ECLI:NL:RBLIM:2026:5119

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
11719878 \ CV EXPL 25-2357
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Otto
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering werknemer na val in keuken tijdens dweilen wegens voldane zorgplicht werkgever

Werknemer was van mei 2024 tot juni 2025 in dienst als chauffeur bij werkgevers. Op 21 augustus 2024 viel hij tijdens het dweilen van de keukenvloer in de frituur en liep daarbij een reruptuur van de patellapees op. Hij was sindsdien arbeidsongeschikt. Werknemer vorderde schadevergoeding wegens het arbeidsongeval.

Werkgevers betwistten dat het een arbeidsongeval betrof, omdat dweilen niet tot het takenpakket behoorde en zij voldoende voorzorgsmaatregelen hadden genomen, zoals antisliptegels. Ook werd gesteld dat het letsel mede door een eerder motorongeval was veroorzaakt.

De rechtbank oordeelde dat het ongeval wel degelijk tijdens de uitoefening van werkzaamheden plaatsvond, omdat dweilen in de frituur gebruikelijk was en werkgevers dit onvoldoende hadden betwist. Wel was het een 'huis-, tuin- en keuken'-gevaar waarvoor werkgevers niet hoeven te waarschuwen. De voorzorgsmaatregelen waren toereikend, zodat werkgevers aan hun zorgplicht hadden voldaan.

De vorderingen van werknemer werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vorderingen van werknemer worden afgewezen omdat werkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11719878 \ CV EXPL 25-2357
Vonnis van 27 mei 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. S.X.J. Zuidema,
tegen

1.[werkgever 1] ,

te [plaats 2] ,
2.
[werkgever 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [werkgevers] ,
gemachtigde: mr. R.C. Breuls.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 mei 2025 waarbij de procedure met nummer 11570679 \ AZ VERZ 25-19 is verwezen naar de huidige procedure
- de conclusie van antwoord van [werkgevers]
- de conclusie van repliek van [werknemer] met vermeerdering van grondslag en vermeerdering van eis
- de conclusie van dupliek van [werkgevers]
- de akte uitlaten productie van [werknemer] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[werknemer] is van 1 mei 2024 tot 1 juni 2025 bij [werkgevers] in dienst geweest als chauffeur.
2.2.
Op 21 augustus 2024 was [werknemer] voor [werkgevers] werkzaam en in de frituur ten val gekomen.
2.3.
[werknemer] heeft [werkgevers] op 22 augustus 2024 een Whatapp-bericht gestuurd met de volgende inhoud:
“Dag [werkgever 1] met [werknemer] mam het als goed is gebeld van morgen ik ben gister gevallen met dweilen en heb gisteravond tot laat in het ziekenhuis gezeten en ik wil me wel afmelden want ben niet instaat om te lopen en morgen moet ik alweer naar ziekenhuis voor de scan kijken wat er kapot is en wat er allemaal aan de hand is. Wauw je toch nog even zelf appen”
2.4.
Vanaf 21 augustus 2024 tot einde van het dienstverband was [werknemer] arbeidsongeschikt.
2.5.
In het medisch rapport van dr. [arts] van 7 augustus 2025 staat - onder meer - het volgende opgenomen:

09-07-2025 Brief van [fysiotherapeut] , fysiotherapeut
Cliënt is van 01-02-2024 tot 13-03-2025 behandeld. Het aanvankelijke revalidatietraject is gestart na een knieluxatie waarbij hij multiligamentair letsel heeft opgelopen van de linker knie na een motorcrosstrauma.
Op 17-01-2024 is cliënt geopereerd waarbij de mediale collaterale band, voorste kruisband en de patellapees is hersteld. Hierna heeft cliënt een revalidatietraject gehad.
Op 25-09-2024 is cliënt gevallen waarbij een patellapeesruptuur links is opgetreden. Hiervoor is hij opnieuw geopereerd. Cliënt is nabehandeld met een brace en fysiotherapie. Hiermee zijn de klachten verminderd en kon de belasting van de knie verder worden opgebouwd. Aangezien cliënt voor het laatst is gezien op 13-03-2025 kan over zijn huidige situatie geen informatie worden gegeven.
(…)
Mijn commentaar:
Als gevolg van het uitglijden van cliënt waarbij hij op zijn linker knie terecht is gekomen heeft hij een re-ruptuur van de patellapees links opgelopen. (…) Deze pees is essentieel voor het strekken en het opheffen/optillen van de knie.
Hiervoor is cliënt operatief behandeld waarbij de afgescheurde patellapees opnieuw is vastgezet aan het bot middels Mitek-ankertjes.
Vanzelfsprekend dient nadien een intensief revalidatietraject plaats te vinden met behulp van fysiotherapie om de kracht en stabiliteit van de knie te herstellen.
De voorgeschiedenis vermeldt een uitgebreid knieletsel in het verleden, te weten een mediaal collateraal bandletsel (…), voorste kniebandletsel (…) en een patellapeesruptuur (afgescheurde pees knieschijf). Hiervoor is cliënt operatief behandeld en met intensieve fysiotherapie is er een volledig herstel opgetreden.
Geconcludeerd kan worden dat als gevolg van het ongeval (adequaat trauma) een recidief patellapeesruptuur is ontstaan. Het is aannemelijk dat aangezien sprake is van een adequaat trauma de recidief patellapeesruptuur het gevolg is van het onderhavige ongeval. (…)
In afnemende mate is cliënt beperkt geweest wat betreft het gebruik van het linker been wat vanzelfsprekend gevolgen heeft voor verschillende ADL-activiteiten, huishoudelijke taken, de mogelijkheid om te sporten en zijn werk. Geleidelijk aan met fysiotherapie zal getracht moeten worden om de functie van de linker knie te laten herstellen en de belastbaarheid te laten toenemen. Meest recente informatie kan door de fysiotherapie niet verschaft worden.
Een medische eindsituatie is ongeveer te verwachten 1 jaar na de laatste operatie. (…)
Uw vragen beantwoordend:
(…)
6. Hoe ziet u de prognose, met andere woorden, wanneer kan een eindtoestand worden aangenomen. Zijn er blijvende klachten en beperkingen te verwachten?
Een medische eindsituatie is ongeveer te verwachten 1 jaar na de operatie. Of er een volledig herstel is opgetreden, kon door de fysiotherapeut niet bevestigd worden.
7. Indien er blijvende klachten/beperkingen te verwachten zijn, hoe schat u deze in? Welk percentage blijvende functionele invaliditeit kan hieruit voortvloeien?
In de meeste gevallen zal bij een goede pre-existente situatie een volledig herstel optreden. Indien toch klachten zouden resteren, dan is een b.i. tussen 5 en 9% van de onderste extremiteit te verwachten.
8. Is er een causaal verband tussen de klachten en het arbeidsongeval?
Er is sprake van een adequaat trauma waarmee de patellapeesruptuur te verklaren is. Alhoewel cliënt begin 2024 geopereerd is aan een fors knieletsel links blijkt uit gegevens dat een volledig herstel hiervan was opgetreden.”

3.Het geschil

3.1.
[werknemer] vordert na vermeerdering van grondslag en eis - samengevat - :
I. te verklaren voor recht dat [werkgevers] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor zowel de materiële als immateriële schade die een gevolg is van het arbeidsongeval d.d. 22 augustus 2024 - de kantonrechter begrijpt: 21 augustus 2024 -, en [werkgevers] hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van die schade aan [werknemer] , die schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
II. [werkgevers] hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, een voorschot op schadevergoeding te betalen van € 7.500,00, althans een zodanig bedrag als u in goede justitie zal vermenen te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ongeval, zijnde 26 augustus 2024, althans vanaf de dag van het ingediende verzoekschrift, zijnde 14 februari 2025, tot de dag der algehele voldoening;
III. [werkgevers] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[werknemer] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [werknemer] is op 21 augustus 2024 in de frituur uitgegleden tijdens het dweilen van de vloer van de keuken.
Door de val heeft hij letsel opgelopen aan zijn knie. Doordat [werknemer] ten val is gekomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden, is sprake van een arbeidsongeval zodat [werkgevers] aansprakelijk zijn voor de schade die [werknemer] hierdoor lijdt en zal lijden. Door de val heeft [werknemer] een reruptuur van zijn patellapees in zijn knie opgelopen. [werknemer] vordert een voorschot van € 7.500,00 op de schadevergoeding voor door hem gemaakte kosten, bestaande uit ziektekosten, toekomstige juridische kosten, kosten voor huishoudelijke hulp en de kosten van het medisch advies. Verder lijdt [werknemer] een verlies aan verdienvermogen en immateriële schade.
3.3.
[werkgevers] voeren verweer. [werkgevers] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer] , met veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[werkgevers] betwisten dat sprake was van een arbeidsongeval omdat het dweilen van de vloer niet tot het takenpakket van [werknemer] hoorde. Bovendien stellen [werkgevers] dat zij voldoende voorzorgsmaatregelen hebben genomen doordat de vloer in de nabijheid van de frituurpannen voorzien is van antislip tegels. Verder betwisten [werkgevers] dat het letsel van [werknemer] alleen veroorzaakt is door de valpartij van 21 augustus 2024 omdat [werknemer] eerder een motorongeval heeft gehad waarbij hij letsel aan dezelfde knie had opgelopen. [werknemer] heeft volgens [werkgevers] onvoldoende onderbouwd welke schade hij heeft geleden ten gevolge van de val van 21 augustus 2024. Tot slot betwisten [werkgevers] dat [werknemer] te kampen heeft met blijvende klachten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of er op 21 augustus 2024 een arbeidsongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [werknemer] schade heeft geleden die door [werkgevers] moet worden vergoed.
Juridisch kader werkgeversaansprakelijkheid
4.2.
In artikel 7:658 BW Pro is de aansprakelijkheid van een werkgever geregeld voor schade die een werknemer lijdt bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden. Een werkgever is op grond van lid 1 verplicht om die maatregelen te treffen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om ongevallen te voorkomen die zich zouden kunnen voordoen bij de uitoefening door de werknemer van de werkzaamheden. Uit het tweede lid van het artikel volgt dat een werkgever aansprakelijk is voor schade die de werknemer lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij de werkgever heeft voldaan aan de zorgplicht uit het eerste lid (of de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer, maar dat is in deze zaak niet gesteld). Voornoemd artikel houdt een ruime zorgplicht in. Er wordt niet snel aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en dus niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Artikel 7:658 BW Pro beoogt echter ook geen absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen gevaar. Welke veiligheidsmaatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
4.3.
Ten aanzien van de stelplicht en bewijslast in het kader van artikel 7:658 BW Pro wordt het volgende als uitgangspunt genomen voor de beoordeling:
 de werknemer moet stellen en bij betwisting bewijzen dat hij in de uitoefening van zijn functie schade heeft geleden. In het algemeen zal daartoe voldoende zijn dat komt vast te staan dat het ongeval hem is overkomen op de werkplek, waarbij het begrip werkplek volgens de rechtspraak van de Hoge Raad ruim mag worden uitgelegd [1] . Dit betekent niet zonder meer dat de werknemer ook moet bewijzen hoe het ongeval zich heeft voltrokken en wat de oorzaak daarvan is;
 als komt vast te staan dat de werknemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, is de werkgever in beginsel aansprakelijk, tenzij hij aantoont dat hij niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW Pro. Slaagt de werkgever er niet in het bewijs te leveren dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan, dan is het causaal verband tussen zijn tekortkoming en het ongeval gegeven. Hij kan dan alleen nog aan aansprakelijkheid ontkomen als hij stelt, en zo nodig bewijst, dat nakoming van zijn zorgplicht het ongeval niet zou hebben voorkomen of (maar dat is - zie hiervoor - niet gesteld) dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
Het ongeval van 21 augustus 2024 was een arbeidsongeval
4.4.
Onbetwist is dat [werknemer] op 21 augustus 2024 aan het werk was voor [werkgevers] en dat hij daarvoor (mede) in de frituur aanwezig was. [werknemer] stelt dat hij is gevallen toen hij de vloer in de keuken aan het dweilen was. [werkgevers] betwisten dit en voeren aan dat collega’s [werknemer] niet hebben zien vallen, maar alleen op de grond hebben zien liggen. Hieruit volgt dat [werknemer] wel op de grond is aangetroffen tijdens zijn dienst. [werknemer] heeft [werkgevers] een dag later een bericht gestuurd dat hij was gevallen tijdens het dweilen en dat hij daarbij letsel had opgelopen [2] . Dit is in de berichtgeving daarna niet door [werkgevers] betwist. De ziekmelding van [werknemer] met de reden van zijn uitval (een valpartij) is kennelijk ter kennisgeving aangenomen door [werkgevers] en op dat moment niet betwist.
4.5.
Zoals in 4.3. overwogen dient het begrip “zijn werkzaamheden” ruim te worden opgevat en vallen daaronder ook andere dan de gebruikelijke werkzaamheden indien de werkzaamheden zijn uitgevoerd op de werkplek. Het dweilen van de keukenvloer zou volgens [werkgevers] niet onder de gebruikelijke werkzaamheden van [werknemer] als bezorger vallen. [werknemer] heeft echter gesteld dat hij buiten de bezorgwerkzaamheden ook andere hand- en spandiensten verrichtte in de frituur. [werkgevers] hebben hun betwisting hiervan onvoldoende onderbouwd. Een schriftelijke arbeidsovereenkomst ontbreekt weliswaar, maar [werkgevers] hadden hun betwisting verder kunnen onderbouwen met bijvoorbeeld verklaringen van personeelsleden. Dit hebben zij nagelaten, zodat niet vaststaat dat de werkzaamheden van [werknemer] enkel en alleen bestonden uit het bezorgen van maaltijden. Nu de schoonmaakwerkzaamheden wel zijn uitgevoerd in de frituur en vallen onder werkzaamheden die gebruikelijk zijn in een frituur, voldoen deze werkzaamheden aan de kwalificatie van “uitoefening van zijn werkzaamheden”. Daar komt bij dat [werkgevers] in de berichten met [werknemer] van vlak na de melding van zijn val, er geen blijk van hebben gegeven dat het raar was dat [werknemer] aan het dweilen was. Zij hebben hierover geen vragen gesteld of opmerkingen over gemaakt.
4.6.
Verder is onweersproken dat [werknemer] na het ongeval geopereerd was en zijn werkzaamheden niet meer heeft kunnen hervatten. Dat [werknemer] door de val schade heeft opgelopen, staat daarmee vast. Op grond van het voorgaande is de conclusie dat het ongeval van 21 augustus 2024 een arbeidsongeval was.
Hebben [werkgevers] aan hun zorgplicht voldaan? Ja
4.7.
Omdat [werknemer] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden moeten [werkgevers] stellen en bewijzen dat zij hun zorgplicht zijn nagekomen. [werkgevers] voeren daartoe aan dat het niet glad was in de frituur, omdat de vloer in de nabijheid van de frituurpannen voorzien zijn van antislip tegels en dat het voor [werknemer] , voor de uitoefening van zijn functie als bezorger, helemaal niet nodig was om achter de frituurpannen te komen of daarmee samenhangende schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. Daardoor waren [werkgevers] niet verplicht om [werknemer] veiligheidsschoenen ter beschikking te stellen.
4.8.
Het ongeluk dat [werknemer] is overkomen, hoort thuis in de categorie “huis-, tuin- en keuken”-gevaren waarvoor een werkgever niet kan of hoeft te waarschuwen. Het is van algemene bekendheid dat een natte vloer glad(der) is, zodat er meer oplettendheid mag worden verwacht van degene die dweilt. [werkgevers] hebben al de nodige voorzorgsmaatregelen genomen om te voorkomen dat hun werknemers kunnen uitglijden door het (laten) leggen van anti sliptegels voor de frituurpannen. Daarmee hebben zij aan hun zorgplicht voldaan. Hoe ongelukkig de val van [werknemer] ook is geweest, het kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezegd dat [werkgevers] ter zake enig verwijt te maken valt.
4.9.
De conclusie is dat de vorderingen van [werknemer] zullen worden afgewezen.
Proceskosten
4.10.
[werknemer] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werkgevers] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.080,00
(3 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.224,00

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [werknemer] af,
5.2.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 1.224,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

Voetnoten

1.HR 15 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA9048.
2.Zie hiervoor onder 2.3.