Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:5318

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
Maastricht
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen diefstal bij babbeltruc met hoogbejaard slachtoffer

De rechtbank Limburg heeft op 29 mei 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van diefstal door middel van een babbeltruc bij een hoogbejaard slachtoffer. De diefstal vond plaats op 19 januari 2024 in een woning te Sevenum, waarbij een tasje met geld werd weggenomen. De verdachte heeft het feit bekend en werd wettig en overtuigend bewezen verklaard.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte als uitvoerder handelde en geen leidinggevende rol had. Het slachtoffer was een kwetsbare oudere vrouw, wat de ernst van het feit vergroot. De verdachte toonde berouw en werkte mee aan het onderzoek, wat meeweegt in de strafoplegging. Er was sprake van een overschrijding van de redelijke termijn, maar dit leidde niet tot strafvermindering.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 120 dagen op, waarvan 116 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht. De taakstraf kan worden vervangen door 120 dagen hechtenis bij niet-naleving. Hiermee wil de rechtbank duidelijk maken dat dergelijke delicten niet worden getolereerd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 dagen gevangenisstraf waarvan 116 voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur wegens medeplegen diefstal bij babbeltruc.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03/122416-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 mei 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. J. Engels, advocaat te Venlo.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 21 april 2026 en 29 mei 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de strafzaak tegen de volgende medeverdachten:
  • [medeverdachte 1] , met parketnummer 03/122430-24 (hierna: [medeverdachte 1] ).
  • [medeverdachte 2] , met parketnummers 03-231949-24 en 03-153615-25 (hierna: [medeverdachte 2] );
  • [medeverdachte 3] , met parketnummer 03/133253-24 (hierna: [medeverdachte 3] );
Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op de zitting van 29 mei 2026. Na sluiting heeft de rechtbank direct uitspraak gedaan.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
op 19 januari 2024, al dan niet samen met een ander, uit een woning een tasje met geld heeft gestolen (
primair), dan wel dat hij, al dan niet samen met een ander, door een babbeltruc [naam] heeft opgelicht en zo geld en/of andere waardevolle goederen heeft verkregen (
subsidiair).

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de primair tenlastegelegde diefstal in vereniging wettig en overtuigend bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van de primair ten laste gelegde diefstal in vereniging. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat daarvoor geen bewezenverklaring kan volgen, heeft de verdediging vrijspraak bepleit van de subsidiair ten laste gelegde oplichting wegens een onjuist vermelde pleegplaats.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde diefstal in vereniging. De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, omdat de verdachte het feit heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit (artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:
- het proces-verbaal van aangifte van [naam] ; [2]
- de verklaring van de verdachte. [3]
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
op 19 januari 2024 in de gemeente Horst aan de Maas, tezamen en in vereniging met anderen, uit een woning gelegen aan de [adres 2] te Sevenum, een tasje met een hoeveelheid geld dat aan [naam] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van het voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit te volstaan met een taakstraf, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging. Hij heeft als uitvoerder deelgenomen aan een feit waarbij een kwetsbaar, hoogbejaard slachtoffer van kostbare bezittingen is beroofd. De verdachte heeft zich laten overhalen door anderen om voor een gering geldbedrag mee te werken aan een laffe daad die voor het slachtoffer zeer ingrijpend moet zijn geweest.
De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat het slachtoffer een oudere vrouw was. Ouderen zijn in het bijzonder kwetsbaar voor dit soort criminaliteit. Wanneer zij in of nabij hun woning worden geconfronteerd met diefstal en geweld, kan dat verstrekkende gevolgen hebben voor hun gevoel van veiligheid. Zij kunnen angstig, wantrouwend en onzeker worden, juist op een plek waar zij zich veilig zouden moeten voelen. Daarbij komt dat de buitgemaakte goederen voor slachtoffers niet alleen financiële, maar vaak ook emotionele waarde hebben.
De rechtbank heeft echter ook oog voor de houding van de verdachte. Hij heeft al in een vroeg stadium van het onderzoek een volledige, bekennende verklaring afgelegd. Daardoor heeft hij bijgedragen aan de voortgang van het onderzoek. Ook ter terechtzitting heeft hij vragen openlijk beantwoord. Zijn berouw komt op de rechtbank oprecht over. Verder weegt de rechtbank mee dat de verdachte geen faciliterende of leidinggevende rol had, maar als uitvoerder heeft gehandeld.
De rechtbank stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op de beperkte duur van die overschrijding zal de rechtbank volstaan met de enkele constatering daarvan en daaraan geen strafvermindering verbinden.
Voor feiten als het onderhavige worden normaliter onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd. De rechtbank ziet in dit geval echter aanleiding om daarvan gedeeltelijk af te wijken. Daarbij zijn vooral de rol van de verdachte, zijn vroege en volledige verklaring, zijn open proceshouding en zijn oprechte berouw van belang. De rechtbank acht het daarom niet noodzakelijk om aan de verdachte een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 116 dagen, met een proeftijd van twee jaren. Daarmee wordt beoogd de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Wel acht de rechtbank, gelet op de ernst van het feit en de kwetsbaarheid van het slachtoffer, een forse taakstraf passend en geboden. Daarmee wordt aan de verdachte duidelijk gemaakt dat dergelijk handelen geenszins wordt geduld. De rechtbank zal daarom daarnaast een taakstraf opleggen voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;
Voorlopige hechtenis
- heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. D. Osmić en mr. J.P.E. Mullers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.H.R.G. van Kerkhof en mr. M.H.C. van den Munckhof, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 mei 2026.
Buiten staat
De griffiers zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
feit 1 primair
hij op of omstreeks 19 januari 2024 in de gemeente Horst aan de Maas, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, uit een woning gelegen aan de [adres 2] te Sevenum, een tasje met een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
feit 1 subsidiair
hij op of omstreeks 19 januari 2024 in de gemeente Peel en Maas, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te wetende afgifte van waardevolle goederen zoals sieraden en/of geldbedragen, door
- voornoemde [naam] meermalen te bellen,
- ( vervolgens) zich naar de woning van die [naam] te begeven en zich voor te doen tegenover die [naam] als een betrouwbaar persoon,
- ( vervolgens) de woning van die [naam] te betreden,
- ( vervolgens) te zeggen dat er foto's moeten worden gemaakt en/of die [naam] te vragen waar die [naam] haar geld bewaart en/of
- ( vervolgens) met een tasje met een geldbedrag de woning van die [naam] te verlaten.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, districtsrecherche Noord- en Midden-Limburg, proces-verbaalnummer LB1R024004, onderzoek DERNHELM, gesloten d.d. 3 september 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 775.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [naam] d.d. 19 januari 2024, p. 362-363.
3.Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 17 april 2024, p. 596-621.