ECLI:NL:RBLIM:2026:5260

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
C/03/344629 / HA ZA 25-365
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Rulkens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:400 BWArt. 7:408 BWArt. 7:625 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op schadevergoeding bij beëindiging overeenkomst van opdracht zonder opzegtermijn

De zaak betreft een geschil tussen [B.V.] en Tenfold Services B.V. over de beëindiging van een overeenkomst van opdracht. [B.V.] vorderde onder meer een schadevergoeding wegens niet in acht genomen opzegtermijn, uitbetaling van niet-genoten verlofuren, overuren en een bonus. De rechtbank stelt vast dat partijen een mondelinge overeenkomst van opdracht hadden, waarbij geen schriftelijke overeenkomst is ondertekend en geen opzegtermijn is overeengekomen.

De rechtbank oordeelt dat Tenfold de overeenkomst op grond van artikel 7:408 BW Pro te allen tijde mocht opzeggen zonder opzegtermijn. De stelling van [B.V.] dat opzegging zonder opzegtermijn onaanvaardbaar zou zijn, wordt verworpen wegens gebrek aan onderbouwing. De vordering tot schadevergoeding wegens niet in acht genomen opzegtermijn wordt afgewezen.

Ten aanzien van de vorderingen tot uitbetaling van verlofuren en overuren wijst de rechtbank deze af omdat onvoldoende is gesteld en bewezen dat hierover afspraken zijn gemaakt. Het door [B.V.] overgelegde overzicht is betwist en ondertekend door een niet meer bevoegde persoon. Ook de bonusvordering wordt afgewezen omdat geen concrete afspraken zijn gemaakt en de financiële situatie van Tenfold een bonus niet rechtvaardigt.

De buitengerechtelijke incassokosten worden eveneens afgewezen. [B.V.] wordt veroordeeld in de proceskosten van € 11.152,00 en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank wijst alle vorderingen van [B.V.] af en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/344629 / HA ZA 25-365
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van

1.[B.V.] ,

te [plaats] ,
hierna te noemen: [B.V.] ,
2.
[bestuurder B.V.],
te [plaats] ,
hierna te noemen: [bestuurder B.V.] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. R.K.A. Kop,
tegen
TENFOLD SERVICES B.V.,
te Weert,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Tenfold,
advocaat: mr. F.M.C. van Helmond.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant
van 23 juli 2025;
  • de e-mail aan de zijde van [eisende partij] met een verlofoverzicht;
  • de door [eisende partij] ingediende aanvullende drie producties;
  • de mondelinge behandeling van 11 maart 2026, ter gelegenheid waarvan aan de zijde van zowel [eisende partij] , als Tenfold spreekaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tenfold drijft een onderneming actief in de verpakkingsindustrie.
2.2.
[B.V.] drijft een onderneming actief in het verrichten van advieswerkzaamheden op het gebied van HRM, coaching en verandermanagement. [bestuurder B.V.] is alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder van [B.V.] . Aandeelhouder van [B.V.] is de Stichting Administratiekantoor [B.V.] waarvan [bestuurder B.V.] alleen/zelfstandig bevoegd bestuurder is.
2.3.
Aanvankelijk heeft [bestuurder B.V.] vanaf juli 2022 tot en met december 2022 in opdracht van Jobinvestment werkzaamheden verricht voor Tenfold als Human Resources (HR) director. Het takenpakket van [bestuurder B.V.] bestond daarnaast uit het uitvoeren van specifieke projecten. Vanaf 1 januari 2023 werden de werkzaamheden van [bestuurder B.V.] verricht namens [B.V.] . Tussen [eisende partij] en Tenfold is over de inhoud van de samenwerking onderhandeld. [bestuurder B.V.] heeft een conceptovereenkomst opgesteld maar die is door geen van partijen ondertekend. Bij e-mail van 11 januari 2023 bericht Tenfold aan [bestuurder B.V.] :
“Zoals gisteren besproken hebben we akkoord op onderstaande afspraken. Ik laat een management overeenkomst opstellen hiervoor, kun je mij het profiel HR directeur even sturen zodat dit erin verwerkt kan worden.
Ik stel voor op basis van het bovenstaande (fulltime inzet/4 dagen aanwezigheid):

managementfee 15k ex reiskosten. Onkosten- en verblijfkosten op declaratiebasis. Jaarlijkse indexatie CPI cijfer op basis van gegevens CBS van januari;

bonusregeling cf andere MT leden;

Sars regeling miv 1-1-2023 voor langere termijn commitment;

Ingangsdatum kan wat mij betreft al per 1-1-2023 maar mag ook later;

Geheimhouding en relatiebeding geen probleem (…).”
2.4.
Een door Tenfold opgestelde managementovereenkomst is door partijen evenmin ondertekend.
2.5.
Door [B.V.] is in de periode januari tot en met juni 2023 maandelijks een bedrag van € 15.000,00 in rekening gebracht als managementfee, vanaf juli tot en met december 2023 een bedrag van € 7.500,- per maand en vanaf 1 januari 2024 een bedrag van € 7.800,00 per maand. Bij die facturen is steeds 21% BTW in rekening gebracht. De hoogte van de fee is door [bestuurder B.V.] bepaald. Naast de maandelijkse managementfee zijn er ook uren voor extra werkzaamheden in rekening gebracht, zoals onder meer voor een uitgevoerd assessment. De betaling van die facturen is ook aan [B.V.] gedaan en niet aan [bestuurder B.V.] in persoon. De managementfee is steeds maandelijks betaald, ook wanneer [bestuurder B.V.] met vakantie of ziek was. Tenfold heeft geen loonbelasting en werknemerspremie afgedragen. Ook heeft zij geen loonstroken vertrekt en was [bestuurder B.V.] zelf verantwoordelijk voor een eventuele pensioenopbouw. Over een periode van januari 2023 tot en met juni 2024 is in totaal € 189.733,16 excl. BTW in rekening gebracht.
2.6.
Vanaf medio 2023 verkeerde Tenfold financieel in zwaar weer. Partijen kwamen daarom overeen dat het aantal uren van [bestuurder B.V.] per week met ingang van 1 juli 2023 zou worden verlaagd naar 16 uur per week en de management-fee van [bestuurder B.V.] zou worden gehalveerd.
2.7.
Bij e-mail van 26 maart 2024 heeft [bestuurder B.V.] de overeenkomst met Tenfold opgezegd tegen 1 oktober 2024.
2.8.
Op 30 mei 2024 heeft Tenfold de overeenkomst opgezegd tegen 31 mei 2024.
2.9.
Op 7 juni 2024 heeft Tenfold bij e-mail aan [bestuurder B.V.] de opzegging per 30 mei 2024 tegen 31 mei 2024 bevestigd met de toezegging nog één maand vergoeding door te betalen.
2.10.
Partijen zijn het niet eens geworden over de (financiële) afwikkeling van de samenwerking en de vraag of tussen hen sprake was van een arbeids- of een managementovereenkomst, waarna [eisende partij] onderhavige procedure aanhangig hebben gemaakt bij de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Bij vonnis van 23 juli 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de tussen partijen geldende overeenkomst kwalificeert als een overeenkomst van opdracht en is de zaak doorverwezen naar onderhavige rechtbank.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] verzoeken de rechtbank om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair, ook met het toekennen van een transitievergoeding en een billijke vergoeding, subsidiair zonder het vorderen van de transitievergoeding en de billijke vergoeding en de vordering ex artikel 7:625 BW Pro, maar met handhaving van alle andere vorderingen
I. Tenfold te veroordelen tot het uitbetalen van een (gefixeerde) schadevergoeding van 3 maanden, welke gelijk staat aan een bedrag van minimaal: EUR 23.400,00, althans een bedrag aan (gefixeerde) schadevergoeding, in goede justitie te bepalen;
II. Tenfold te veroordelen tot het uitbetalen van een transitievergoeding van 0,66 maandbeloning, hetgeen gelijk staat aan een bedrag van minimaal: EUR 5.000,00;
III. Tenfold te veroordelen tot het uitbetalen van een billijke vergoeding welke gelijk staat aan 1 maandbeloning ad EUR 15.000,00, waarbij geldt dat de Kantonrechter ook ene hogere of lagere billijke vergoeding kan toekennen, welke wordt gevorderd;
IV. Tenfold te veroordelen om – in ieder geval en uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis – over te gaan tot het opstellen en tot het uitbetalen van de eindafrekening, waarbij geldt dat de eindafrekening ook ziet op de vakantierechten, en welke eindafrekening minimaal dient te zijn een bedrag van EUR 54.000,00 te betalen aan eiseres;
V. Tenfold te veroordelen om – in ieder geval en uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis – over te gaan tot het opstellen en tot het uitbetalen van de eindafrekening, waarbij geldt dat de eindafrekening ook ziet op de aan eiseres toekomende bonus(sen), welke bonus(sen) separaat gevorderd worden en welke minimaal gelijk staan met een bedrag van EUR 30.000,00, te betalen aan eiseres;
VI. Het onder I en IV en V genoemde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rentes, daaronder begrepen de maximale wettelijke vertragingsrente van 50% ex artikel 7:625 BW Pro, en wel vanaf de dag van verschuldigdheid, althans vanaf een door U, edelachtbare, in goede justitie te bepalen datum;
VII. Tenfold te veroordelen in alle kosten van het geding, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van [B.V.] en/of [bestuurder B.V.] , gepaard met de buitengerechtelijke kosten van 3 werkuren ad EUR 275,00, te vermeerderen met BTW en kantoorkosten, en kosten van het deurwaardersexploot en griffierechten, alsook met de kosten die na het vonnis zullen ontstaan, waaronder de kosten van betekening van het vonnis.
VIII. Tenfold te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
[eisende partij] leggen aan de primaire vorderingen ten grondslag dat de overeenkomst tussen partijen kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. Er is sprake van een onrechtmatige opzegging door Tenfold die dientengevolge schadeplichtig is. Voor zover toch sprake is van een overeenkomst van opdracht zijn de subsidiaire vorderingen ingesteld, nu partijen in dat geval krachtens artikel 4.2.2. van de conceptovereenkomst een opzegtermijn van drie maanden zijn overeengekomen. Tenfold heeft niet de juiste opzegtermijn in acht genomen en is schadeplichtig. [eisende partij] maken bovendien aanspraak op uitbetaling van niet genoten verlofuren, gewerkte overuren en uitkering van een variabele beloning (bonus).
3.3.
Tenfold voert verweer. [B.V.] heeft werkzaamheden verricht op basis van een overeenkomst van opdracht die niet schriftelijk is vastgelegd. Van een arbeidsovereenkomst met [bestuurder B.V.] is geen sprake. De conceptovereenkomst is niet door partijen ondertekend en geeft niet de tussen partijen vigerende afspraken weer. Uitbetaling van verlof- en overuren zijn niet overeengekomen en dat geldt ook voor een bonusuitkering.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank stelt voorop dat onduidelijkheid bestaat ten aanzien van de vraag wie als eisende partij(en) moet(en) worden aangemerkt. In de dagvaarding worden als eisende partijen genoemd [B.V.] en/of [bestuurder B.V.] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft mr. Kop verklaard dat uitsluitend [B.V.] als eisende partij moet worden aangemerkt en zijn alle vorderingen voor zover ingesteld door [bestuurder B.V.] ingetrokken. De rechtbank zal daar in het hiernavolgende dan ook van uitgaan.
4.2.
Verder hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling – in lijn met het vonnis van de kantonrechter van 23 juli 2025 – het standpunt ingenomen dat de tussen partijen gesloten overeenkomst kwalificeert als een overeenkomst van opdracht zoals bedoeld in artikel 7:400 BW Pro. De vorderingen ingesteld onder II, III, VI zijn daarop ingetrokken, zodat de rechtbank niet langer toekomt aan beoordeling van de gevorderde transitievergoeding, billijke vergoeding en vertragingsrente. De overige vorderingen zal de rechtbank hierna afzonderlijk beoordelen.
(Gefixeerde) schadevergoeding ad € 23.400,00
4.3.
[B.V.] vordert een bedrag van € 23.400,00 aan schade die ziet op de managementvergoeding over de maanden juni, juli en augustus, te weten de opzegtermijn die Tenfold op grond van artikel 4.2.2 van de overeenkomst van opdracht in acht had moeten nemen. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat geen opzegtermijn is overeengekomen, voert [B.V.] aan dat de vraag of opzegging van een overeenkomst van opdracht mogelijk is, moet worden beantwoord aan de hand van de redelijkheid en billijkheid.
4.4.
De rechtbank overweegt dat [bestuurder B.V.] tijdens de mondelinge behandeling bij de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij bewust niet over is gegaan tot ondertekening van de overeenkomst van opdracht. De rechtbank leidt hieruit af dat de niet-ondertekende overeenkomsten – zoals ook door Tenfold wordt betoogd – niet de tussen partijen gemaakte afspraken weergeven. Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank is ook gebleken dat partijen het erover eens zijn dat sprake is van een mondelinge overeenkomst van opdracht op grond waarvan [B.V.] werkzaamheden voor Tenfold heeft verricht. [B.V.] kan zich dan ook niet beroepen op artikel 4.2.2 van de overeenkomst van opdracht, omdat deze overeenkomst tussen partijen niet geldt. Dat partijen anderszins een opzegtermijn van 3 maanden zijn overeengekomen is ook verder niet gesteld of gebleken, zodat als uitgangspunt heeft te gelden dat Tenfold de overeenkomst met [B.V.] te allen tijde kan opzeggen op grond van artikel 7:408 BW Pro.
4.5.
Voor zover [B.V.] heeft bedoeld te stellen dat een opzegging zonder inachtneming van een opzegtermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, geldt dat [B.V.] heeft nagelaten om feiten en omstandigheden aan te dragen die dat oordeel kunnen rechtvaardigen. Bovendien heeft [B.V.] de overeenkomst zelf al eerder, op 26 maart 2024, opgezegd. Het voorgaande maakt dat het opzeggen van de overeenkomst zonder inachtneming van een opzegtermijn in de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Dit maakt dat het uitgangspunt van artikel 7:408 BW Pro geldt en Tenfold de overeenkomst met onmiddellijke ingang mocht opzeggen. Dat heeft Tenfold ook gedaan. Voor een schadevergoeding bestaat dan ook geen grond, zodat de vordering ingesteld onder I wordt afgewezen.
Vakantierechten ad minimaal € 54.000,00
4.6.
[B.V.] stelt dat door haar gemaakte overuren en resterende verlofuren over de periode 2023 en 2024 nog moeten worden uitbetaald. In totaal zou het gaan om 482 uur. Op basis van een uurtarief van € 112,50 komt dit neer op een bedrag van ongeveer € 54.000,00. De verlofregistraties zijn goedgekeurd en ondertekend door [naam] , de toenmalige CEO van Tenfold.
4.7.
Dat tussen partijen is overeengekomen dat overuren en niet opgenomen verlofuren aan [B.V.] dienen te worden betaald, wordt door Tenfold betwist. Dat [bestuurder B.V.] recht zou hebben op verlofuren (dan wel hoeveel) wordt eveneens betwist. Dat sprake is van 482 openstaande (overwerk- c.q. verlof) uren blijkt nergens uit en wordt ook betwist. Voor leden van het managementteam is het gebruikelijk dat overuren niet worden uitbetaald omdat dit wordt geacht te zijn inbegrepen in de hoge managementvergoeding. Ook geeft Tenfold aan niet bekend te zijn met de door [B.V.] overgelegde verlofregistraties.
4.8.
De rechtbank overweegt dat het bedrag van € 54.000,00 mede is gebaseerd op verlofuren die [B.V.] over de maanden juni tot en met september 2024 nog heeft geregistreerd. Zoals reeds overwogen, is de overeenkomst tussen partijen op 30 mei 2024
– gelet op de onmiddellijke opzegging door Tenfold op die dag – beëindigd. Om die reden is dat deel van de vordering dat ziet op verlofuren na 30 mei 2024 in ieder geval niet toewijsbaar.
4.9.
Verder geldt dat de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt. Dat betreft in dit geval dus [B.V.] . Ter onderbouwing van haar vordering heeft [B.V.] een overzicht overgelegd waaruit haar (niet opgenomen) verlofuren en gewerkte overuren blijken. Dit overzicht is ondertekend door de heer [naam] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [B.V.] aangegeven dat het overzicht pas is opgesteld en door [naam] is ondertekend nadat het vonnis van 23 juli 2025 door de kantonrechter is gewezen. De reden hiervoor zou zijn dat de kantonrechter haar eerder overgelegde overzicht onduidelijk vond. Tenfold betwist de juistheid van het overzicht en stelt dat het overzicht haar niet bekend is. Tussen partijen staat vast dat [naam] op het moment van ondertekening niet meer werkzaam was voor Tenfold. [naam] was op dat moment dus niet gerechtigd om Tenfold te vertegenwoordigen. Aan de ondertekening van [naam] kunnen dan ook geen rechten worden ontleend. Dat partijen anderszins zijn overeengekomen dat overuren en niet opgenomen verlofuren aan [B.V.] zouden worden uitbetaald is niet gebleken en door [B.V.] op geen enkele wijze onderbouwd. Alleen daarom al dient de vordering te worden afgewezen. Nog daargelaten dat voor het opgevoerde aantal uren iedere onderbouwing ontbreekt. Het had op de weg van [B.V.] gelegen om feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat niet genoten verlofuren en gewerkte overuren worden uitbetaald. [B.V.] heeft dit nagelaten. Door [B.V.] zijn geen (andere dan de hiervoor besproken) feiten gesteld die haar stelling kunnen onderbouwen. Dat betekent dat zij, in het licht van de gemotiveerde betwisting door Tenfold, onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld om tot bewijs te worden toegelaten en dat de onder IV ingestelde vordering als onvoldoende gemotiveerd wordt afgewezen.
Bonus ad minimaal € 30.000,00
4.10.
[B.V.] stelt dat uit een e-mail van Tenfold van 11 januari 2023 volgt dat tussen partijen is afgesproken dat [B.V.] zou deelnemen aan een bonusregeling, net als de andere leden van het managementteam en [B.V.] aanspraak kan maken op deelname aan de SAR-regeling per 1 januari 2023.
4.11.
Tenfold erkent dat partijen hebben gesproken over een bonus- en een SAR-regeling, maar dat het nooit verder is gekomen dan een voornemen om dergelijke afspraken te maken. Dat had alles te maken met de slechte financiële situatie waarin Tenfold verkeerde. Een winstdeling of bonusregeling was eenvoudigweg niet aan de orde omdat er geen positief resultaat werd behaald. Was een bonus- of SAR-regeling daadwerkelijk overeengekomen en geformaliseerd dan zou [B.V.] evenmin aanspraak kunnen maken op enige uitkering omdat de targets niet zijn gerealiseerd en dit is door [B.V.] ook niet gesteld, aldus Tenfold.
4.12.
De rechtbank overweegt dat [B.V.] ter onderbouwing van haar vordering tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat andere leden van het managementteam een bonus van € 30.000,00 zouden hebben ontvangen. Dit is door Tenfold betwist en door [B.V.] verder op geen enkele wijze onderbouwd. De stelling van Tenfold dat weliswaar over een SAR-regeling is gesproken maar een concrete afspraak tussen partijen niet is gemaakt, is door [B.V.] onbetwist gelaten. Dat geldt ook voor de stelling dat een uitkering op basis van de SAR afhankelijk is van een positief resultaat, dat niet is behaald. De rechtbank overweegt dat door [B.V.] geen feiten en omstandigheden zijn gesteld waaruit is af te leiden dat partijen over de inhoud van een bonus- en SAR regeling afspraken hebben gemaakt en dat [B.V.] op basis daarvan onder de gegeven feiten en omstandigheden aanspraak kan maken op een uitkering en tot welk bedrag. Niet is gesteld of gebleken onder welke omstandigheden [B.V.] recht zou hebben op een bonus/uitkering en dat die voorwaarden zijn vervuld. De werkzaamheden en managementvergoeding van [B.V.] zijn daarentegen per 1 juli 2023 gehalveerd omdat de financieel nijpende situatie van Tenfold daartoe dwong. Door [B.V.] zijn geen (andere dan de hiervoor besproken) feiten gesteld die haar stelling kunnen onderbouwen. Dat betekent dat zij, in het licht van de gemotiveerde betwisting door Tenfold, onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld om tot bewijs te worden toegelaten en dat haar stelling als onvoldoende gemotiveerd wordt afgewezen.
4.13.
Feiten of omstandigheden die het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken dat [B.V.] geen variabele beloning ontvangt – zoals door [B.V.] ter zitting nog naar voren gebracht – zijn de rechtbank evenmin gebleken. Het feit dat gedurende anderhalf jaar lang twee dagen in de week werkzaamheden zijn verricht in een onderneming die financieel in zwaar weer verkeert, kunnen een dergelijk oordeel in ieder geval niet dragen. De vordering wordt dan ook afgewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.14.
Nu de vorderingen van [B.V.] worden afgewezen, treft haar vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten hetzelfde lot. Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
Proceskosten
4.15.
[B.V.] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Tenfold worden begroot op:
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
4.102,00
(2 punten × € 2.051,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.152,00
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [B.V.] in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [B.V.] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.2.
veroordeelt [B.V.] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rulkens en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.