Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
3.De beslissing
niet-ontvankelijkin de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg behandelde op 8 en 13 mei 2026 de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen de verdachte, die tevens werd bijgestaan door zijn raadsman. Deze ontnemingsvordering werd gelijktijdig behandeld met de strafzaak met hetzelfde parketnummer.
Op 15 juni 2026 wees de rechtbank eerst het vonnis in de strafzaak, waarin de verdachte werd vrijgesproken van alle tenlasteleggingen. Gezien deze vrijspraak verklaarde de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming, omdat artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht vereist dat de ontnemingsvordering alleen kan worden ingesteld tegen een veroordeelde.
De rechtbank besloot derhalve de vordering van het openbaar ministerie af te wijzen en verklaarde het niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters en uitgesproken in een openbare zitting.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming wegens vrijspraak van de verdachte.