Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De vordering van de officier van justitie
3.De beoordeling
- € 30.000,00 – contant geld;
- € 5.700,00 – gepinde transacties.
€ 35.700,00.
- € 30.000,00 – contant afgegeven geld door het slachtoffer;
- € 5.700,00 – gepinde transacties met de pinpas van het slachtoffer.
kanworden gehouden met het feit dat de feiten zijn gepleegd door twee of meer daders. Bij gebreke aan een andere aannemelijke verdeling dan een hoofdelijke toewijzing van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zal de rechtbank een hoofdelijke verdeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel als uitgangspunt nemen. Het had op de weg van [verdachte] – die als medepleger is veroordeeld voor de oplichting en diefstal met een valse sleutel – gelegen inzicht te geven in een andere wijze van verdeling. Daarin is hij niet geslaagd. Hoewel [verdachte] een verklaring heeft afgelegd over waar het geld is weggebracht, stemt dat niet overeen met de bewijsmiddelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor het geheel aan [verdachte] kan worden toegerekend.
4.Het wettelijke voorschrift
5.De beslissing
- stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
- legt [verdachte] de verplichting op tot
gijzelingdie met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
177 dagen.