ECLI:NL:RBLIM:2026:5082

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
12182338 \ CV EXPL 26-1783
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Van den Berg Jeths-van Meerwijk
  • Van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BWArt. 7:629a lid 1 BWArt. 7:629a lid 2 BWArt. 7:1638ca BW (oud)Art. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonopschorting onterecht bij arbeidsongeschiktheid wegens psychische klachten

De werknemer trad op 16 september 2024 in dienst bij de werkgever met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Na ziekmelding wegens psychische klachten op 15 september 2025 volgde een periode van gedeeltelijke en daarna volledige arbeidsongeschiktheid. De werknemer wilde contact met de bedrijfsarts telefonisch voortzetten vanwege haar medische situatie, terwijl de werkgever aandrong op fysieke consulten. Na diverse correspondentie en gemiste afspraken legde de werkgever per 1 februari 2026 loonopschorting op wegens vermeend niet meewerken aan re-integratie.

De werknemer vorderde in kort geding betaling van het loon over februari tot en met april 2026, inclusief wettelijke verhoging en incassokosten. De werkgever voerde verweer met onder meer het ontbreken van een deskundigenoordeel en betwisting van de arbeidsongeschiktheid en re-integratieverplichtingen.

De kantonrechter oordeelde dat in kort geding geen deskundigenoordeel vereist is en dat de werknemer voldoende spoedeisend belang had. De loonopschorting was niet gerechtvaardigd omdat de werknemer steeds beschikbaar was voor contact met de bedrijfsarts, zij het telefonisch, en de werkgever onvoldoende had aangetoond dat de werknemer haar genezing belemmerde of re-integratieverplichtingen niet nakwam. Ook was het koffiemoment geen passende maatregel gericht op arbeid. De loonvordering, wettelijke verhoging en incassokosten werden toegewezen, evenals proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De loonopschorting per 1 februari 2026 was onterecht en de werkgever is veroordeeld tot doorbetaling van loon, wettelijke verhoging, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12182338 \ CV EXPL 26-1783
Vonnis in kort geding van 21 mei 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. R. Joosten,
tegen
[gedaagde partij] B.V.,
te Heerlen,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. M.M.J.F. Sijben.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 13,
- de producties 1 tot en met 10 van [gedaagde partij] ,
- de producties 14 en 15 van [eisende partij] ,
- de conclusie van antwoord,
- de producties 16 tot en met 19 van [eisende partij] ,
- de mondelinge behandeling van 7 mei 2026,
- de spreekaantekeningen van mr. R. Joosten,
- de spreekaantekeningen van mr. M.M.J.F. Sijben.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] is op 16 september 2024 bij [gedaagde partij] in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een arbeidsduur van 32 uur per week. De arbeidsovereenkomst is op 16 september 2025 verlengd voor bepaalde tijd tot 15 maart 2026.
2.2.
Het salaris van [eisende partij] bedroeg laatstelijk € 2.652,00 bruto per maand, te vermeerderen met emolumenten.
2.3.
[eisende partij] heeft zich op 15 september 2025 ziek gemeld met psychische klachten.
2.4.
Op 27 oktober 2025 heeft [eisende partij] een eerste telefonisch consult met de bedrijfsarts gehad. Vervolgens is [eisende partij] gestart met het verrichten van werkzaamheden voor 8 uur per week. Dit heeft [eisende partij] gedaan in de periode van 10 november 2025 tot en met 7 december 2025.
2.5.
Met ingang van 8 december 2025 is [eisende partij] opnieuw volledig arbeidsongeschikt gemeld. In dat kader heeft [eisende partij] op 8 december 2025 een oproep ontvangen om op 12 januari 2026 te verschijnen voor een fysiek consult bij de bedrijfsarts in Sittard.
2.6.
Bij e-mail van 8 december 2025 heeft [eisende partij] het volgende aan [gedaagde partij] bericht:
“Hoi [persoon] ,
Dank je wel voor het doorsturen van de afspraak. Zou jij willen vragen of de afspraak wederom telefonisch kan plaatsvinden net zoals de vorige keer? Het lukt me namelijk nog niet om naar Sittard te gaan. Tenzij het mogelijk is om naar een bedrijfsarts in [plaats] te gaan als jullie die hebben, maar ik weet natuurlijk niet hoe dat zit.”
2.7.
Vervolgens heeft [gedaagde partij] bij e-mail van 8 december 2025 als volgt geantwoord:
“Hi [eisende partij] .
Ik vind het belangrijk dat je nu deze keer wel een live afspraak bezoekt, dus ik wil je verzoeken om dat iets met vervoer te regelen.”
2.8.
In de periode daarna heeft tussen partijen correspondentie (e-mails van 6, 7, 12 en 19 januari 2026) plaatsgevonden over de re-integratie van [eisende partij] en het contact met de bedrijfsarts.
2.9.
Op 12 januari 2026 heeft [eisende partij] het volgende gemaild naar [gedaagde partij] :
“Goedemorgen [persoon] ,
Zoals eerder aangegeven is het voor mij medisch niet mogelijk om vandaag te reizen. Ik ben vandaag beschikbaar voor een telefonisch consult of een afspraak op een locatie in de buurt.”
2.10.
[gedaagde partij] heeft daarna bij e-mail van 12 januari 2026 geantwoord:
“ [eisende partij] ,
Ik vind dit een onacceptabele gang van zaken. Gezien je tankgedrag wel je in staat om je te verplaatsen.”
2.11.
Op 19 januari 2026 heeft [eisende partij] naar [gedaagde partij] gemaild:
“ [persoon] ,
Vorige week is de afspraak met de bedrijfsarts geannuleerd.
Tot op heden heb ik nog geen nieuwe afspraak ontvangen.
Ik wil graag meewerken aan het vervolg van het verzuimproces en ben beschikbaar voor een telefonisch consult of een afspraak op een locatie in de buurt.
Graag verneem ik wanneer er een nieuwe afspraak wordt ingepland.”
2.12.
Bij e-mail van 20 januari 2026 heeft [gedaagde partij] om 08:10 uur het volgende laten weten aan [eisende partij] :
“De vervangende bedrijfsarts gaat je vandaag om 14:00 uur bellen.”
2.13.
Op 20 januari 2026 heeft de bedrijfsarts een bericht van niet verschijnen / telefonisch niet bereikbaar (no show) gestuurd naar [gedaagde partij] .
2.14.
Op 21 januari 2026 heeft [eisende partij] het volgende gemaild naar [gedaagde partij] :
“ [persoon] ,
Gisteren ontving ik bericht dat ik diezelfde dag telefonisch benaderd zou worden door een vervangende bedrijfsarts.
Omdat er een vooraf ingeplande en bevestigde afspraak was via de arbodienst en het om een onbekend nummer ging, heb ik dit bericht pas later gezien en de oproepen niet aangenomen.
Ik blijf beschikbaar voor een formeel ingeplande afspraak met de bedrijfsarts via de arbodienst, met een officiële afspraakbevestiging (datum, tijd en naam arts), telefonisch of op een locatie in de buurt.
Graag ontvang ik een officiële afspraakbevestiging.”
2.15.
[gedaagde partij] heeft op 21 januari 2026 als volgt gereageerd:
“ [eisende partij] ,
Dit is een herhaling van incidenten je bent voor ons telefonisch niet bereikbaar en nu niet voor de bedrijfsarts. Ik heb je al meerdere malen gewaarschuwd dat je beschikbaar moet. Zijn.
Ik stel je alvast op de hoogte dat het deze keer consequenties zal hebben.”
2.16.
Vervolgens heeft [eisende partij] op 21 januari 2026 het volgende bericht aan [gedaagde partij] :
“ [persoon] ,
Ik herken mij niet in de stelling dat ik niet beschikbaar ben geweest. Ik heb steeds aangegeven bereid te zijn mee te werken aan het verzuimproces en aan een consult met de bedrijfsarts.
Ik heb daarnaast meerdere keren aangegeven dat het voor mij medisch niet mogelijk was om te reizen naar de locatie van de bedrijfsarts. De beoordeling van mijn medische belastbaarheid en reisbaarheid is voorbehouden aan de bedrijfsarts en niet aan de werkgever. Daarbij heb ik steeds aangegeven wél beschikbaar te zijn voor een telefonisch consult of een afspraak op een locatie in de buurt.
De gang van zaken rondom het vermeende consult van gisteren was niet conform de gebruikelijke procedure. Er was geen vooraf ingeplande en bevestigde afspraak via de arbodienst, en ik heb geen informatie ontvangen over datum, tijd, naam of rol van de bedrijfsarts. Om die reden heb ik dit niet als een formeel bedrijfsartsconsult kunnen beschouwen en heb ik aan dit contact geen gehoor gegeven.
Ik blijf beschikbaar voor een correct en formeel ingeplande afspraak met de bedrijfsarts via de arbodienst, met een officiële afspraakbevestiging, telefonisch of op een locatie in mijn directe omgeving.”
2.17.
Bij e-mail van 23 januari 2026 laat [gedaagde partij] aan [eisende partij] weten een koffiemoment te hebben gepland op maandag 26 januari 2026 om 11:00 uur op de vestiging in [plaats] .
2.18.
[eisende partij] heeft bij e-mail van 23 januari 2026 gereageerd en als volgt geantwoord:
“(…)
In het kader van mijn ziekmelding en het lopende verzuimproces dient de afstemming over mijn belastbaarheid en re-integratie via een formeel consult met de bedrijfsarts te verlopen. Om die reden ga ik niet in op een gesprek met de werkgever hierover.
Zoals eerder aangegeven, blijf ik beschikbaar voor een correct ingeplande afspraak met de bedrijfsarts via de arbodienst en ontvang hiervoor graag een officiële afspraakbevestiging.”
2.19.
[gedaagde partij] heeft het loon van [eisende partij] per 1 februari 2026 opgeschort. Op 19 februari 2026 heeft [gedaagde partij] het volgende bericht aan [eisende partij] :
“Zoals al eerder aangekondigd hebben we een loonopschorting ingesteld, dit totdat je mee gaat werken aan koffiemomenten met de afdeling HR en contact met de bedrijfsarts toe gaat staan, voor alle duidelijkheid daar hoort ook bij telefonische bereikbaar zijn en terugbellen bij verhindering.
Alleen zeggen dat je beschikbaar bent is niet voldoende, je zult actief moeten gaan meewerken.
Ik hoor graag van je zodat we een afspraak kunnen gaan inplannen.”
2.20.
Vervolgens heeft [eisende partij] bij e-mail van 19 februari 2026 als volgt gereageerd naar [gedaagde partij] :
“Ik heb kennisgenomen van uw bericht over de ingestelde loonopschorting.
Ik betwist dat er sprake is van het niet meewerken aan mijn re-integratie of aan het verzuimproces. Er is eerder een afspraak bij de bedrijfsarts gepland geweest, maar toen heb ik aangegeven dat het voor mij medisch niet mogelijk was om naar de locatie te reizen. Een alternatief in mijn directe omgeving of een telefonisch consult is toen niet gefaciliteerd, ondanks mijn verzoek.
Ik heb sindsdien herhaaldelijk aangegeven beschikbaar te zijn voor een correct en formeel ingeplande afspraak met de bedrijfsarts via de arbodienst en ben bereid hieraan mijn medewerking te verlenen. Tot op heden heb ik hiervoor nog geen nieuwe, formele afspraakbevestiging ontvangen.
Een koffiemoment met HR valt niet onder de medische controleverplichtingen in het kader van mijn ziekmelding. Afstemming over mijn belastbaarheid en re-integratie dient via de bedrijfsarts te verlopen.
Ik verzoek u daarom de loonopschorting per direct op te heffen en mijn salaris alsnog uit te betalen. Uiteraard blijf ik beschikbaar voor een formeel ingeplande afspraak met de bedrijfsarts.”
2.21.
Op 4 maart 2026 heeft de advocaat van [eisende partij] een sommatie aan [gedaagde partij] verzonden inhoudende een hervatting van de loondoorbetaling.
2.22.
Op 6 maart 2026 heeft [gedaagde partij] het volgende bericht geschreven aan de advocaat van [eisende partij] :
“(…)
Wij zullen de loonopschorting opheffen indien aan de verplichtingen uit de Wet verbetering poortwachter is voorwaarden is voldaan, dat zou wat ons betreft dus komende week kunnen gebeuren.
De medewerkster gaat nuwel in op de uitnodiging van de bedrijfsarts komende week, op verzoek van de medewerkster is deze wederom telefonisch.
De medewerkster werkt mee aan het plan van aanpak en geeft nuwelgehoor aan de uitnodiging van de werkgever om komende week op kantoor te verschijnen.
Ik wil erop wijzen dat de medewerkster wel degelijk in staat is om aan het verkeer deel te nemen, zij is de enigste die in de bedrijfsauto mag rijden, tankgedrag toont aan dat de auto regelmatig gebruikt wordt.”
2.23.
Op 12 maart 2026 heeft [eisende partij] een telefonisch consult gehad bij de bedrijfsarts van Vitalias arbodienstverlening.
2.24.
De bedrijfsarts heeft bij brief van 12 maart 2026 het telefonisch gesprek met [eisende partij] als volgt teruggekoppeld aan [gedaagde partij] :
“(…)
Stand van zaken
Mevrouw haar beperkingen zijn de afgelopen periode toegenomen. Ze heeft hiervoor een behandeling lopen en is in afwachting van een aanvullende behandeling. Mevrouw werkt momenteel niet.
Beperkingen en mogelijkheden
Er is sprake van beperkingen in energie, persoonlijk en sociaal functioneren, verdelen van de aandacht en het hanteren van emoties. Daarnaast is er sprake van een vervoersbeperkingen.
Re-integratie advies
Belastbaarheid is kwetsbaar en te laag om een actieve start te maken met re-integratie. Het advies is om te focussen op behandeling herstel. Wel kan samen met werkgever het gesprek worden aangegaan over de werk gerelateerde component. Zodat wanneer de belastbaarheid voldoende is toegenomen er een start kan worden gemaakt met re-integratie.
Evalueer op regelmatige basis het beloop.
Geadviseerde vervolgafspraak
Graag een nieuw spreekuur over 6 weken bij de bedrijfsarts MKB ERD.”
2.25.
Op 24 maart 2026 heeft [eisende partij] bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd.
2.26.
[gedaagde partij] heeft bij e-mail van 30 maart 2026 een bijlage: ‘Ziek uit dienst – wat betekent dit voor mij?’, gestuurd naar [eisende partij] waarbij het volgende is gecommuniceerd vanuit [gedaagde partij] naar haar:
“Beste [eisende partij] ,
Bijgaande informatie met betrekking tot de ziek uitdienststreding. Tevens wil ik je graag uitnodigen op onze vestiging in [plaats] voor het bijwerken van het plan van aanpak, graag verneem ik wanneer het deze week schikt.”
2.27.
Op 23 april 2026 heeft de bedrijfsarts [eisende partij] op het spreekuur gezien. Over het gesprek heeft de bedrijfsarts het volgende meegedeeld aan [gedaagde partij] :
“(…)
Stand van zaken
Mevrouw [eisende partij] is arbeidsongeschikt ten gevolge van ziekte. Ze heeft hiervoor adequaat medische hulp gezocht, is doorverwezen en is recent gestart met een nieuwe behandeling.
Ik zal medische informatie opvragen bij de behandelaar.
Beperkingen en mogelijkheden
Mevrouw [eisende partij] is beperkt in haar energie, de intensieve concentratie, herinneren, multitasking heeft een duidelijke impact op haar energetische balans, het hanteren van druk en stress, prikkelhantering en haar vervoer.
Re-integratie advies
Er zijn op dit moment nog geen mogelijkheden om te worden ingezet in werkzaamheden, de focus ligt volledig op behandeling en herstel.
Ik heb begrepen dat er sprake is van een verschil in visie tussen ex-werkgever en werknemer, en dat er inmiddels juristen zijn betrokken.
Evalueer onderling het beloop.
Prognose
Ik verwacht volledig herstel met een periode van 3 tot 6 maanden
Geadviseerde vervolgafspraak
Spreekuur over 8 weken op locatie in Eindhoven.”

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van:
I. het salaris ad € 2.652,00, bruto per maand, vermeerderd met de van toepassing zijnde emolumenten, over de maanden februari, maart en april 2026,
II. de wettelijke verhoging van 50% over de maanden februari en maart 2026,
III. de buitengerechtelijke incassokosten ad € 544,50,
IV. de proceskosten.
3.2.
[eisende partij] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eisende partij] stelt dat zij wegens psychische klachten arbeidsongeschikt was en recht had op doorbetaling van haar loon op grond van artikel 7:629 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens [eisende partij] heeft zij voldoende meegewerkt aan haar re-integratieverplichtingen en het contact met de bedrijfsarts. De loonopschorting per 1 februari 2026 is volgens [eisende partij] ten onrechte toegepast.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde partij] voert het volgende aan. [gedaagde partij] is primair van mening dat [eisende partij] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen wegens het ontbreken van een verklaring van een deskundige als bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW. Subsidiair ontkent en betwist [gedaagde partij] dat [eisende partij] recht heeft op doorbetaling van haar salaris. Verder betwist [gedaagde partij] de arbeidsongeschiktheid van [eisende partij] en is zij van mening dat [eisende partij] de op haar rustende re-integratieverplichtingen niet, althans niet deugdelijk is nagekomen.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Spoedeisend belang
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang van [eisende partij] bij de loonvordering vast staat. Het gaat immers om de situatie waarbij [eisende partij] met ingang van februari 2026 geen loon ontvangt. Van [eisende partij] kan niet worden verlangd dat zij een beslissing daarover in een bodemprocedure afwacht. Voor de daarmee verbonden nevenvorderingen bestaat daardoor ook een voldoende spoedeisend belang.
Ontvankelijkheid
4.3.
[gedaagde partij] heeft aangevoerd dat [eisende partij] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen, nu zij geen deskundigenoordeel van het UWV als bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW heeft overgelegd. Volgens [gedaagde partij] is een dergelijk deskundigenoordeel in de onderhavige zaak noodzakelijk, omdat geen fysiek consult bij de bedrijfsarts heeft plaatsgevonden. Hierdoor ontbreekt volgens haar een volledige en zorgvuldige medische beoordeling van de belastbaarheid en beperkingen van [eisende partij] . [gedaagde partij] stelt zich op het standpunt dat geen betrouwbaar en compleet medisch beeld voorhanden is.
4.4.
De kantonrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:629a lid 1 BW dient een werknemer die aanspraak maakt op loon tijdens arbeidsongeschiktheid in beginsel een deskundigenoordeel van het UWV over te leggen. Dit voorschrift geldt volgens artikel 7:629a lid 2 BW echter niet indien het overleggen van de verklaring in redelijkheid niet van de werknemer kan worden gevergd. De verplichting tot het overleggen van een deskundigenoordeel geldt niet (zonder meer) in kort geding. Zo blijkt uit de memorie van toelichting op artikel 7:1638ca (oud) BW: [1]
“(…)
De verplichte inschakeling van een deskundige geldt slechts voor bodemprocedures. De werknemer die bij wijze van voorlopige voorziening loondoorbetaling verlangt – van de president in kort geding of van de kantonrechter op de voet van artikel 116 van Pro Burgerlijke Rechtsvordering – kan die vragen zonder de verklaring over te leggen. In werkelijk spoedeisende zaken moet de rechter niet genoodzaakt zijn te wachten totdat de second opinion is afgerond.
(…)
De rechter die over een spoedvoorziening oordeelt, is niet verplicht de werknemer eerst naar de second opinion te verwijzen, maar het is evenmin verboden.”
Gelet op dit uitgangspunt en mede in aanmerking genomen dat het doel van het deskundigenbericht is om de positie van de werknemer te versterken, is de kantonrechter van oordeel dat de in (thans) artikel 7:629a lid 1 BW opgenomen eis van het overleggen van een deskundigenoordeel niet aan [eisende partij] kan worden tegen geworpen. Daar komt bij dat [gedaagde partij] zich pas in onderhavige procedure expliciet op het standpunt heeft gesteld dat zij de arbeidsongeschiktheid in twijfel trekt. [eisende partij] heeft toen ook direct een deskundigenoordeel aangevraagd. Het kan haar niet worden tegen geworpen dat zij – indachtig de korte termijn waarbinnen de behandeling van een kort geding plaatsvindt – nog geen deskundigenrapport heeft ontvangen. De zaak zal derhalve inhoudelijk worden beoordeeld.
Loonopschorting gerechtvaardigd?
4.5.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde partij] de loonopschorting per 1 februari 2026 terecht heeft toegepast en of, indien de loonopschorting toen gerechtvaardigd was opgelegd, deze nog steeds aan [eisende partij] kan worden tegen geworpen.
4.6.
Ingevolge artikel 7:629 lid 1 BW Pro behoudt een werknemer zijn recht op loon tijdens ziekte. Uitzondering op dit beginsel is weergegeven in artikel 7:629 lid 3 BW Pro. In laatstgenoemd artikellid zijn een aantal redenen genoemd die het de werkgever toestaan om het loon op te schorten. Zo wordt bepaald dat de loonaanspraak van de werknemer vervalt voor de tijd dat hij zonder deugdelijke grond tekortschiet in zijn re-integratie-verplichtingen. Uitgangspunt is dat een werkgever gehouden is de gronden waarop de loonstop wordt gebaseerd, binnen een redelijke termijn aan de werknemer mee te delen om de werknemer daarmee in staat te stellen haar standpunt met betrekking tot de loonstop te bepalen en tijdig maatregelen te treffen. Dit betekent dat in de brief waarin de loonstop wordt medegedeeld de gronden voor die loonstop zijn gefixeerd. Dat wil zeggen dat een werkgever niet achteraf de gronden voor de loonstop kan aanvullen.
4.7.
[gedaagde partij] heeft op 19 februari 2026 aan [eisende partij] meegedeeld dat zij het loon zouden opschorten. In het bericht is vermeld dat [eisende partij] gehouden was mee te werken aan koffiemomenten met de afdeling HR en contact met de bedrijfsarts diende toe te staan. Daartoe behoorde ook dat [eisende partij] telefonisch bereikbaar moest zijn en bij verhindering moest terugbellen.
4.8.
[gedaagde partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij genoodzaakt was om deze loonopschorting op te leggen omdat [eisende partij] vanaf januari 2026 structureel haar re-integratieverplichtingen had verwaarloosd. [eisende partij] was niet op komen dagen voor de geplande koffiemomenten terwijl dit van belang was voor het onderhouden van contact met [eisende partij] . Ook had zij meerdere oproepen van de bedrijfsarts niet aangenomen en had zij herhaaldelijk geweigerd mee te werken aan een fysiek consult bij de bedrijfsarts. Ten slotte is aangevoerd dat [gedaagde partij] inmiddels ernstige bedenkingen had over de arbeidsongeschiktheid van [eisende partij] .
4.9.
[eisende partij] heeft uitdrukkelijk betwist dat zij niet beschikbaar zou zijn geweest voor de bedrijfsarts. Zij heeft steeds aangegeven een telefonisch consult met de bedrijfsarts te willen en te kunnen. Een fysiek consult was evenwel voor haar te belastend. Volgens [eisende partij] heeft zij dit meermalen aan [gedaagde partij] kenbaar gemaakt, maar heeft [gedaagde partij] desondanks er op gestaan om fysiek consult te laten plaatsvinden. [eisende partij] heeft ook aangevoerd dat zij vanwege haar medische situatie evenmin in staat was om aanwezig te zijn bij het koffiemoment dat bovendien ook niet door de bedrijfsarts werd geadviseerd.
4.10.
De kantonrechter overweegt vooreerst dat de loonsanctie is opgelegd tijdens ziekte. Dat betekent dat de loonsanctie moet behoren tot een van de in 7:629 lid 3 BW genoemde gronden. De kantonrechter begrijpt de in de brief van 19 februari 2026 aangevoerde gronden zo, dat [gedaagde partij] stelt dat [eisende partij] geen recht had op loon wegens de in artikel 7:629 lid 3 sub b en Pro d BW genoemde gronden, te weten dat de zieke werknemer haar genezing belemmert of vertraagt (sub b) en dat de zieke werknemer zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan voorschriften of maatregelen die erop gericht zijn passende arbeid te verrichten (sub d).
Contact bedrijfsarts afgehouden?
4.11.
De eerste vraag is derhalve of [eisende partij] het contact met de bedrijfsarts heeft afgehouden en of zij daardoor haar genezing heeft belemmerd of vertraagt. Vast staat dat een werknemer dient mee werken aan een oproep van de bedrijfsarts. In beginsel vindt een onderzoek door de bedrijfsarts plaats door het houden van een fysiek consult. Een werknemer is verplicht om te komen. Dat neemt niet weg dat een werknemer die niet in staat is om te reizen, aan de werkgever het verzoek kan doen om een digitaal of telefonisch consult te vragen bij de bedrijfsarts. Als de werkgever twijfelt of een telefonisch consult voldoende inzicht geeft in de problematiek van de werknemer, kan met de bedrijfsarts overleg worden gevoerd.
4.12.
De kantonrechter stelt vast dat na de eerste ziekmelding een telefonisch consult heeft plaatsgevonden waarna [eisende partij] voor een aantal uren per week is gaan re-integreren. Daarna is [eisende partij] opnieuw volledig uitgevallen. Niet gebleken is dat deze terugval een andere oorzaak had dan eerder met de bedrijfsarts was besproken. [eisende partij] heeft toen opnieuw verzocht om een telefonisch consult en wel voor de oproep op 12 januari 2026. Partijen zijn toen in een discussie terecht gekomen of [eisende partij] wel of niet fysiek naar een consult kon komen. Wat er ook zij van deze discussie, anders dan [gedaagde partij] stelt, kan hieruit niet worden afgeleid dat [eisende partij] zich heeft willen onttrekken aan een beoordeling van de bedrijfsarts. Integendeel, [eisende partij] heeft steeds aangegeven dat zij contact wenste met de bedrijfsarts en zij heeft ook moeite gedaan om met de bedrijfsarts in contact te komen. Voor zover [gedaagde partij] meent dat zij dit contact opzettelijk heeft afgehouden toen zij op 20 januari 2026 werd gebeld door de bedrijfsarts kan de kantonrechter [gedaagde partij] niet volgen. Er was enkel een mededeling via email dat zij zou worden gebeld en onbetwist is dat [eisende partij] direct heeft terug gebeld toen bleek dat zij een oproep had gemist. Dat zij daardoor haar genezing heeft belemmerd of vertraagd kan uit deze feiten en omstandigheden niet worden opgemaakt.
4.13.
Voor zover [gedaagde partij] heeft bedoeld te stellen dat [eisende partij] door haar handelen – wat daar ook van zij – haar re-integratieverplichtingen niet wenste na te komen zodat daarom de loonstop kon worden opgelegd, kan de kantonrechter dat helemaal niet volgen alleen al omdat er nog helemaal geen sprake was van enige re-integratie verplichting. Voor zover bedoeld is dat zij niet wenste mee te werken aan een plan van aanpak, was het maken daarvan nog niet aan de orde.
Koffiemoment
4.14.
Dat [eisende partij] zonder deugdelijke grond heeft geweigerd mee te werken aan voorschriften of maatregelen die erop gericht zijn passende arbeid te verrichten door niet in te willen gaan op de uitnodiging van een koffiemoment, kan de kantonrechter niet volgen reeds omdat zonder nadere toelichting niet valt in te zien dat het houden van een koffiemoment een maatregel is die gericht is op het verrichten van passende arbeid.
4.15.
Overigens blijkt uit de terugkoppeling van 12 maart 2026 van de bedrijfsarts dat sprake was van beperkingen ten aanzien van energie, persoonlijk en sociaal functioneren, het verdelen van de aandacht en het hanteren van emoties. Daarnaast was sprake van een vervoersbeperking. Ten aanzien van de re-integratie werd geadviseerd dat de belastbaarheid van [eisende partij] kwetsbaar en te laag was om een actieve start met de re-integratie te maken. Het contactadvies werd beperkt tot het advies om het beloop op regelmatige basis te evalueren. Van een koffiemoment werd op dat moment helemaal niet gesproken.
4.16.
Gelet op al het voorgaande is de kantonrechter voorshands van oordeel dat [gedaagde partij] onvoldoende heeft aangetoond dat [eisende partij] geen recht had op loon.
4.17.
Ten slotte heeft [gedaagde partij] aangevoerd dat zij (inmiddels) twijfels heeft bij de arbeidsongeschiktheid van [eisende partij] . Wat daar ook van zij, dit is in de brief van 19 februari 2026 niet als reden voor de loonstop genoemd. Nu, zoals hiervoor overwogen, de gronden voor die loonstop zijn gefixeerd in de brief van 19 februari 2026 en een werkgever niet achteraf de gronden voor de loonstop kan aanvullen, moet reeds daarom aan deze stelling worden voorbij gegaan. Los daarvan is het aan een deskundige om de arbeids(on)geschiktheid te beoordelen.
Conclusie vordering doorbetaling van loon
4.18.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde partij] ten onrechte de betaling van het loon aan [eisende partij] per 1 februari 2026 heeft opgeschort. De vordering van [eisende partij] tot doorbetaling van loon is daarom toewijsbaar.
Wettelijke verhoging
4.19.
De vordering van [eisende partij] tot betaling van de wettelijke verhoging over het loon van februari en maart 2026 zal ook worden toegewezen. De wettelijke verhoging zal in het kader van deze voorlopige voorziening worden gematigd tot 20%. [2]
Buitengerechtelijke incassokosten
4.20.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eisende partij] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 544,50 worden toegewezen.
Proceskosten
4.21.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
155,67
- griffierecht
265,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.429,67
4.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.23.
Dit vonnis wordt tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [3]
Aanvullende vorderingen in de spreekaantekeningen aan de zijde van [eisende partij]
4.24.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat in de spreekaantekeningen van [eisende partij] is vermeld dat [eisende partij] tevens aanspraak maakt op betaling van het loon over mei 2026, de eindafrekening en de transitievergoeding. [eisende partij] heeft geen uitdrukkelijke eiswijziging ingediend. Voor zover de in de spreekaantekeningen opgenomen aanvullingen als een eiswijziging moeten worden aangemerkt, zal de kantonrechter deze ambtshalve wegens strijd met de eisen van een goede procesorde op grond van artikel 130 Rv Pro buiten beschouwing laten.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 2.652,00 bruto per maand, vermeerderd met de van toepassing zijnde emolumenten, over de maanden februari, maart en april 2026,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen de wettelijke verhoging van 20% over de maanden februari en maart 2026,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 544,50 aan buitengerechtelijke kosten,
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.429,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026 door mr. Van Leeuwen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 1995-1996, 24 439, nr. 3, p. 64-65
2.Artikel 7:625 BW Pro
3.Artikel 233 Rv Pro