Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie na deskundigenbericht van 25 februari 2026 van [onderaannemer] ,
2.De verdere beoordeling
gesproken. De deskundige heeft in zijn deskundigenrapport namelijk geconstateerd dat de kozijnen fabricage-/detailfouten hebben. Meer specifiek heeft de deskundige geconstateerd dat (i) de raamvleugels een onjuiste maatvoering (hoogte) hebben, waardoor onderaanslag c.q. kaderdichting niet sluitend functioneert, (ii) ongeschikte c.q. te dunne kaderprofielen en onjuiste c.q. losse eindkapjes zijn gebruikt, (iii) niet-passende stolpstukjes en te korte aanslagprofielen zijn gebruikt en (iv) de kozijnen geprefabriceerde hang- en sluitwerk c.q. afdichtingsprofielen hebben, waardoor rubbers meermaals vervangen moesten worden zonder structurele oplossing. [2] Van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot had mogen worden verwacht dat voornoemde punten correct zouden zijn uitgevoerd. [onderaannemer] was immers verantwoordelijk voor de montage (en levering) van de kozijnen. Dat de deskundige heeft geconstateerd dat de lekkages aan de kozijnen het gevolg zijn van een combinatie van fabricage-/detailfouten ( [onderaannemer] ), plaatsings-/uitlijningsgebreken ( [aannemer] ) en onvoldoende tijdige/complete aflak ( [aannemer] / [opdrachtgever] ), maakt het voorgaande niet anders, nu de rechtbank die conclusie in het hiernavolgende verder zal uitwerken en verdisconteren onder ‘schade’ (r.o. 2.12 e.v.).
substantieel” bijdragen aan de oorzaak van de lekkages [3] en dat de plaatsingskwaliteit en nazorg c.q. afwerking aan de zijde van [aannemer] de problematiek van de lekkages hebben “
versterkt” [4] . Meer specifiek heeft de deskundige geconcludeerd dat de fabricage-/detailkeuze- en maatvoeringsgebreken aan de zijde van [onderaannemer] de primaire ontstaansoorzaak zijn:
“Het is daarmee een gedeelde verantwoordelijkheid, waarbij deinitiële oorzaak primairligt bij maatvoering en detaillering van de draaiende delen en profielen ( [onderaannemer] )(onderstrepingen zijn van de rechtbank).” [5] Vertaald naar de mate van schadeplichtigheid van ieder der partijen, bepaalt de rechtbank op de voet van artikel 6:97 BW Pro dat [onderaannemer] tweederde (2/3) deel van de schade van [opdrachtgever] dient te dragen en [aannemer] éénderde (1/3) deel. Dit impliceert dat [onderaannemer] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van