvoering van de verbintenis gebruik heeft gemaakt van de hulp van andere personen, voor hun gedragingen op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk.
4.7.
Vervolgens is het de vraag of de tekortkoming aan [gedaagde partij] toerekenbaar is. Overeenkomstig artikel 6:75 BW Pro kan een tekortkoming de schuldenaar niet worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt (overmacht). [gedaagde partij] heeft ter mondelinge behandeling echter expliciet medegedeeld dat geen beroep wordt gedaan op overmacht. Het is voor de kantonrechter dan ook niet duidelijk op welke grondslag [gedaagde partij] dan betoogt dat de tekortkoming niet aan hem toerekenbaar is. Uit het voorgaande volgt reeds dat dat wel het geval is.
4.8.
De laatste vraag die beantwoord dient te worden is of sprake is van een causaal verband tussen de schade en het handelen van [gedaagde partij] . [gedaagde partij] betwist het causale verband en voert daartoe het volgende aan. Het plafond is pas op 3 juni 2024 naar beneden gekomen, terwijl hij het werk al op 22 april 2024 heeft opgeleverd. In die tussenliggende periode kunnen zich andere oorzaken hebben voorgedaan die hebben gemaakt dat het plafond naar beneden is gekomen. Hij heeft als voorbeeld genoemd dat een stukadoor na de oplevering op 22 april 2024 zware materialen naar boven heeft gebracht (45 zakken MP75 van 25 kilo per stuk en een gipsspuit). Dit wordt volgens [gedaagde partij] ook door Sedgwick als relevante oorzaak genoemd. Bovendien heeft [eisende partij] ook zelf op de vloer gelopen.
4.9.
[eisende partij] heeft ter mondelinge behandeling toegelicht dat op het moment van bezwijken van het plafond inderdaad spullen van de stukadoor op zolder stonden. Deze stonden volgens [eisende partij] echter niet op de zolder boven de woonkamer (waar het plafond naar beneden is gekomen), maar in een andere ruimte op zolder aan de andere kant van de woning.
4.10.
Volgens artikel 6:98 BW Pro kom voor vergoeding slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. Artikel 6:74 BW Pro eist dat de tekortkoming condicio sine qua non voor de schade is. Ontbreekt dit verband, anders gezegd: zou de schade, de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid is gebaseerd, weggedacht, toch zijn ontstaan, dan is er geen aansprakelijkheid. Voor het afwijzen van een condicio sine qua non-verband is niet vereist dat 100% zekerheid bestaat dat de schade niet zou zijn ontstaan bij het wegdenken van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust. Een ‘redelijke mate van waarschijnlijkheid’ volstaat. [6]
4.11.
Het betoog van [gedaagde partij] komt erop neer dat het plafond ook naar beneden zou zijn gekomen als zijn werknemers bij de uitvoering van de werkzaamheden niet over de balken hadden gelopen. Met dat betoog gaat hij volledig voorbij aan de bevindingen in de beide deskundigenrapporten en blijft hij – zonder deugdelijke onderbouwing – ontkennen dat de primaire oorzaak van het uiteindelijk bezwijken van het plafond is gelegen in de verminderde hechting van de plafondplaten, die is ontstaan door toedoen van [gedaagde partij] , zoals hiervoor reeds uitgebreid is overwogen. Dat [eisende partij] na oplevering van het werk ook (weer) over
de vloer(en dus niet over balken) heeft gelopen en een stucadoor op de bovenverdieping spullen heeft neergezet, doet aan het voorgaande niet af. Er waren op dat moment immers weer vloerplaten op de bovenverdieping en het gewicht werd weer verdeeld over de balken. Alleen zaten op dat moment de plafondplaten (door toedoen van de werknemers van [gedaagde partij] ), niet meer goed vast. Niet bekend hoeft te zijn wat uiteindelijk op 3 juni 2024 het ‘laatste duwtje’ is geweest dat heeft geleid tot het bezwijken van het plafond. Wel is voldoende aannemelijk dat als (de werknemers van) [gedaagde partij] niet rechtstreeks over de balken hadden gelopen, het plafond
nietnaar beneden was gekomen. Daarmee is het causale verband tussen de tekortkoming en de schade gegeven.
4.12.
Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verbintenis aan de zijde van [gedaagde partij] en dat door deze tekortkoming schade is ontstaan. Aan de vereisten van artikel 6:74 lid 1 BW Pro is dus voldaan. Dit leidt ertoe dat [gedaagde partij] schadeplichtig is. [eisende partij] vordert ten aanzien van de schade door het bezwijken van het plafond € 7.912,02. Dit is het bedrag zoals begroot in het rapport van Socotec. Tegen de hoogte van dit bedrag is geen verweer gevoerd. Het bedrag is toewijsbaar zoals gevorderd.
4.13.
De vordering is dus toewijsbaar op grond van het tekortschieten door [gedaagde partij] vanwege het belopen van de balken. De overige aangevoerde grondslagen behoeven dan ook geen verdere bespreking.
Kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid
4.14.
[eisende partij] vordert de door Socotec gemaakte kosten ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid ter hoogte van € 1.684,32. [eisende partij] heeft een factuur van Socotec ter hoogte van dit bedrag in het geding gebracht. [gedaagde partij] stelt zich op het standpunt dat hij dit bedrag niet verschuldigd is aan [eisende partij] omdat de factuur is verzonden aan de rechtsbijstandsverzekering van [eisende partij] en dit dus geen vermogensschade voor [eisende partij] betreft.
4.15.
[eisende partij] is niet ingegaan op het verweer van [gedaagde partij] . [eisende partij] heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat het voornoemde bedrag vermogensschade voor [eisende partij] betreft. Dit leidt ertoe dat deze vordering van [eisende partij] wordt afgewezen.
Wettelijke rente
4.16.
[eisende partij] vordert de wettelijke rente over € 7.912,02 vanaf 3 juni 2024. Omdat bij het toebrengen van gevolgschade nakoming van de nevenverplichting onmogelijk is, schiet de schuldenaar meteen tekort en ontstaat het recht op schadevergoeding van rechtswege op het ogenblik waarop de schade wordt aangericht, in deze dus op 3 juni 2024. Dit betekent dat [gedaagde partij] vanaf deze datum in verzuim verkeert. [gedaagde partij] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gevorderde rente. De rente is toewijsbaar zoals gevorderd.
4.17.
De wettelijke rente over de vaststellingskosten is vanzelfsprekend niet toewijsbaar nu die kosten worden afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.18.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 932,43, inclusief btw. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. [gedaagde partij] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen zoals gevorderd.
Proceskosten
4.19.
[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
149,02
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.270,02
4.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 7.912,02, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 juni 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 932,43 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf 22 oktober 2025, tot de dag van volledige betaling
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.270,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na vonnisdatum zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.Passages die voor de beoordeling van belang zijn, zijn in het onderstaande citaat door de kantonrechter onderstreept.
2.Passages die voor de beoordeling van belang zijn, zijn ook in het onderstaande citaat door de kantonrechter onderstreept
3.In het petitum staat € 1.684,32 opgenomen, maar uit het lichaam van de dagvaarding volgt dat de buitengerechtelijke incassokosten € 932,43 bedragen. De kantonrechter merkt dit aan als een kennelijke verschrijving en zal het dictum verbeterd lezen.
4.Zie onder 2.7. en 2.8., met name de onderstreepte passages.
5.Socotec pgn 6 2e alinea onder 2
6.HR 5 juli 2019, ECLI:NL:PHR:2019:826.