Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
primair), dan wel dat hij hiermee heeft gepoogd hem zwaar te mishandelen (
subsidiair).
3.De beoordeling van het bewijs
verklaring van de verdachte ter terechtzittingvan 27 mei 2026, onder meer inhoudende:
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en de maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
- eigen risico zorg € 315,65
- medicatie € 24,42
8.Het beslag
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- gelast dat de verdachte
- beveelt dat de ter beschikking gestelde
Gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel
maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperkingop grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van € 340,07 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, en een bedrag van € 1,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 april 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat gijzeling kan worden toegepast voor de duur van ten hoogste 3 dagen indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat indien en voor zover de verdachte een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere in zoverre vervalt;
onttrekt aan het verkeerhet volgende in beslag genomen voorwerp: