ECLI:NL:RBLIM:2026:5166

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
C/03/351600 / HA ZA 26-177
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Kluin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 194 RvArt. 3:296 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing provisionele vorderingen inzake voorkeursrecht en inzage verkoopdocumenten agrarische percelen

In deze civiele bodemzaak vordert eiser een verklaring voor recht en nakoming van een mondeling overeengekomen voorkeursrecht bij verkoop van agrarische percelen. Tevens vordert hij in een incident een provisioneel verbod op levering en inzage in verkoopdocumenten.

De rechtbank overweegt dat het bestaan van een afdwingbare overeenkomst niet voldoende vaststaat en dat nader onderzoek in de hoofdzaak nodig is. De gevorderde voorlopige voorzieningen worden afgewezen omdat eiser onvoldoende spoedeisend belang en bewijs voor het bestaan van de gevraagde stukken heeft gesteld. De inzagevordering wordt gezien als een 'fishing expedition' zonder concrete aanwijzingen dat de stukken bestaan.

De rechtbank veroordeelt eiser in de proceskosten van het incident en verwijst de hoofdzaak naar de rol voor verdere procedure. Het vonnis is gewezen door rechter Kluin en op 3 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de provisionele vorderingen af en veroordeelt eiser in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/351600 / HA ZA 26-177
Vonnis in incident van 3 juni 2026
in de zaak van
[persoon 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. S.H.O. Aben,
tegen
[persoon 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon 2] ,
advocaat: mr. C.A.M.J.M. Joosten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 31 maart 2026 met producties 1 t/m 8,
- de conclusie van antwoord tevens antwoord in incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten

2.1.
[persoon 2] is eigenaar van vijf percelen (agrarische grond) gelegen te [plaats 2] . De percelen staan kadastraal bekend als [perceel 1] en [perceel 2] (hierna aan te duiden als: de percelen).

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
[persoon 1] stelt zich op het standpunt dat tussen hem en [persoon 2] een mondelinge overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [persoon 2] bij een voorgenomen verkoop van de percelen deze eerst aan [persoon 1] moet aanbieden. Ook voert [persoon 1] aan dat [persoon 2] hem de gelegenheid moet geven om een bod van een derde te matchen, zodat [persoon 1] de koop kan claimen. In de hoofdzaak vordert [persoon 1] kort gezegd een verklaring voor recht en veroordelingen tot nakoming van die overeenkomst. Onder II vordert [persoon 1] in de hoofdzaak dat [persoon 2] wordt veroordeeld om aan [persoon 1] en diens advocaat schriftelijk en volledig te verstrekken:
of en zo ja met wie (waaronder: [persoon 3] ) zij afspraken/onderhandelingen heeft gevoerd over verkoop van de percelen;
de (concept)koopovereenkomst en alle bijlagen/voorwaarden, inclusief koopprijs per m², totale koopprijs, ontbindende voorwaarden, leveringsdatum, notaris en overige relevante afspraken;
de stand van zaken rondom beoogde levering en eventuele inschrijvingen/beslagen.
3.2.
Ter onderbouwing van de vorderingen voert [persoon 1] aan dat [persoon 2] de gemaakte afspraak meermaals mondeling heeft bevestigd. [persoon 2] heeft naar eigen zeggen de percelen aan een derde ( [persoon 3] ) verkocht, zonder [persoon 1] de afgesproken aanbiedingsplicht en het matchingsrecht te gunnen. [persoon 2] heeft daarmee in strijd gehandeld met de gemaakte afspraken. [persoon 1] stelt dat hij primair recht heeft op nakoming (3:296 BW): [persoon 2] moet haar aanbiedingsplicht en matchingsmechanisme naleven en zich onthouden van handelingen die nakoming illusoir maken. Subsidiair geldt dat indien nakoming onmogelijk blijkt, [persoon 2] schadeplichtig is wegens een tekortkoming in de nakoming van een op [persoon 2] rustende verbintenis. Voor het geval wordt geoordeeld dat geen overeenkomst tot stand is gekomen die een afdwingbare eerste aanbiedingsplicht en matchingsrecht oplevert, is [persoon 2] precontractueel aansprakelijk wegens het onaanvaardbaar afbreken van onderhandelingen en/of het frustreren van gewekt vertrouwen.

4.Het geschil in het incident

4.1.
[persoon 1] vordert in incident ex artikel 223 Rv Pro - samengevat - om:
I. [persoon 2] te verbieden om de percelen te leveren, bezwaren of anderszins te vervreemden aan derden totdat in de hoofdzaak eindvonnis is gewezen;
II. [persoon 2] te gebieden om binnen 48 uur na betekening van het vonnis de in de hoofdzaak onder II genoemde informatie en stukken te verstrekken en, indien sprake is van een derde-bod of een derde-overeenkomst, dat bod met alle voorwaarden als aanbod aan [persoon 1] door [de rechtbank begrijpt: voor] te leggen en hem een termijn van 14 dagen, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, te geven om schriftelijk te verklaren dat hij dit bod matcht;
III. dit alles op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag of dagdeel en/of € 250,- per overtreding, met een maximum van € 50.000,-
IV. [persoon 2] te veroordelen in de kosten van het incident.
4.2.
[persoon 1] voert ter onderbouwing aan dat hij een spoedeisend en zwaarwegend belang heeft, aangezien [persoon 2] heeft gesteld dat zij de percelen aan een derde heeft verkocht. Levering kan snel worden geëffectueerd. Daarmee dreigt dat de uitkomst van de bodemprocedure feitelijk betekenisloos wordt.
4.3.
[persoon 2] voert verweer. [persoon 2] betwist dat er een afdwingbare koopovereenkomst dan wel een juridisch bindend voorkeursrecht of matchingsrecht tot stand is gekomen met betrekking tot de percelen. Tussen partijen hebben slechts oriënterende gesprekken plaatsgevonden over een mogelijke verkoop van een deel van de agrarische grond die [persoon 2] in eigendom heeft. Er is nooit definitieve overeenstemming bereikt over essentiële onderdelen van een kooptransactie dan wel over de inhoud van een vermeend voorkeurs- of matchingsrecht.

5.De beoordeling in het incident

5.1.
[persoon 1] vordert bij wijze van provisionele vordering een verbod voor de duur van de procedure in de hoofdzaak. Daarnaast vordert hij inzage in bescheiden, waaraan ook een provisionele vordering wordt gekoppeld.
Het gevorderde verbod
5.2.
De rechtbank wijst het gevorderde verbod af. Zij legt hierna uit waarom.
Het toetsingskader voor een provisionele vordering
5.3.
Een provisionele vordering op grond van artikel 223 Wetboek Pro van Rechtsvordering (Rv) strekt ertoe om voor de duur van de aanhangige hoofdprocedure voorlopige maatregelen te treffen. Deze vordering dient samen te hangen met de hoofdvordering en eiser dient daarbij voldoende belang te hebben. Bovendien is vereist dat van eiser niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de bodemzaak afwacht. Bij de beoordeling dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak, en van de proceskansen daarin.
Afwijzing van het gevorderde verbod
5.4.
De vorderingen in incident zijn gebaseerd op een door [persoon 1] gestelde tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst met recht van eerste koop althans eerste aanbiedingsplicht. [persoon 2] betwist gemotiveerd dat tussen partijen een rechtens afdwingbare overeenkomst tot stand is gekomen. Bij deze stand van zaken staat op dit moment niet voldoende vast dat de vorderingen van [persoon 1] op deze punten in de hoofdzaak kunnen worden toegewezen. Naar de tussen partijen in het geschil zijnde feiten en/of omstandigheden zal in de hoofdzaak nader onderzoek, mede op basis van de mondelinge behandeling, moeten plaatsvinden. De rechtbank ziet, de belangen van partijen afwegende, ook geen aanleiding om vooruitlopend op de beslissing in de hoofdzaak de gevorderde voorzieningen toe te wijzen.
Inzage vordering
5.5.
De rechtbank wijst ook het gevorderde gebod om inzage te verstrekken in de onder II in de hoofdzaak gevorderde stukken af. De rechtbank legt dit hieronder uit.
Het toetsingskader voor een inzagevordering
5.6.
De rechtbank stelt voorop dat voor een recht op afschrift op grond van artikel 194 Rv Pro aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan:
i) degene die om de informatie verzoekt is partij bij een rechtsbetrekking,
ii) degene van wie inzage wordt verlangd beschikt over de gevraagde gegevens of kan deze makkelijk van een derde verkrijgen,
iii) er is sprake van voldoende belang bij het informatieverzoek,
iv) de verlangde gegevens zijn voldoende bepaald.
Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, is degene die over de gegevens beschikt verplicht daarvan afschrift te verstrekken, tenzij hem een verschoningsrecht toekomt of gewichtige redenen zich daartegen verzetten.
5.7.
Het begrip rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 194 Rv Pro moet ruim worden opgevat. Het bestaan van een rechtsbetrekking hoeft nog niet in rechte vast te staan. Aangezien [persoon 1] zich beroept op een mondeling tot stand gekomen overeenkomst, is aan dit vereiste voldaan.
5.8.
Artikel 194 Rv Pro biedt niet een onbeperkt recht op inzage van stukken ten opzichte van degene die deze tot zijn beschikking of onder zich heeft. Verder moet het gaan om bestaande gegevens. Artikel 194 Rv Pro biedt niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan [persoon 1] alleen maar vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan hun stellingen in de hoofdzaak; het inzageverzoek mag niet uitmonden in een zogenoemde ‘fishing expedition’.
5.9.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [persoon 1] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [persoon 2] over de gevraagde stukken beschikt. Niet aannemelijk is geworden dat de gevorderde bescheiden daadwerkelijk bestaan. Uit de eigen stellingen van [persoon 1] volgt dat [persoon 2] eerst aan hem had bericht dat zij de percelen had verkocht aan de heer [persoon 3] , maar dat zij enkele dagen later heeft laten weten dat zij de percelen niet langer wilde verkopen. [persoon 2] heeft zich ook in deze procedure op het standpunt gesteld dat (zij [persoon 1] heeft bericht dat) zij de percelen niet langer wenst te verkopen. [persoon 1] heeft niet onderbouwd gesteld dat er desalniettemin een verkoop en levering van de percelen aan een derde dreigt. De rechtbank is al met al van oordeel dat sprake is van een ‘fishing expedition’. Het gaat [persoon 1] om het verkrijgen van mogelijk bestaande stukken om te bezien of daarin de informatie staat die hij veronderstelt, terwijl die veronderstelling, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [persoon 2] , niet voldoende is onderbouwd en daarvoor ook onvoldoende aanwijzing bestaat. Een enkel vermoeden is onvoldoende om het bestaan van informatie aan te kunnen nemen. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste zoals geciteerd in r.o. 5.6 onder sub ii en iv. De inzagevordering wordt dan ook afgewezen.
De aan de inzagevordering gekoppelde provisionele vordering
5.10.
De rechtbank begrijpt de vordering in incident onder II zo dat voor het geval uit de inzage blijkt dat sprake is van een derde-bod of een derde-overeenkomst, dat [persoon 2] wordt veroordeeld om dat bod met alle voorwaarden als aanbod aan [persoon 1] voor te leggen.
Uit het voorgaande volgt dat de inzagevordering wordt afgewezen. Daaruit volgt dat ook de aan de inzagevordering gekoppelde provisionele vordering wordt afgewezen.
Conclusie
5.11.
De conclusie is dat de rechtbank alle vorderingen in incident van [persoon 1] zal afwijzen.
Proceskosten
5.12.
[persoon 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon 2] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
in het incident
6.1.
wijst de incidentele vorderingen af,
6.2.
veroordeelt [persoon 1] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
6.4.
verwijst de zaak naar de rol van
10 juni 2026voor beraad rolrechter over het vervolg van de procedure,
6.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.