Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaken tussen
[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] , allen uit [woonplaats]
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade
(gemachtigde: A.H.P. Maarschalkerweerd).
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
artikel 22.281 van het omgevingsplan (de bruidsschat) volgt echter dat deze verplichting in dit geval als bevoegdheid gelezen moet worden. De wetgever heeft daarmee willen ondervangen dat vanwege artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving per 1 januari 2024 geen mogelijkheid meer bestaat (zoals onder het oude recht wel het geval was [4] ) om de omgevingsvergunning voor een activiteit die voldoet aan de binnenplanse beoordelingsregels uit het tijdelijk deel van een omgevingsplan, op andere gronden te kunnen weigeren. Hiermee is dus beoogd om het oude recht te continueren, met dien verstande dat vanaf 1 januari 2024 sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in plaats van de onder het oude recht geldende norm van een goede ruimtelijke ordening. Dat betekent concreet dat het college de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het omgevingsplan al dan niet te gebruiken. De rechtbank toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen redelijkerwijs tot zijn besluit heeft kunnen komen.
4.2. Op de plek waar het kunstwerk moet komen, gold voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet het bestemmingsplan ‘Kerkrade Oost 3’
(bestemmingsplan). Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Kerkrade (omgevingsplan). Op de betreffende plek geldt de bestemming ‘Verkeer’ en de dubbelbestemming ‘Waarde-archeologie 5’.
9 april 2025 ook heeft verzocht om een berekening voor de straat van eisers, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank is van oordeel dat een verzoek om aanvullende stukken in het kader van de voorbereiding van een omgevingsvergunning niet betekent dat die stukken ook noodzakelijkerwijs aan de besluitvorming ten grondslag moeten worden gelegd. Het is uiteindelijk aan het college om te beoordelen of het beschikt over voldoende gegevens om de aanvraag zorgvuldig te kunnen beoordelen. Het college heeft zowel in de beslissing op bezwaar als ter zitting toegelicht dat het met de berekeningen voor de dichtstbijzijnde woning over voldoende informatie beschikte. De rechtbank kan die toelichting volgen. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat Bureau Acht nog een aanvullende berekening heeft gemaakt op 7 november 2025 voor de dichtstbijzijnde woning aan de straat van eisers. Uit die berekening volgt dat daar geen overschrijding van het maximaal toegestane geluidsniveau zal plaatsvinden. Wat eisers verder hebben aangevoerd, geeft ook geen aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het rapport, de begrijpelijkheid van de in het rapport gevolgde redenering of de aansluiting van de conclusies daarop. De enkele stelling dat geen geluidsmetingen zijn uitgevoerd maar enkel berekeningen, is zonder nadere onderbouwing onvoldoende voor het oordeel dat het rapport ondeugdelijk is. Ook volgt de rechtbank eisers niet dat een geluidsmeting als uitgangspunt voor de berekeningen is gebruikt. Zowel het college als vergunninghoudster hebben in de processtukken en ter zitting toegelicht dat de geluidstest van 22 april 2025 heeft plaatsgevonden nadat de berekeningen al waren uitgevoerd. Die test diende uitsluitend om te beoordelen hoe het op basis van de berekeningen toegestane geluid in de praktijk hoorbaar zou zijn. Naar aanleiding van die test heeft vergunninghoudster het geluid vervolgens met 10 dB(A) verlaagd, omdat het aanvankelijk toegestane niveau te hoog werd geacht om het kunstwerk goed tot zijn recht te laten komen. Dat werkt in het voordeel van eisers. Tot slot slaagt het betoog van eisers dat sprake is van een onjuiste bewijslastverdeling niet. Vergunninghoudster heeft aan haar aanvraag een deskundigen rapport ten grondslag gelegd. Als eisers het niet eens zijn met dit rapport, ligt het op hun weg om te motiveren waarom dit onderzoek volgens eisers niet klopt. Eisers zijn niet verplicht dit te doen middels een contra-expertise, maar zij zullen wel concrete aanknopingspunten moeten aandragen die twijfel oproepen aan de juistheid of zorgvuldigheid van het rapport van Bureau Acht. Daarin zijn eisers niet geslaagd.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
M.L. Neumann, griffier.
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de door de aanvrager te verstrekken gegevens en bescheiden.