Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:5709

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
03/260540-23 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 SvArt. 6:6:26 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na medeplichtigheid aan oplichting en diefstal

De rechtbank Limburg heeft op 15 juni 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen verdachte, die werd veroordeeld voor medeplichtigheid aan oplichting, diefstal met een valse sleutel en poging daartoe. De ontnemingsvordering betrof het vaststellen en ontnemen van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze strafbare feiten.

De officier van justitie vorderde aanvankelijk een bedrag van €125.700,00, later verhoogd naar €127.920,10, gebaseerd op drie onderzoeken: Padua, Uralrex en Steranijs. De verdediging betwistte de hoofdelijke toewijzing en stelde lagere bedragen passend gelet op de beperkte rol van verdachte.

De rechtbank oordeelde dat verdachte zich op zijn zwijgrecht had beroepen en geen inzicht had gegeven in de verdeling van het voordeel, waardoor geen aannemelijke alternatieve verdeling kon worden vastgesteld. Gezien de bewezen rol van verdachte bij de feiten, werd het voordeel van €23.970,10 volledig aan hem toegerekend. De rechtbank legde hem de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalde een gijzelingstermijn van 138 dagen voor het geval van niet-betaling.

De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van drie rechters en griffier, gelijktijdig met het strafvonnis van 15 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank legt verdachte een ontnemingsmaatregel van €23.970,10 op wegens medeplichtigheid aan strafbare feiten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer: 03/260540-23 (ontneming)
Tegenspraak
Verkorte uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juni 2026 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2002,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen [verdachte] .
[verdachte] wordt bijgestaan door mr. J.W. Heemskerk, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 en 13 mei 2026. [verdachte] en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Op 1 juni 2026 is het onderzoek ter terechtzitting formeel gesloten en bepaald dat op 15 juni 2026 vonnis wordt gewezen.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03/260540-23. Op 15 juni 2026 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is de onderhavige uitspraak gewezen.

2.De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag aanvankelijk geschat op € 125.700,00.
Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor [verdachte] volgens hem moet worden veroordeeld.
Op de terechtzitting van 8 mei 2026 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat hij de vordering heeft verhoogd naar een bedrag van € 127.920,10.

3.De beoordeling

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat – gelet op de door de [verdachte] gepleegde strafbare feiten in de onderzoeken Padua, Uralrex en Steranijs – een bedrag van € 127.920,10 kan worden ontnomen. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
  • € 70.000,00 – voordeel dat is genoten in onderzoek Padua;
  • € 35.700,00 – voordeel dat is genoten in onderzoek Uralrex;
  • € 22.220,10 – voordeel dat is genoten in onderzoek Steranijs, bestaande uit:
- € 750,00 contant geld;
- € 200,00 iPhone;
- € 18.870,00 sieraden;
- € 2400,10 pintransactie.
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat – gelet op het feit dat het in deze zaken gaat om medeplegen en door [verdachte] geen aannemelijk inzicht is gegeven in de verdeling van de gelden – hij uitgaat van een hoofdelijke toewijzing van het voordeel.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde hoofdelijke toewijzing geen recht doet aan de werkelijke situatie en dat dit in strijd is met de ontnemingsmaatregel. Er moet worden uitgegaan van het voordeel dat [verdachte] daadwerkelijk heeft behaald. Hoofdelijke toewijzing kan volgens de raadsman alleen plaatsvinden als het voordeel als gemeenschappelijk voordeel kan worden aangemerkt en dat is hier niet het geval.
Ten aanzien van onderzoek Padua heeft de raadsman aangevoerd dat – indien de rechtbank al tot een veroordeling komt – een bedrag van € 395,00 passender zou zijn, gelet op de beperkte rol die [verdachte] bij dit feit heeft gehad. Dit is hetzelfde bedrag als medeverdachte [medeverdachte 1] voor zijn aandeel zegt te hebben ontvangen. Ten aanzien van de onderzoeken Uralrex en Steranijs heeft de raadsman aangevoerd dat – indien het tot een veroordeling komt – er gelet op de beperkte – meer medeplichtigheidsachtige – rol die de verdachte heeft gehad, geen hoofdelijke toewijzing kan plaatsvinden en dat in beide onderzoeken een bedrag van € 150,00 – de onkosten die de medeverdachte [medeverdachte 2] in onderzoek Uralrex vergoed zou hebben gekregen – passender is.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
Bij voormeld vonnis van 15 juni 2026 is [verdachte] veroordeeld wegens medeplichtigheid aan oplichting, medeplichtigheid aan diefstal met een valse sleutel en medeplichtigheid aan poging tot diefstal met een valse sleutel (onderzoek Steranijs) gepleegd op 14 juni 2023. In de zaken Padua en Uralrex is hij vrijgesproken.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden.
3.3.2
Het bewijs
Indien tegen deze verkorte uitspraak hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op de uitspraak. Deze aanvulling wordt dan aan de uitspraak gehecht.
Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] door middel van of uit de baten van voormelde feiten voordeel heeft gekregen.
De rechtbank heeft in het vonnis [verdachte] en zijn mededaders hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de geleden schade van de benadeelde partij [slachtoffer] .
3.3.3
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op
€ 23.970,10.
Dit bedrag is opgebouwd uit:
  • € 2.500,00 – contant afgegeven geld;
  • € 200,00 – meegegeven telefoon;
  • € 18.870,00 – meegegeven sieraden;
  • € 2.400,10 – betalingen met pinpas.
De rechtbank heeft acht geslagen op het bepaalde in artikel 36e, zevende lid, van het Wetboek van Strafrecht waarin – samengevat weergegeven – is bepaald dat bij het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening
kanworden gehouden met het feit dat de feiten zijn gepleegd door twee of meer daders. Bij gebreke aan een andere aannemelijke verdeling dan een hoofdelijke toewijzing van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zal de rechtbank een hoofdelijke verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt nemen. De rechtbank overweegt dat [verdachte] zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, geen enkel inzicht heeft gegeven in de verdeling van de buit en daarmee geen andere aannemelijke verdeling naar voren heeft gebracht. Dit had – gelet op de rol die [verdachte] heeft gehad bij de bewezenverklaarde feiten – wel op zijn weg gelegen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van het genoemde uitgangspunt af te wijken en is van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor het geheel aan [verdachte] kan worden toegerekend.
De rechtbank is – alles afwegende – van oordeel dat [verdachte] wederrechtelijk voordeel, geschat op een bedrag van € 23.970,10 heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij bij vonnis van 15 juni 2026 is veroordeeld.
De rechtbank merkt op dat op grond van artikel 36e lid 9 van het Wetboek van Strafrecht de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering worden gebracht op de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en op de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag, maar slechts voor zover die zijn voldaan. Nu van dat laatste nog geen sprake is – het ontnemingsvonnis wordt immers gelijktijdig gewezen met het vonnis in de strafzaak – zal dit pas aan de orde komen in de executiefase en zal de rechtbank niet reeds nu al het toegekende bedrag aan schadevergoeding in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel en het door veroordeelde te betalen bedrag aan de Staat. Indien op een later moment de schadevergoedingsvordering is voldaan, dan staat de weg van artikel 6:6:26 van Pro het Wetboek van Strafvordering open.
3.3.4
De op te leggen betalingsverplichting
De rechtbank zal aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling van € 23.970,10 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

4.Het wettelijke voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
  • legt [verdachte] de verplichting op tot
- bepaalt de duur van de
gijzelingdie met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
138 dagen.
Deze verkorte uitspraak is gewezen door mr. H.E.G. Peters, voorzitter,
mr. S.A.M.C. van de Winkel en mr. I.T.H.L. van de Bergh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.F. Stuurman, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 15 juni 2026.