ECLI:NL:RBLIM:2026:5101

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
ROE 26/1025
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluiting Saunaclub Sixsens wegens drugshandel

De burgemeester van de gemeente Vaals besloot het lokaal van Saunaclub Sixsens te Lemiers voor zes maanden te sluiten vanwege drugshandel, gebaseerd op een bestuurlijke rapportage en meldingen via Meld Misdaad Anoniem. Verzoeksters, exploitanten van de saunaclub, maakten bezwaar en vroegen om een voorlopige voorziening om de sluiting op te schorten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, omdat er 4,7 gram cocaïne werd aangetroffen, wat een handelshoeveelheid harddrugs betreft. Echter, de rechter vond dat onvoldoende was gemotiveerd dat sluiting noodzakelijk was en dat lichtere maatregelen niet volstaan. De verklaring van een bezoekster over het binnensmokkelen van de drugs werd niet zonder meer ongeloofwaardig geacht.

De rechter stelde dat de anonieme meldingen onvoldoende betrouwbaar waren en dat er geen concrete aanwijzingen waren voor structurele drugshandel of overlast. De gevolgen van sluiting voor verzoeksters waren ernstig en spoedeisend. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het besluit tot sluiting geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de sluiting van het lokaal wordt geschorst wegens onvoldoende onderbouwing van de noodzaak.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1025

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2026 in de zaak tussen

Aspasia B.V. en WenTom Vastgoed B.V. uit Lemiers, verzoeksters

(gemachtigden: mr. M.M.P.E. van Helmond en mr. F.J.H.M. Berndsen),
en

de burgemeester van de gemeente Vaals

(gemachtigde: mr. F. Pommer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om het lokaal en het daarbij behorende erf te Lemiers waarin Saunaclub Sixsens is gevestigd te sluiten voor een periode van zes maanden vanwege drugshandel. Verzoeksters zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom een voorlopige voorziening te treffen zodat het lokaal open kan blijven tijdens de bezwaarschriftprocedure. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeksters.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat de burgemeester wel bevoegd was om het lokaal te sluiten op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet maar is van oordeel dat een sluiting niet noodzakelijk is. Zij licht dit oordeel hierna toe.

Procesverloop

2. Met het besluit van 30 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet besloten het lokaal van verzoeksters te sluiten voor de duur van zes maanden.
2.1.
Verzoeksters hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben ook de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De burgemeester heeft de rechtbank laten weten dat hij niet instemt met opschorting van de sluiting in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter en heeft het lokaal met ingang van 11 mei 2026 gesloten.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] namens verzoeksters, de gemachtigden van verzoeksters en de gemachtigde van de burgemeester, bijgestaan door mr. K. Janssen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Wat is er gebeurd?
4. Verzoeksters exploiteren een erotische saunaclub.
4.1.
De burgemeester heeft een bestuurlijk rapportage van 4 april 2026 van de politie ontvangen. Daarin zijn onder meer de bevindingen weergegeven van de doorzoeking in het
lokaal op 2 april 2026. Het volgende werd - voor zover thans nog relevant - in het lokaal aangetroffen:
- twee bussen pepperspray in de kantoorruimte op de begane grond, links naast de hoofdingang;
- één matrak in dezelfde kantoorruimte;
- twaalf sachets Kamagra in dezelfde kantoorruimte; en
- tien seals met witte poeder in de kelder, op verdieping -2, in een bank naast de bar. Het witte poeder is later positief getest als 4,7 gram netto cocaïne.
In de bestuurlijke rapportage wordt tevens melding gemaakt van drie meldingen via Meld
Misdaad Anoniem (hierna: MMA-meldingen). De meldingen dateren van 27 november
2025, 3 maart 2026 en 9 maart 2026. Deze meldingen gaven aanleiding, zo blijkt uit de
bestuurlijke rapportage, voor de doorzoeking van het lokaal op 2 april 2026.
4.2.
De burgemeester heeft na ontvangst van de bestuurlijke rapportage verzoeksters op 7 april 2026 laten weten voornemens te zijn het lokaal voor een periode van twaalf maanden te sluiten. Verzoeksters hebben daarop een zienswijze ingediend tegen het voornemen. Vervolgens heeft de burgemeester het bestreden besluit genomen. Hij heeft in de zienswijze geen aanleiding gezien om af te zien van zijn voornemen om het lokaal te sluiten. Wel heeft hij in afwijking van het binnen de gemeente geldende beleid de sluitingsduur verkort naar zes maanden.
4.3.
Na het voornemen zijn nog drie nieuwe MMA-meldingen ontvangen. De strekking van deze meldingen komt overeen met de eerdere meldingen en naast drugs zouden in het lokaal (onder meer) illegale sigaretten worden verkocht door beveiligers. De Douane heeft op grond van twee van die meldingen aanleiding gezien om op 7 mei 2026 een accijnscontrole in het lokaal uit te voeren. Daarvan heeft de burgemeester op 11 mei 2026 een bestuurlijke rapportage ontvangen. Uit deze rapportage volgt - voor zover thans relevant - dat in het kantoorgedeelte diverse waterpijpen werden aangetroffen en in het keukenblok 3 kilogram waterpijptabak, welke niet was voorzien van de vereiste Nederlandse accijnszegels. Omdat deze tabak in een bedrijfsruimte werd aangetroffen samen met waterpijpen rees er een vermoeden van een commercieel karakter. Dat is ingevolge de Wet op de accijns niet toegestaan en daarom is de waterpijptabak ter plekke in beslag genomen.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
5. De door verzoeksters gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er sprake is van een spoedeisend belang, waardoor zij niet kunnen wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter acht het belang van verzoeksters bij het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval voldoende spoedeisend. Door de sluiting van het pand wordt het recht van verzoeksters om de onderneming te exploiteren aangetast. Daarnaast is aannemelijk gemaakt dat de gevolgen van de sluiting direct voelbaar zijn, waarbij niet is uitgesloten dat sommige gevolgen onomkeerbaar kunnen zijn, mede gezien de duur van de sluiting, zoals het verlies van de klantenkring, het mogelijke risico op faillissement en reputatieschade.
Wat is het toetsingskader?
6. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet kan de burgemeester een pand sluiten als een middel als bedoeld in lijst I en II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
6.1.
Ter uitvoering van deze bevoegdheid heeft de burgemeester de beleidsregel “Handhavingsbeleid drugs en overige (woon) overlast” vastgesteld. In de beleidsregel is bepaald dat bij een eerste constatering de sluitingstermijn bij lokalen twaalf maanden bedraagt als een handelshoeveelheid harddrugs wordt aangetroffen. Bij harddrugs is er sprake van een handelshoeveelheid als er meer dan 0,5 gram wordt aangetroffen. De burgemeester heeft in daarbij aansluiting gezocht bij het door het Openbaar Ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik.
6.2.
Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een lokaal op grond van artikel 13b, van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Dat kader is beschreven in de uitspraken van 6 juli 2022 [1] en 16 juli 2025 [2] . Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van het lokaal in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van het lokaal over te gaan?
7. Verzoeksters stellen dat de aangetroffen cocaïne door een vrouwelijke bezoeker (hierna: bezoekster) naar binnen is gesmokkeld en bedoeld waren voor eigen gezamenlijk gebruik met een klant van wie zij deze drugs de dag daarvoor had ontvangen. De aangetroffen pepperspray en matrak waren volgens verzoeksters eigendom van ingehuurde gastheren en waren, kort gezegd, uit veiligheidsoverwegingen aangeschaft na eerdere incidenten. Er bestaat aldus geen verband tussen de drugs en het lokaal, waardoor volgens verzoeksters geen bevoegdheid bestaat voor de burgemeester om tot sluiting van het lokaal over te gaan. Daarbij wijzen verzoeksters erop dat de gedane MMA-meldingen onjuist zijn en dat uit de rechtspraak volgt dat met anonieme meldingen terughoudend moet worden omgegaan, omdat niet kan worden uitgesloten dat deze van één en dezelfde bron afkomstig zijn of zijn ingegeven door oneigenlijke motieven.
7.1.
De burgemeester is in beginsel bevoegd om een lokaal te sluiten als er een handelshoeveelheid drugs in een woning wordt aangetroffen. Zoals hiervoor al is vermeld, is bij harddrugs sprake van een handelshoeveelheid als er meer dan 0,5 gram wordt aangetroffen en bij softdrugs ligt de grens bij 5 gram. Bij een geringe overschrijding van die grens kan er nog sprake zijn van eigen gebruik. Verzoeksters dienen dit zelf aannemelijk te maken. Verder speelt verwijtbaarheid geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van het lokaal noopt.
7.2.
Niet in geschil is dat in het lokaal 4,7 gram cocaïne is aangetroffen. Cocaïne valt onder de harddrugs zoals vermeld in Lijst 1 bij de Opiumwet. De aangetroffen hoeveelheid overschrijdt de door het openbaar ministerie gehanteerde gebruikershoeveelheid van 0,5 gram ruim negen keer. Daarom mag worden aangenomen dat de cocaïne mede bestemd was voor verkoop, aflevering of verstrekking. Uit de verklaring van de bezoekster, van wie de cocaïne naar haar zeggen was, blijkt ook dat deze bedoeld was om in het lokaal aan een klant te worden verstrekt. Op grond van deze verklaring staat daarmee reeds vast dat de cocaïne daartoe bestemd was in de zin van artikel 13b, eerste lid, onderdeel a, van de Opiumwet. Alleen al op grond daarvan heeft de burgemeester mogen concluderen dat de in het lokaal aangetroffen harddrugs aanwezig waren met het oog op verstrekking daarvan aan een derde en niet alleen voor eigen gebruik. Voor het kunnen aannemen van de sluitingsbevoegdheid moet er ook een verband bestaan tussen de drugs en het lokaal waarin ze zijn aangetroffen. Anders dan verzoeksters is de voorzieningenrechter van oordeel dat dat verband tussen de drugs en het lokaal hier in voldoende mate aanwezig is. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat bezoekster regelmatig het lokaal bezocht, zo hebben verzoekster desgevraagd ter zitting verklaard, de drugs in ieder geval ook bestemd waren voor gebruik in het lokaal en de verdeling van de cocaïne in meerdere seals maakt de drugs bovendien geschikt voor de verkoop in verhandelbare porties. De burgemeester is daarom bevoegd om het lokaal te sluiten.
Is de sluiting noodzakelijk?
8. Als de burgemeester bevoegd is om een pand te sluiten, is de volgende vraag of er ook een noodzaak is om een pand te sluiten. Daarbij is van belang of de burgemeester met een minder ingrijpend middel dan een sluiting had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook met dat minder ingrijpende middel kan worden bereikt. Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een lokaal, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van het lokaal. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. [3]
8.1.
Verzoeksters hebben aangevoerd dat er geen noodzaak is tot sluiting van het lokaal en dat er met een minder ingrijpend middel kan worden volstaan. Volgens verzoeksters is er geen sprake van handel in of vanuit het lokaal en is dit ook niet waargenomen. Er was geen sprake van een ‘loop’ en waren er geen overlastmeldingen of verklaringen van omwonenden. Het lokaal staat niet bekend als drugspand. Daar komt volgens verzoeksters bij dat zij zelf al vergaande beveiligingsmaatregelen treffen om drugs buiten het lokaal te houden en bezit of handel ervan te voorkomen, zoals cameratoezicht en de inzet van drugshonden. De wijze waarop de bezoekster de drugs volgens haar eigen verklaring mee naar binnen heeft gesmokkeld toont aan dat de beveiliging dit niet kon detecteren.
8.2.
Hoewel de burgemeester in beginsel bevoegd is het pand te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet, is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd dat sluiting in dit concrete geval noodzakelijk is en dat een lichtere maatregel niet volstaat. Daarbij is mede van belang dat niet is gesteld, en ook niet is gebleken, dat er eerdere overtredingen of openbare-ordeproblemen met betrekking tot het lokaal zijn geweest. Evenmin zijn er concrete aanwijzingen voor structurele handel in verdovende middelen in of vanuit het lokaal. Ondanks het feit dat in het lokaal een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen, betreft het in dit geval een relatief geringe hoeveelheid, waardoor de ernst en omvang van de overtreding beperkt is gebleven. De drugs zijn bovendien slechts op één locatie binnen het lokaal aangetroffen, namelijk in een doosje verstopt in een bank in de publieke ruimte, en lagen dus niet verspreid over meerdere plaatsen of ruimtes.
8.3.
Verder heeft een bezoekster van de saunaclub verklaard dat de aangetroffen middelen van haar waren, dat zij deze met behulp van een condoom in haar lichaam had verborgen en op die wijze heeft binnengesmokkeld om deze in het lokaal gezamenlijk met een klant, van wie zij de drugs verpakt in seals had ontvangen, te gebruiken. Zij heeft tijdens de doorzoeking de drugs verstopt in de bank. Anders dan de burgemeester acht de voorzieningenrechter deze verklaring niet zonder meer onaannemelijk, mede gelet op de aard van de onderneming die verzoeksters exploiteren (een erotische saunaclub), de vindplaats van de drugs en de door verzoeksters overgelegde camerabeelden die de verklaring van bezoekster in zekere mate lijken te ondersteunen. Tegen die achtergrond is de stelling van de burgemeester dat de verklaring van bezoekster ongeloofwaardig dan wel inconsistent zou zijn, onvoldoende. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat - anders dan burgemeester kennelijk veronderstelt - uit de verklaring van bezoekster niet volgt dat zij het hele doosje inwendig heeft vervoerd maar slechts de seals met cocaïne. Het ontbreken van een verklaring van bezoekster over het doosje doet aan de consistentie en geloofwaardigheid van haar verklaring over de wijze van het binnensmokkelen van drugs niet af. Gelet op voorgaande had het op de weg van de burgemeester gelegen om hiernaar te vragen en eventueel nog verder nader onderzoek te verrichten naar de juistheid van de gegeven verklaring, nu de gegevens van bezoekster bekend zijn bij de burgemeester. Niet blijkt dat dergelijk onderzoek door de burgemeester heeft plaatsgevonden.
8.4.
Ook acht de voorzieningenrechter van belang dat er buiten de aangetroffen cocaïne geen concrete aanwijzingen zijn gevonden die duiden op daadwerkelijke drugshandel vanuit het lokaal. Dat er in de niet voor het publiek toegankelijke kantoorruimte pepperspray en een matrak zijn aangetroffen maakt op zichzelf nog niet dat sprake is van een zodanige relatie met de aangetroffen cocaïne dat daaruit de noodzaak van een sluiting volgt. Hoewel dergelijk voorwerpen onder omstandigheden in verband kunnen worden gebracht met drugshandel of bescherming van aanwezige verdovende middelen, heeft de burgemeester die samenhang in dit geval onvoldoende concreet gemaakt. Daarbij is van belang dat deze voorwerpen niet aanwezig waren in dezelfde ruimte waarin de drugs zijn aangetroffen maar in kasten van een voor het publiek niet toegankelijke kantoorruimte. Nu concrete aanwijzingen voor drugshandel in het lokaal ontbreken en de verklaring van bezoekster over de herkomst en het gebruik van de drugs niet op voorhand onaannemelijk is kan aan de aanwezigheid van deze voorwerpen niet de betekenis worden toegekend die de burgemeester daaraan geeft. Ook de overige in het lokaal aangetroffen zaken, die volgens de burgemeester deels vermoedelijk illegaal zijn - zoals sachets Kamagra, sigaretten en waterpijptabak (waarvan de Douane een commercieel gebruik vermoedt) - wijzen niet op actieve drugshandel, omdat deze middelen niet onder de reikwijdte van de Opiumwet vallen.
8.5.
Dat er meldingen van drugshandel zijn gedaan, zodat reeds daarom mag worden aangenomen dat het lokaal de reputatie heeft van onder meer een drugspand, volgt de voorzieningenrechter niet. Alleen de MMA-meldingen, naast de relatief geringe hoeveelheid harddrugs die is aangetroffen, bieden in dit geval een onvoldoende doorslaggevende onderbouwing voor de noodzaak van de sluiting. Daarbij speelt mee dat het hier anonieme meldingen betreft waarvan herkomst en betrouwbaarheid niet kunnen worden vastgesteld, wat ook door de burgemeester is erkend. Niet kan worden uitgesloten dat deze meldingen afkomstig waren van iemand die verzoeksters schade wilde toebrengen. Verzoeksters hebben in dat kader onweersproken gesteld, zoals ook reeds in hun zienswijze is aangevoerd, dat een anonieme melding van 13 maart 2026 vals bleek te zijn. Volgens verzoeksters moet daarom terughoudend en kritisch worden gekeken naar de overige anonieme meldingen, temeer nu volgens hen het overgrote deel van de verstrekte informatie feitelijk onjuist is. De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester naar de valse melding geen nader onderzoek heeft verricht en deze melding ook niet heeft betrokken bij zijn besluitvorming. De burgemeester hecht wel veel waarde aan de andere MMA-meldingen ter onderbouwing van de noodzaak maar de motivering waarom de burgemeester dat doet is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende, aangezien er geen andere objectieve aanwijzingen zijn dat het lokaal een rol speelt in het criminele drugscircuit. Het feit dat sommige vindplaatsen in de MMA-meldingen overeenkomen met de daadwerkelijk aangetroffen locaties, betekent niet dat deze meldingen betrouwbaar en onafhankelijk zijn. Ook een kwaadwillende melder kan over (gedeeltelijk) juiste informatie beschikken en de voorzieningenrechter stelt vast dat een groot deel van wat gemeld is in ieder geval niet is aangetroffen tijdens de doorzoeking. Zo zijn er geen grote sommen geld gevonden in coupures en is er ook geen drugs gevonden in de kantoorruimte van het lokaal en/of bij beveiligers of ander personeel van verzoeksters. Gezien het gebrek aan andere objectieve aanwijzingen voor het bestaan van drugshandel had nader onderzoek naar de betrouwbaarheid en achtergrond van de meldingen, bijvoorbeeld door een buurtonderzoek te gelasten, in de rede gelegen. Dat gelet op diezelfde MMA-meldingen bij de burgemeester kennelijk het vermoeden is ontstaan dat het beveiligingspersoneel van het lokaal een actieve rol vervult in drugshandel is ook niet verder onderbouwd en kan in ieder geval niet worden gebaseerd op de overige aangetroffen waren in het lokaal.
8.6.
Tegen de achtergrond van het ontbreken van eerdere incidenten, het ontbreken van concrete handelssignalen en de beperkte ernst van de overtreding heeft de burgemeester op dit moment onvoldoende gemotiveerd waarom sluiting van het lokaal noodzakelijk is en niet met een minder ingrijpende maatregel dan sluiting kan worden volstaan. De voorzieningenrechter verwacht daarom dat het bestreden besluit in bezwaar geen standhoudt en ziet daarom reden voor het treffen van een voorlopige voorziening. Aan een beoordeling van de evenwichtigheid van het besluit komt de voorzieningenrechter daarom niet toe.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken nadat de burgemeester een beslissing op het bezwaar heeft genomen.
10. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeksters vergoeden. Ook krijgen zij een vergoeding van hun proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag van € 934,- per proceshandeling. Omdat de gemachtigden één verzoekschrift hebben ingediend en aan de zitting hebben deelgenomen, leidt dit tot een totaalbedrag van € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit tot twee weken na de door de burgemeester te nemen beslissing op het bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester aan verzoeksters het door hun betaalde griffierecht moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeksters tot een bedrag van in totaal € 1.868,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.W. Seylhouwer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 21 mei 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

3.Zie noot 2 (rechtsoverweging 10.1).